Home

Rechtbank Amsterdam, 15-06-2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:3265, C/13/704034 / HA ZA 21-604

Rechtbank Amsterdam, 15-06-2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:3265, C/13/704034 / HA ZA 21-604

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
15 juni 2022
Datum publicatie
15 juni 2022
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2022:3265
Zaaknummer
C/13/704034 / HA ZA 21-604

Inhoudsindicatie

Vennootschapsrecht. 1. Het ontslag van de directeur-bestuurder van het Cornelius Haga Lyceum blijft in stand. 2. De voorzitter van het algemeen bestuur heeft nog niet de maximale zittingstermijn volgemaakt en hoefde dus nog niet af te treden.

Uitspraak

vonnis

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/704034 / HA ZA 21-604

Vonnis van 15 juni 2022

in de zaak van

1 [eiser 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [eiser 2],

wonende te [woonplaats] ,

3. [eiser 3],

wonende te [woonplaats] ,

4. [eiser 4],

wonende te [woonplaats] ,

eisers,

advocaat mr. G.C.L. van de Corput te Breda,

tegen

1. de stichting

STICHTING ISLAMITISCH ONDERWIJS NEDERLAND,

gevestigd te Amsterdam,

2. [gedaagde 2],

3. [gedaagde 3],

4. [gedaagde 4],

5. [gedaagde 5],

allen wonende te [woonplaats] ,

gedaagden,

advocaat mr. S.L.D. van den Brink te Mijdrecht.

Partijen worden hierna [eiser 1] c.s. en SIO c.s. (beiden in enkelvoud) genoemd.

Afzonderlijk wordt gedaagde sub 1 SIO en worden de overige partijen bij hun achternaam genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

-

de dagvaardingen van 22 juni 2021, met producties;

-

de conclusie van antwoord, met producties;

-

het tussenvonnis van 15 december 2021, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald;

-

het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 20 april 2022 en de daarin genoemde (proces)stukken.

1.2.

Vervolgens is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

SIO drijft het Cornelius Haga Lyceum te Amsterdam, een school voor voortgezet onderwijs op islamitische grondslag (hierna: de school).

2.2.

[eiser 1] is één van de oprichters en tevens (al dan niet oud-)bestuurder van SIO. [eiser 2] is ouder van een voormalige leerling van de school. [eiser 3] was tot 1 mei 2022 bij de school werkzaam als docent. [eiser 4] is leerling van de school.

2.3.

[gedaagde 2] is per 1 juni 2013 toegetreden tot het bestuur van SIO. [gedaagde 3] , [gedaagde 4] en [gedaagde 5] zijn vanaf 2020 (al dan niet) als bestuurders bij SIO betrokken (geweest).

2.4.

In de statuten van SIO, zoals gewijzigd bij akte op 15 oktober 2018, is onder meer het volgende bepaald:

“(...)

Bestuur

Artikel 4

(...)

3. Het bestuur bestaat uit maximaal tien toezichthoudende bestuursleden, hierna te noemen het algemeen bestuur en één uitvoerend bestuurslid, hierna te noemen het dagelijks bestuur of de directeur-bestuurder.

4. De directeur-bestuurder maakt deel uit van het bestuur. Hij wordt benoemd door het algemeen bestuur. (...)

5. De leden van het algemeen bestuur worden benoemd door het algemeen bestuur. (...)

(...)

Einde in de bestuurslidmaatschap

Artikel 5

1. De leden van het algemeen bestuur hebben zitting voor een periode van ten hoogste vier jaar; zij treden of [af, toevoeging rechtbank] volgens een door het bestuur opgemaakt rooster. Aftredende bestuursleden zijn terstond herbenoembaar, doch slechts één maal. (...)

(...)

3. Het lidmaatschap van een bestuurslid eindigt door:

a. periodieke aftreden als bedoeld in lid 1;

(...)

e. ontslag door het bestuur. (...) Het desbetreffende besluit dient te worden genomen met inachtneming van het bepaalde in artikel 12;

(...)

Taken en bevoegdheden Dagelijks Bestuur

Artikel 6

1. De directeur-bestuurder is belast met het besturen van de stichting met inachtneming van de in dit artikel genoemde beperkingen.

2. De directeur-bestuurder is belast met de algehele leiding en het besturen van de scholen van de stichting (...).

3. De directeur-bestuurder benoemt, schorst en ontslaat het personeel.

(...)

Taken en bevoegdheden Algemeen Bestuur

Artikel 7

1. Het algemeen bestuur houdt toezicht op de uitvoering van de taken en bevoegdheden door de directeur-bestuurder, staat deze met advies terzijde en fungeert als diens klankbord.

2. Het algemeen bestuur is in ieder geval belast met:

(...)

b. het toezicht op de naleving door de directeur-bestuurder van de wettelijke verplichtingen, de code voor goed bestuur voor het voortgezet onderwijs en eventuele afwijkingen van die code;

(...)

Vergaderingen Algemeen Bestuur

Artikel 10

1. Ieder jaar worden tenminste vier vergaderingen gehouden, (...).

2. Vergaderingen zullen voorts worden gehouden wanneer de voorzitter dit wenselijk acht, of indien tenminste twee/derde van de overige bestuursleden, daartoe schriftelijk en onder nauwkeurige opgave van de te behandelen onderwerpen aan de voorzitter het verzoek richten. Indien de voorzitter aan een dergelijk verzoek geen gevolg geeft, zodanig, dat de vergadering wordt gehouden binnen drie weken na het verzoek, zijn de verzoekers zelf bevoegd de vergadering bijeen te roepen, met inachtneming van de vereiste formaliteiten.

3. De oproep tot de vergadering geschiedt – behoudens het in lid 2 bepaalde – door of namens de voorzitter, tenminste veertien dagen tevoren, de dag van de oproep en die van de vergadering niet meegerekend, (...).

De oproepbrieven vermelden (...) de te behandelen onderwerpen.

(...)

7. De vergaderingen van het algemeen bestuur worden als regel bijgewoond door de directeur-bestuurder, tenzij het algemeen bestuur besluit buiten aanwezigheid van de directeur-bestuurder te willen vergaderen.

Bestuursbesluiten

Artikel 11

1. Behoudens het bepaalde in artikel 12, dient de meerderheid van de zittende leden van het algemeen bestuur aanwezig of vertegenwoordigd te zijn om rechtsgeldige besluiten te kunnen nemen.

Indien aan voormelde voorwaarde niet wordt voldaan kan de voorzitter van die vergadering een nieuwe vergadering uitschrijven. Deze tweede vergadering zal worden gehouden tenminste tien en ten hoogste dertig dagen daarna. In deze tweede vergadering kan worden beslist ongeacht het aantal aanwezige of vertegenwoordigde bestuursleden. Dit dient in de oproep voor die vergadering te worden gemeld.

2. Alle besluiten -met uitzondering van die genoemd in artikel 12- worden genomen met gewone meerderheid van de geldig uitgebrachte stemmen.

3. Elk bestuurslid heeft één stem. (...)

(...)

5. Mocht bij stemming over personen bij de eerste stemming geen meerderheid worden verkregen, dan heeft de voorzitter een doorslaggevende stem.

(...)

Bijzondere Bestuursbesluiten

Artikel 12

(...)

2. Een besluit tot ontslag van een bestuurslid (artikel 4 lid 3 sub e.) [bedoeld zal zijn artikel 5 lid 3 sub e, toevoeging rechtbank.] kan slechts worden genomen in een vergadering waarin alle overige bestuursleden aanwezig of vertegenwoordigd zijn, zodat de aanwezigheid of vertegenwoordiging niet noodzakelijk is voor degene over wiens ontslag wordt gestemd.

3. Indien het volgens de vorige leden vereiste aantal bestuursleden niet aanwezig of vertegenwoordigd is, wordt een tweede vergadering gehouden, tenminste tien en ten hoogste dertig dagen daarna. In deze tweede vergadering kan - ongeacht het aantal aanwezige of vertegenwoordigde bestuursleden - het betreffende besluit worden genomen met een meerderheid van tenminste drie/vierde deel van de geldig uitgebrachte stemmen.

4. In beide gevallen dient in de oproep tot de vergadering te worden vermeld, dat een onderwerp als omschreven in (...) lid 2 aan de orde komt.

