Rechtbank Amsterdam, 04-05-2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:2144, C/13/701021 / HA ZA 21-392
Rechtbank Amsterdam, 04-05-2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:2144, C/13/701021 / HA ZA 21-392
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Amsterdam
- Datum uitspraak
- 4 mei 2022
- Datum publicatie
- 9 mei 2022
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2022:2144
- Zaaknummer
- C/13/701021 / HA ZA 21-392
Inhoudsindicatie
aansprakelijkheid feitelijk beleidsbepalers voor niet nakomen veroordelend vonnis door rechtspersoon - Ontvanger/Roelofsen - toepasselijk recht - recht van het land waar de schade zich voordoet
Uitspraak
vonnis
Afdeling privaatrecht
zaaknummer / rolnummer: C/13/701021 / HA ZA 21-392
Vonnis in hoofdzaak en in incident van 4 mei 2022
in de zaak van
wijlen [eiser],
wonende te [woonplaats 1] ,
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
verweerder in incident,
advocaat: mr. H.J. Bos te Haarlem,
tegen
1 wijlen [gedaagde 1] ,
zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedaagde,
eiser in incident,
eerst: mr. R.M.T. van den Bosch te Rotterdam, nu zonder advocaat,
2. [gedaagde 2],
wonende te [woonplaats 2] ( [woonplaats 2] van de Volksrepubliek China),
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
advocaat: mr. R.M.T. van den Bosch te Rotterdam.
Eiser in conventie zal hierna worden aangeduid als [eiser] . Gedaagden zullen hierna in mannelijk enkelvoud worden aangeduid als [gedaagden] en afzonderlijk als [gedaagde 1] en [gedaagde 2] .
1 De procedure
Voor de volledigheid zal hieronder het verloop van de procedure met zaak- / rolnummer 583768 / HA ZA 15-306 (waaronder de procedure vóór doorhaling bij de rechtbank bekend was) en de procedure onder het huidige zaak- / rolnummer worden weergegeven. Het verloop van de procedure blijkt uit:
in de zaak met zaak- / rolnummer 583768 / HA ZA 15-306
- -
-
de dagvaarding van 18 december 2014;
- -
-
de akte houdende in het geding brengen producties van 25 maart 2015 aan de zijde van [eiser] , met producties;
- -
-
de incidentele conclusie houdende een exceptie van onbevoegdheid van [gedaagde 1] , met producties;
- -
-
de conclusie van antwoord in het incident houdende exceptie van onbevoegdheid, met producties;
- -
-
het vonnis in incident van 29 juli 2015;
- -
-
de akte uitlating van 26 augustus 2015 aan de zijde van [gedaagde 1] , met producties;
- -
-
de antwoordakte in het incident houdende exceptie van onbevoegdheid van 23 september 2015 aan de zijde van [eiser] ;
- -
-
het vonnis in incident van 13 januari 2016;
- -
-
de incidentele conclusie tot voeging ex artikel 222 Rv, tevens houdende verzoek tot schorsing procedure ex artikel 38 sub b EEX-Vo. 1215/2012 aan de zijde van [gedaagde 1] , met producties;
- -
-
de conclusie van antwoord in het incident tot voeging tevens houdende verzoek tot schorsing;
- -
-
het vonnis in incidenten van 20 april 2016;
- -
-
de conclusie van antwoord van [gedaagde 1] , met producties;
- -
-
het tussenvonnis van 15 juni 2016, waarbij een comparitie van partijen is bepaald;
- -
-
het proces-verbaal van de comparitie gehouden op 16 augustus 2016 met de daarin vermelde stukken, waaronder de akte in het geding brengen producties aan de zijde van [eiser] (met producties), de tweede incidentele conclusie houdende een exceptie van onbevoegdheid aan de zijde van [gedaagde 1] (met producties), de aantekeningen mondelinge behandeling aan de zijde van [gedaagde 1] en de spreekaantekeningen en notitie tweede exceptie aan de zijde van [eiser] ;
- -
-
het tussenvonnis in incident van 7 september 2016;
- -
-
de akte in het geding brengen Iers vonnis van 14 februari 2018 aan de zijde van [eiser] , met producties;
- -
-
de antwoordakte van 14 maart 2018 aan de zijde van [gedaagde 1] , met producties;
- -
-
de akte uitlaten producties tevens houdende akte in het geding brengen producties van 28 maart 2018 aan de zijde van [eiser] , met producties;
- -
-
de antwoordakte van 11 april 2018 aan de zijde van [gedaagde 1] ;
- -
-
de akte toelichting pleidooi van 16 mei 2018 aan de zijde van [gedaagde 1] ;
- -
-
de antwoordakte van 30 mei 2018 aan de zijde van [eiser] ;
- -
-
de rolbeslissing van 13 juni 2018, waarbij het verzoek tot pleidooi is afgewezen;
- -
-
het tussenvonnis in incident van 26 september 2018;
- -
-
de brief van 29 november 2018 van mr. Bos met het verzoek alsnog hoger beroep open te stellen van het tussenvonnis van 26 september 2018;
- -
-
de brief van 5 december 2018 namens [gedaagde 1] op het verzoek tot het alsnog openstellen van hoger beroep;
- -
-
het tussenvonnis in incident van 12 december 2018, waarbij is bepaald dat van het op 26 september 2018 gewezen tussenvonnis tussentijds hoger beroep zal kunnen worden ingesteld;
- -
-
het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 29 september 2020 gewezen in hoger beroep van het tussenvonnis van 7 september 2018 en 26 september 2018;
in de zaak met zaak- / rolnummer 701021 / HA ZA 21-392
- -
-
het B-formulier van mr. Van den Bosch van 27 april 2021, waarbij hij heeft meegedeeld dat [gedaagde 1] in 2018 is overleden en dat hij niet over een volmacht beschikte om de nalatenschap van [gedaagde 1] in de procedure te vertegenwoordigen;
- -
-
het B-formulier van mr. Van den Bosch namens [gedaagde 2] van 27 april 2021, betreffende de voortzetting van de procedure;
- -
-
de conclusie van antwoord, tevens houdende conclusie van eis in reconventie van [gedaagde 2] , met producties;
- -
-
het tussenvonnis van 13 oktober 2021, waarbij is bepaald dat een mondelinge behandeling zal plaatsvinden;
- -
-
de conclusie van antwoord in reconventie, met producties;
- -
-
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling gehouden op 3 februari 2022, met de daarin genoemde stukken.
Tot slot is bepaald dat vonnis zal worden gewezen.
2 Inleiding
Deze zaak is een uitvloeisel van een geschil tussen (thans wijlen) [eiser] en Carigna Investments N.V. (hierna: Carigna). Carigna is veroordeeld tot betaling van schadevergoeding aan [eiser] . [eiser] heeft geprobeerd de uitspraak waarbij Carigna is veroordeeld op vermogensbestanddelen van Carigna te executeren. Dit is hem niet gelukt. In deze procedure moet de vraag worden beantwoord of [eiser] (thans wijlen) [gedaagde 1] en [gedaagde 2] kan aanspreken tot vergoeding van door hem gestelde schade, als gevolg van het uitblijven van betaling door Carigna. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend.