Rechtbank Amsterdam, 28-06-2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:3855, C/13/718168 / FT RK 22.375
Rechtbank Amsterdam, 28-06-2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:3855, C/13/718168 / FT RK 22.375
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Amsterdam
- Datum uitspraak
- 28 juni 2022
- Datum publicatie
- 8 augustus 2022
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2022:3855
- Zaaknummer
- C/13/718168 / FT RK 22.375
Inhoudsindicatie
WHOA; Verzoek homologatie akkoord niet-ontvankelijk verklaard in verband met weigerachtige schuldeiser enige "in the money" klasse ex artikel 383 lid 1 Fw; gecontroleerde afwikkeling buiten faillissement.
Uitspraak
Team insolventie
Verzoek homologatie ex artikel 383 Faillissementswet (Fw)
rekestnummer: C/13/718168 / FT RK 22.375
uitspraakdatum: 28 juni 2022
vonnis op het ingekomen verzoekschrift ex artikel 383 Fw van
de vennootschap onder firma
[verzoekster] V.O.F.,
statutair gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verzoekster,
advocaat mr. M.H. den Otter, kantoorhoudende te Breda,
hierna te noemen: verzoekster.
1 De procedure
Verzoekster heeft op 10 december 2021 een startverklaring ex artikel 370 lid 3 Fw ter griffie gedeponeerd.
Op 1 juni 2022 is ingekomen een verzoekschrift tot homologatie (hierna: het homologatieverzoek) op grond van artikel 383 lid 1 Fw, met bijlagen, van een door verzoekster aangeboden akkoord. Het stemverslag is op 1 juni 2022 gedeponeerd.
Bij beschikking van 3 juni 2022 heeft de rechtbank bepaald dat de behandeling van het verzoekschrift zal plaatsvinden op 14 juni 2022 om 13:00 uur via een zitting via videoverbinding. Daarbij is verzoekster opgedragen de stemgerechtigde schuldeisers onverwijld schriftelijk in kennis te stellen van de beschikking en hen te wijzen op de mogelijkheid om via een bij de griffier van de rechtbank Amsterdam op te vragen link deel te nemen aan de zitting. In deze beschikking is mr. [observator] , advocaat te Amsterdam, tot observator aangewezen.
Op 13 juni 2022 heeft mr. J.R. van Faassen, advocaat te Utrecht, namens schuldeiser [schuldeiser] een verzoek ingediend strekkende tot afwijzing van het homologatieverzoek.
Op 13 juni 2022 heeft de observator mr. [observator] zijn zienswijze ten aanzien van het homologatieverzoek ingediend.
Het homologatieverzoek is op 14 juni 2022 door middel van een videoverbinding behandeld. Daarbij zijn verschenen en gehoord:
- de heer [naam vennoot 1] , vennoot van verzoekster;
- mr. Den Otter voornoemd, namens verzoekster;
- mr. J.A.A. Koks, namens verzoekster;
- mr. [observator] , observator;
- mr. [naam 1] , jurist invordering van de Belastingdienst;
- mr. J.R. van Faassen, advocaat te Amsterdam, namens [schuldeiser] .
Partijen hebben hun zienswijzen – aan de hand van pleitaantekeningen - nader toegelicht en verder vragen van de rechtbank beantwoord en inlichtingen verstrekt.
Na sluiting van de behandeling ter zitting heeft verzoekster meermalen een verzoek gedaan tot heropening van de behandeling op basis van nieuwe feiten. De rechtbank heeft, gezien de feiten die verzoekster hiervoor heeft aangedragen, geen aanleiding gezien de behandeling te heropenen en deze beslissing aan partijen medegedeeld.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.
2 De feiten
Verzoekster is op 1 januari 2005 opgericht. De vennoten van verzoekster zijn [naam vennoot 1] en [naam vennoot 2] B.V. [naam vennoot 1] (hierna: [naam vennoot 1] ) is bestuurder en enig aandeelhouder van [naam vennoot 2] B.V.
Verzoekster is een kweker van hortensiabloemen. Het kweekproces bestaat uit het laten opkomen van hortensiabloemen uit de hortensiaplanten. De planten vormen dus de basis van het kweekproces. Op 1 oktober 2021 bevonden zich 90.000 hortensiaplanten (hierna: de plantjes) in de kassen van verzoekster.
[naam vennoot 1] heeft vanwege gezondheidsredenen besloten om op 1 oktober 2021 te stoppen met ondernemen. [naam vennoot 1] heeft zich vanaf die datum gezet aan de verkoop van de plantjes. Er werden geen bloemen meer gekweekt. De basis (de plantjes) werd verkocht. Om deze reden heeft [naam vennoot 1] 1 oktober 2021 als peildatum gekozen.
3 Het verzoek
Verzoekster verzoekt homologatie van het aangeboden akkoord. In het verzoekschrift en ter zitting heeft zij onder meer het volgende naar voren gebracht.
Het onderhavige akkoord betreft een liquidatieakkoord omdat [naam vennoot 1] moet stoppen met het bedrijf wegens gezondheidsredenen. Zonder deze gezondheidsproblemen zou een doorstart eventueel mogelijk zijn geweest, alhoewel door de hoge gasprijs in de loop van 2021 het kweken van bloemen niet of nauwelijks meer rendabel is. De gezondheidsproblemen maken dat [naam vennoot 1] niet in staat is inkomen uit arbeid of onderneming te vergaren. Op grond van het voorgaande is aannemelijk dat verzoekster in de toestand verkeert dat zij niet zal kunnen voortgaan met het betalen van haar schulden. De opheffingsuitverkoop van de plantjes was op het moment van het deponeren van de startverklaring al in volle gang.
Verzoekster heeft mr. J.A.A. Koks (hierna: Koks) verzocht toezicht te houden op en te assisteren bij de totstandkoming van een WHOA-liquidatieakkoord ex artikel 370 lid 1 Fw en daarbij oog te hebben voor de belangen van de gezamenlijke schuldeisers.
Koks heeft in dat kader onderzocht wat de bezittingen zijn van verzoekster en haar vennoten. Dit onderzoek heeft uitgewezen dat zowel verzoekster als haar vennoten niets waardevols bezitten. Het enige bezit van waarde van verzoekster is de vordering op bloemenveiling Royal Flora Holland (hierna: RFH) te Aalsmeer. Van alle kwekers bij RFH wordt jaarlijks afhankelijk van de omzet een klein bedrag “gespaard”. Bij bedrijfsbeëindiging wordt dit bedrag na circa 3,5 jaar uitgekeerd. Dit bedrag staat bij RFH geadministreerd als Certificaten A en B. De vordering/de waarde van de certificaten van verzoekster bedraagt momenteel € 56.035,04.
[schuldeiser] had op 1 januari 2021 een vordering van € 299.962,= op verzoekster. In overleg met de bank is besloten de financiering in de loop van 2021 af te bouwen om medio 2022 op nihil uit te komen. Daarvoor is een zogenaamde beredderingsfinanciering verstrekt. In 2018 waren reeds alle voorraden, vorderingen (waaronder het “spaargeld” bij RFH) en plantjes verpand aan [schuldeiser] . Op 1 oktober 2021 was verzoekster in verzuim omdat de debetstand op de rekening niet genoeg was teruggebracht. Verzoekster heeft toen samen met [schuldeiser] , mede vanwege de gezondheidstoestand van [naam vennoot 1] , besloten te stoppen met ondernemen en de 90.000 plantjes die toen aanwezig waren te verkopen in het kader van de executie door [schuldeiser] van haar pandrecht op diezelfde plantjes. Door Corona viel echter de vraag naar de plantjes compleet weg en kelderde de prijs. Bij executoriale verkoop geldt: baten minus kosten. De executoriale verkoop duurde vier maanden en gedurende deze periode stond [schuldeiser] verzoekster alleen toe dat werd betaald voor de arbeid en niet voor de overige kosten. De gezamenlijke schuldeisers stellen zich op het standpunt dat de verkoop van de plantjes vanaf 1 oktober 2021 tot en met 31 januari 2022 kwalificeert als parate executie. De plantjes werden verkocht door verzoekster als pandgever namens [schuldeiser] als pandhouder. De executoriale verkoop heeft [schuldeiser] € 33.825,31 opgeleverd.