(...)

6. Het bestuur kan ook buiten vergadering besluiten nemen over alle aan de orde komende onderwerpen (...) mits alle bestuursleden zich schriftelijk en met algemene stemmen voor het voorstel uitspreken. (...)”

2.5.

In de door [eiser 1] opgestelde conceptnotulen van de op 28 februari 2020 gehouden bestuursvergadering is onder meer het volgende opgenomen:

“VZ: inmiddels is het HR [Huishoudelijk Reglement, toevoeging rechtbank] conform aangepast. Het is nu formeel geborgd. HR is ook verzonden aan OI [Onderwijsinspectie, toevoeging rechtbank]”

In het Huishoudelijk Reglement is onder meer het volgende opgenomen:

“(...)

Artikel 3 - Bestuur en intern toezicht

De verdeling van taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden ten aanzien van het bestuur van de stichting is ingericht op basis van de volgende uitgangspunten:

(...)

• het algemeen bestuur oefent binnen de stichting het intern toezicht uit door middel van een goedkeuringsrecht ten aanzien van het strategisch beleid van de stichting en andere door het dagelijks bestuur te nemen majeure besluiten, alsmede door uitoefening van toezicht op de door het dagelijks bestuur gerealiseerde bestuurlijke processen en resultaten. (...)

Artikel 4 – Goed bestuur

De stichting als geheel alsmede het algemeen en het dagelijks bestuur (en de directeur) houden zich aan de Code Goed Bestuur in het voortgezet onderwijs zoals vastgesteld door het bestuur.

(...)

Artikel 7 - Opgedragen taken en bevoegdheden en beperkingen

(...)

2. Het algemeen bestuur behoudt de volgende taken en bevoegdheden aan zichzelf:

(...)

b) de benoeming, de schorsing en het ontslag van het dagelijks bestuurslid c.q. directeur bestuurder en, voor zover van toepassing, de directeur;

c) de uitoefening van het werkgeverschap ten aanzien van het dagelijks bestuurslid c.q. directeur-bestuurder;

(...)

e) het toezien op het dagelijks bestuur, waaronder de naleving door het dagelijks bestuur van wettelijke verplichtingen en algemeen aanvaarde codes voor goed bestuur;

(...)

p) het benoemen, schorsen en ontslaan van leden van het algemeen bestuur en voorzien in de eigen orde.

(...)

Artikel 15 - Opdracht

1. Het algemeen bestuur houdt toezicht op het functioneren van de stichting in het algemeen en op het dagelijks bestuur en voor zover van toepassing, de directeur in het bijzonder.

2. Het algemeen bestuur is belast met de uitoefening van de bevoegdheden als geregeld in de statuten, dit huishoudelijk reglement (...).

(...)”

2.6.

De Code Goed Onderwijsbestuur VO (hierna: Code VO) van de VO-Raad (de Vereniging van scholen in het voortgezet onderwijs) omschrijft onder meer de volgende good practice:

“(...) 8. Het intern toezicht beslist als werkgever over de profielschets, benoeming, arbeidsvoorwaarden en beloning en beoordeling, schorsing en ontslag van de leden van het bestuur. (...)”

2.7.

Tot medio mei 2020 bestond het bestuur van SIO uit [gedaagde 2] , [eiser 1] en de heer [naam 1] (hierna: [naam 1] ). Binnen het bestuur bekleedde [gedaagde 2] de functie van voorzitter en [naam 1] de functies van secretaris en penningmeester. Samen vormden zij sinds 2017 het algemeen bestuur, terwijl [eiser 1] sindsdien optrad als directeur-bestuurder.

2.8.

Bij e-mail van 10 mei 2020 om 21.01 uur heeft [gedaagde 2] [eiser 1] opgeroepen voor een algemene bestuursvergadering op 25 mei 2020, met op de agenda het voornemen tot schorsing van [eiser 1] als directeur-bestuurder van SIO.

2.9.

Kort daarna heeft [naam 1] bij e-mail van 10 mei 2020 om 21.57 uur aan onder meer [gedaagde 2] en [eiser 1] het volgende bericht:

“(...) Volgens de vaste vergaderdata staat er op 23 mei a.s. een bestuursvergadering gepland.

