Home

Rechtbank Amsterdam, 20-04-2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:2345, C/13/716124 / KG ZA 22-303

Rechtbank Amsterdam, 20-04-2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:2345, C/13/716124 / KG ZA 22-303

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20 april 2022
Datum publicatie
3 juni 2022
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2022:2345
Zaaknummer
C/13/716124 / KG ZA 22-303

Inhoudsindicatie

kort geding; BKR-registratie moet worden doorgehaald.

Uitspraak

vonnis

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/716124 / KG ZA 22-303 HH/EB

Vonnis in kort geding van 20 april 2022

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser bij dagvaarding op verkorte termijn van 8 april 2022,

advocaat mr. C.B.G.M. Foolen te Tilburg,

tegen

de coöperatie

DE COOPERATIEVE RABOBANK U.A.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. D.S. Volleberg te Leiden.

Partijen zullen hierna [eiser] en Rabobank worden genoemd.

1 De procedure

Op de zitting van 14 april 2022 heeft [eiser] de vorderingen zoals omschreven in de dagvaarding toegelicht. Rabobank heeft verweer gevoerd overeenkomstig de conclusie van antwoord die zij voor de zitting heeft ingediend. Beide partijen hebben producties ingediend en [eiser] tevens spreekaantekeningen. Zoals ter zitting afgesproken, heeft [eiser] op 14 april 2022 aanvullende stukken in het geding gebracht, en heeft Rabobank daarop gereageerd op 19 april 2022. Bij die reactie zat een uittreksel uit het handelsregister. In verband met de spoedeisendheid van de zaak is de beslissing gegeven op 20 april 2022, in de vorm van een ‘kopstaartvonnis’. Het hierna volgende bevat de uitwerking daarvan en is, zoals in het kopstaartvonnis aangekondigd, afgegeven op 28 april 2022.

Ter zitting was [eiser] aanwezig met [naam 1] (Stichting Coderingsvrij) en mr. Foolen. Aan de zijde van Rabobank waren aanwezig [naam 2] (senior analist van de BKR desk) en mr. Volleberg.

2 De feiten

2.1.

In 2005 heeft [eiser] de eenmanszaak [naam eenmanszaak] opgericht, waarmee hij actief was in de groothandel in parfums en cosmetica. Rabobank had hem een zakelijk krediet verleend, dat in 2014 (laatstelijk) is verhoogd naar € 73.500,00.

2.2.

Door het wegvallen van twee exclusieve distributieovereenkomsten, in 2014, viel de omzet van [naam eenmanszaak] sterk terug. Uiteindelijk zou een faillissement niet meer te ontkomen zijn. Per 7 januari 2015 is [naam eenmanszaak] opgeheven en per 15 januari 2015 is de eenmanszaak uitgeschreven uit het handelsregister.

2.3.

Op 3 februari 2015 heeft Rabobank het krediet opgezegd en het totaal uitstaande bedrag van € 37.568,00 opgeëist. Tot dat moment was [naam eenmanszaak] bij met haar verplichtingen uit het krediet. [eiser] kon deze schuld slechts zeer gedeeltelijk voldoen door verkoop van bestaande voorraden.

2.4.

Op 15 november 2016 is [eiser] toegelaten tot de WSNP.

2.5.

Op 8 november 2019 heeft [eiser] het WSNP traject voltooid. De rechtbank heeft vastgesteld dat hij niet toerekenbaar is tekortgeschoten en heeft hem een schone lei verleend. Als gevolg daarvan heeft Rabobank ruim € 33.000,00 moeten afboeken.

2.6.

Rabobank heeft de opeising van het krediet en de afboeking van haar vordering laten registreren in het CKI (Centraal Krediet Informatiesysteem) van de BKR (Bureau Krediet Registratie). Daarin staan bij het krediet de bijzonderheidscodering 2 (2 oktober 2015, de datum van opeising van het krediet) en de bijzonderheidscodering 3 (8 november 2019, de datum waarop [eiser] een schone lei is verleend en Rabobank haar vordering heeft moeten afboeken). Als werkelijke einddatum is eveneens 8 november 2019 geregistreerd.

2.7.

Per 1 maart 2016 is [eiser] in dienst getreden bij [naam bedrijf] B.V. (hierna: [naam bedrijf] ). Enig aandeelhouder en bestuurder van [naam bedrijf] is [naam holding] B.V. (hierna: de holding). [eiser] is sinds 1 januari 2020 bestuurder van de holding. Aanvankelijk bedroeg zijn bruto maandsalaris € 1.800,00 (netto € 1.569,74). In 2017, 2018 en 2019 was dat gestegen naar bruto € 2.281,88 per maand (netto zo’n € 1.850,00). In 2020 is zijn loon verder verhoogd tot bruto € 4.950,00 (netto € 2.740,82) per maand en in 2021 tot bruto € 5.500,00 per maand (netto € 3.103,08).

2.8.

De partner van [eiser] werkt ook bij [naam bedrijf] , tegen een maandsalaris van bruto € 3.700,00 (netto zo’n € 2.400,00).

2.9.

[naam bedrijf] heeft in 2020 een nettoresultaat van € 212.421,00 behaald. Over 2021 wordt een netto resultaat van € 161.500,00 verwacht, blijkt uit de concept jaarcijfers.

2.10.

In juli 2021 heeft Rabobank een zakelijke financiering van € 800.000,00 aan de holding verstrekt, voor de aankoop van een bedrijfspand.

2.11.

Op dit moment woont [eiser] apart van zijn partner. Zij willen gaan samenwonen en hebben op 9 maart 2022 een woning aan de [adres] gekocht voor € 600.000,00. De koopovereenkomst kan worden ontbonden tot en met 22 april 2022 ingeval [eiser] en zijn partner geen hypothecaire geldlening kunnen krijgen.

2.12.

De partner van [eiser] heeft haar woning al verkocht voor € 225.225,25. De hypotheekschuld voor die woning bedroeg op dat moment € 91.059,36. [eiser] is ook van plan zijn woning te verkopen. Hij mocht die woning tijdens het WSNP-traject behouden omdat de woning toen ‘onder water stond’ en het in het belang van de schuldeiser was die niet te verkopen en een vervangende woning te huren. De makelaar vindt een koopsom van € 450.000,00 k.k. realistisch. De hypothecaire lening bedroeg per januari 2022 € 279.147,00.

2.13.

[eiser] heeft Rabobank verzocht de BKR-registratie door te halen, maar Rabobank heeft laten weten dat niet te zullen doen.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert, kort gezegd, Rabobank te veroordelen de BKR-registratie te verwijderen, op straffe van een dwangsom en met veroordeling van Rabobank in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met rente.

3.2.

Rabobank voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

5 De beslissing