Bij deze wil ik de volgende agendapunten toevoegen;

(...)

3- stemming over wisseling functie voorzitterschap (...)”

2.10.

Bij door [naam 1] per e-mail van 10 mei 2020 om 23.07 verzonden brief, gedateerd 11 mei 2020, heeft [naam 1] [gedaagde 2] verzocht een bestuursvergadering uit te schrijven, met als onderwerp het voorgenomen ontslag van [gedaagde 2] als voorzitter en bestuurder van SIO. Het verzoek is door [eiser 1] mede-ondertekend.

2.11.

[gedaagde 2] heeft [naam 1] bij brief van 12 mei 2020 opgeroepen voor een op 27 mei 2020 te houden bestuursvergadering, met op de agenda de brandbrief van de medezeggenschapsraad over haar geëscaleerde samenwerking met [eiser 1] als directeur-bestuurder.

2.12.

Bij brief van 13 mei 2020 hebben [eiser 1] en [naam 1] het volgende aan [gedaagde 2] bericht:

“(...) Voorts hebben twee bestuursleden u als voorzitter bij brief van 11 mei 2020 verzocht een vergadering uit te schrijven met als onderwerp stemming voorzitterschap en uw ontslag als bestuurslid (...).

U als voorzitter heeft niet aan dit verzoek voldaan, doch in plaats daarvan twee andere vergaderingen op 25 en 27 mei 2020 aangekondigd. Dit is aan te merken als weigering de gevraagde vergadering uit te roepen, zodat verzoekers thans gerechtigd zijn deze gevraagde vergadering zelf uit te roepen (...).

Gelet daarop nodig ik u namens verzoekers uit voor deze extra vergadering te houden op 23 mei a.s. na afloop van de reguliere vergadering om 21:00 uur. Onderwerp van bespreking en stemming zullen zijn de positie van de heer [gedaagde 2] als voorzitter en bestuurslid van de SIO. (...)”

2.13.

Bij brief van 15 mei 2020 heeft [naam 1] [gedaagde 2] verzocht om uiterlijk op 18 mei 2020 een oproep voor een bestuursvergadering te doen uitgaan en medegedeeld dat hij samen met [eiser 1] zal overgaan tot het uitroepen van een vergadering op 3 juni 2020 wanneer [gedaagde 2] aan dit verzoek geen gehoor geeft.

2.14.

Bij e-mail van 18 mei 2020 heeft [gedaagde 2] aan, onder meer, [naam 1] en [eiser 1] meegedeeld dat de oproeping van [naam 1] van 11 mei 2020 voor een op 23 mei 2020 te houden bestuursvergadering in strijd is met de statuten en dat op 23 mei 2020 geen bestuursvergadering zal worden gehouden.

2.15.

Diezelfde dag heeft [naam 1] per e-mail het volgende aan de Onderwijsinspectie bericht:

“(...) U stelde een vraag omtrent de code. Het ontwikkelen van een eigen code goedbestuur in schooljaar 2019-2020, zoals dat is vermeld in het jaarverslag 2018, is niet haalbaar gebleken.

SIO conformeert zich derhalve aan de Code Goed Onderwijsbestuur VO van de VO-Raad. (...)”

2.16.

In een door [naam 1] en [eiser 1] ondertekend document, gedateerd 23 mei 2020 en aangeduid als bestuursbesluit van SIO, is onder meer vermeld dat [gedaagde 2] met onmiddellijke ingang is geschorst als voorzitter en bestuurder van SIO.

2.17.

In een door [gedaagde 2] ondertekend document, gedateerd 25 mei 2020 en aangeduid als notulen van een bestuursvergadering van SIO, is onder meer vermeld dat op 25 mei 2020 een bestuursvergadering heeft plaatsgevonden waarin is besloten om [eiser 1] als directeur-bestuurder van SIO te schorsen. [gedaagde 2] was volgens de notulen bij deze bestuursvergadering fysiek aanwezig en heeft om 9.31 uur gedurende 32 seconden gebeld met [naam 1] . Daarover heeft [naam 1] bij e-mail van 25 mei 2020 om 9.54 uur het volgende aan [gedaagde 2] bericht:

“(...) Zojuist heeft u mij telefonisch gecontacteerd. Ik was zoals gezegd niet in de gelegenheid om u te woord te staan en met u te vergaderen omdat ik in een andere vergadering zat. (...)”

2.18.

Bij e-mail van 26 mei 2020 heeft [gedaagde 2] aan [naam 1] een gewijzigde agenda toegezonden voor de op 27 mei 2020 te houden algemene bestuursvergadering, waarbij hij aan de agenda heeft toegevoegd dat tevens gesproken zal worden over het voornemen om [naam 1] als bestuurder van SIO te ontslaan.

2.19.

Op 27 mei 2020 om 9.33 uur heeft de advocaat van [naam 1] per e-mail aan [gedaagde 2] een brief toegestuurd waarin namens [naam 1] is gereageerd op zijn voorgenomen ontslag. In een door [gedaagde 2] ondertekend document, gedateerd 27 mei 2020 en aangeduid als notulen van een bestuursvergadering van SIO, is onder meer vermeld dat op 27 mei 2020 een bestuursvergadering heeft plaatsgevonden waarin is besloten om [naam 1] te ontslaan als bestuurder van SIO.

2.20.

In een door [gedaagde 2] ondertekend document, gedateerd 2 juni 2020 en aangeduid als besluit van SIO, is onder meer vermeld dat het algemeen bestuur van SIO op 2 juni 2020 in bestuursvergadering bijeen is gekomen, waarin is besloten om [eiser 1] te ontslaan als directeur-bestuurder van SIO.

2.21.

In een door [naam 1] en [eiser 1] ondertekend document, gedateerd 3 juni 2020 en aangeduid als bestuursbesluit van SIO, is onder meer vermeld dat het bestuur van SIO heeft besloten om [gedaagde 2] te ontslaan als voorzitter en bestuurder van SIO.

2.22.

Teneinde hun schorsing respectievelijk ontslag aan te vechten, hebben [eiser 1] en [naam 1] een kort gedingprocedure aanhangig gemaakt bij deze rechtbank. Bij dagvaarding hebben zij opgemerkt dat de interne organisatie van SIO is vormgegeven “in de statuten en een huishoudelijk reglement”. Bij vonnis in kort geding van 10 juni 20201 heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat de genomen bestuursbesluiten op het eerste gezicht rechtsgeldig lijken te zijn genomen en dat zij daarom, in ieder geval totdat in een bodemprocedure anders wordt beslist, moeten terugtreden als bestuurders van SIO. Ook heeft de voorzieningenrechter overwogen dat met het gegeven oordeel het bestuur voorlopig in handen van [gedaagde 2] komt.

2.23.

Daarop heeft [gedaagde 2] , handelend als voorzitter van het algemeen bestuur van SIO, twee nieuwe bestuursleden benoemd, te weten op 20 juni 2020 de heer [naam 2] (hierna: [naam 2] ) als nieuwe directeur-bestuurder en op 7 juli 2020 [gedaagde 4] als nieuwe algemeen bestuurder. Daarna hebben [gedaagde 2] en [gedaagde 4] , handelend als algemeen bestuur van SIO, bij besluit van 16 oktober 2020 [gedaagde 5] benoemd tot directeur-bestuurder in plaats van [naam 2] .

2.24.

In een door [gedaagde 2] en [gedaagde 4] ondertekend document, aangeduid als bestuursbesluit van SIO, is onder meer vermeld dat in de bestuursvergadering van 8 december 2020 [gedaagde 2] en [gedaagde 4] hebben besloten [eiser 1] voorwaardelijk te ontslaan als directeur-bestuurder van SIO, waarbij geldt dat dit besluit slechts zijn gelding zal hebben indien op enig moment in een gerechtelijke procedure wordt geoordeeld dat het reeds genomen besluit tot zijn ontslag niet rechtsgeldig is genomen, nietig is, wordt vernietigd of buiten werking wordt gesteld.

2.25.

Vervolgens hebben [gedaagde 2] en [gedaagde 4] bij besluit van 21 december 2020 [gedaagde 3] benoemd als (derde) algemeen bestuurder.

2.26.

[eiser 1] en [naam 1] zijn, ieder afzonderlijk, van het kort gedingvonnis van 10 juni 2020 in hoger beroep gegaan. In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam bij arresten van 2 maart 20212 het genoemde vonnis bekrachtigd en daartoe – kort gezegd – overwogen dat artikel 12 van de statuten aldus moet worden uitgelegd dat met “alle overige bestuursleden” uitsluitend wordt gedoeld op de leden van het algemeen bestuur en niet op de directeur-bestuurder. Daarom kan slechts het algemeen bestuur overgaan tot ontslag van leden van het algemeen bestuur of de directeur-bestuurder, terwijl de bestuurder wiens functie ter discussie staat geen deel uitmaakt van de besluitvorming. Ten aanzien van het ontslag van [naam 1] is voorshands aangenomen dat het ontslagbesluit in beginsel vernietigbaar is, maar dat aan [naam 1] daarop geen beroep toekomt bij gebreke van een belang, omdat [naam 1] zijn ontslag – gelet op die uitleg en de toenmalige samenstelling van het bestuur – hoe dan ook niet had kunnen voorkomen. Als gevolg daarvan heeft het gerechtshof ten aanzien van het ontslag van [eiser 1] voorshands geoordeeld dat [gedaagde 2] , als enig overgebleven algemeen bestuurder, bevoegd was om [eiser 1] als directeur-bestuurder te ontslaan. Met het in stand laten van dat ontslagbesluit is geoordeeld dat voor [eiser 1] onvoldoende belang resteerde bij de beoordeling of zijn schorsing op 25 mei 2020 onterecht was.

[naam 1] en [eiser 1] zijn tegen de arresten van 2 maart 2021 in cassatie gegaan. Die procedures zijn op dit moment nog aanhangig. In beide zaken heeft de Advocaat-Generaal geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.

2.27.

Op 27 mei 2021 hebben [gedaagde 2] , [gedaagde 4] en [gedaagde 3] , handelend als algemeen bestuur van SIO, besloten dat de datum van aanvang van de feitelijke bestuurswerkzaamheden zal worden gehanteerd als startdatum voor de bepaling van de eerste zittingstermijn(en) van een algemeen bestuurder. Daarnaast hebben zij besloten tot herbenoeming van [gedaagde 2] als bestuurder en voorzitter van SIO tot 1 augustus 2025.

2.28.

Op 10 oktober 2021 hebben [gedaagde 2] , [gedaagde 4] en [gedaagde 3] , handelend als algemeen bestuur van SIO, de heer [naam 3] benoemd tot directeur-bestuurder van SIO in plaats van [gedaagde 5] .

2.29.

Bij vonnis van 27 oktober 20213 heeft deze rechtbank in een door [naam 1] aanhangig gemaakte bodemprocedure de vorderingen van [naam 1] tot – onder meer – vernietiging van zijn ontslagbesluit en verklaring voor recht dat hij nog steeds bestuurder van SIO is, afgewezen. In dat kader is door deze rechtbank onder meer geoordeeld dat het besluit van 23 mei 2020 tot schorsing van [gedaagde 2] als bestuurder en voorzitter van SIO niet rechtsgeldig is genomen en dat het besluit van 27 mei 2020 tot ontslag van [naam 1] is genomen door het daartoe op grond van de statuten bevoegde orgaan (te weten: het algemeen bestuur). [naam 1] is van dit vonnis in hoger beroep gegaan; die procedure is op dit moment nog aanhangig.

2.30.

Bij arrest van 29 maart 20224 inzake het arbeidsrechtelijk ontslag van [eiser 1] heeft het gerechtshof Amsterdam – kort gezegd – geoordeeld dat [eiser 1] is ontslagen zonder dat daaraan een dringende reden ten grondslag lag, zodat zijn arbeidsovereenkomst ten onrechte onverwijld is beëindigd. Gelet op de ernstige verstoring van de arbeidsrelatie heeft het gerechtshof het verzoek om de arbeidsovereenkomst te herstellen afgewezen; in plaats daarvan is aan [eiser 1] een billijke vergoeding toegekend.

3 Het geschil

4 De beoordeling

5 De beslissing