De verkoopopbrengst kwam (ten dele) ten gunste van [schuldeiser] en zodoende verlaagde [schuldeiser] ten laste van andere schuldeisers haar vordering op verzoekster. [schuldeiser] is hiermee in feite bevoordeeld boven de andere schuldeisers. De vordering van de gezamenlijke schuldeisers op [schuldeiser] over deze periode bedraagt € 94.987,48 – het totaal van de onbetaald gebleven executiekosten (productie 1, onderdeel 1.2.2. bij het verzoekschrift).
Verzoekster heeft geen andere activa dan het spaargeld bij RFH. Het akkoord komt erop neer dat het spaargeld wordt verdeeld onder de schuldeisers als ware er sprake van een faillissement. [schuldeiser] met een vordering van voor de peildatum ontvangt evenwel niets. Dit is volgens verzoekster onder de geschetste omstandigheden niet onredelijk. Immers, de vordering van [schuldeiser] is in de periode 1 januari 2021 – 30 september 2021 al met € 70.248,12 afgenomen en in de periode van 1 oktober 2021 – 31 januari 2022 nog eens met € 33.825,31, terwijl in dezelfde periode de vordering van de overige schuldeisers met meer dan € 100.000,= is toegenomen.
Om het akkoord te kunnen aanbieden diende verzoekster over het spaargeld bij RFH te kunnen beschikken, maar daar rustte het pandrecht van [schuldeiser] op. Dat pandrecht staat er evenwel niet aan in de weg dat verzoekster van de vordering afstand doet, zoals ook is gebeurd. Bij e-mail van 8 april 2022 heeft verzoekster haar spaargeldvordering op RFH kwijtgescholden en verzocht het spaartegoed te storten op de derdengeldrekening van Koks herstructurering (productie 16). Hiermee is het pandrecht van [schuldeiser] op deze vordering vervallen. Gezien de financiële en persoonlijke situatie van verzoekster heeft RFH zich bereid verklaard om het vrijgevallen spaargeld direct na homologatie en niet pas na 3,5 jaar ter beschikking van de gezamenlijke schuldeisers te stellen (productie 17). Hiermee is de nakoming van het akkoord voldoende gewaarborgd. Met deze constructie heeft verzoekster rechtvaardiging gezocht voor de eerder onder 3.5. beschreven bevoordeling van [schuldeiser] ten opzichte van de overige schuldeisers.
Het doen van afstand van de spaargeldvordering op RFH kan beschouwd worden als een paulianeuze handeling in de zin van artikel 3:45 BW. [schuldeiser] is door deze handeling evenwel niet benadeeld. Zonder deze handeling had verzoekster immers niet over het spaargeld kunnen beschikken en had zij het akkoord niet kunnen aanbieden. Zonder akkoord is het faillissement van verzoekster een gegeven. In dat geval hebben de schuldeisers waarvan de vordering na de peildatum is toegenomen als gevolg van de executoriale verkoop van de plantjes, een vordering op [schuldeiser] uit hoofde van onrechtmatige daad omdat [schuldeiser] jegens hen onrechtmatig heeft gehandeld door hun vordering niet te voldoen terzake de levering van diensten die noodzakelijk waren om een executieopbrengst te realiseren. Deze vordering bedraagt totaal € 94.987,48.
Deze door [schuldeiser] benadeelde schuldeisers hebben in het kader van het akkoord aangegeven dat zij bij homologatie van het akkoord afstand doen van hun vordering op [schuldeiser] uit hoofde van onrechtmatige daad. Daardoor is [schuldeiser] met het akkoord beter af dan zonder akkoord en is zij dus niet slechter af dan bij vereffening in faillissement (artikel 384 lid 3 Fw). Het vervallen van de vordering op RFH ‘kost’ [schuldeiser] € 56.035,04 maar levert haar € 94.987,48 op. Van een benadeling als bedoeld in artikel 3:45 BW is dus geen sprake.
De huurovereenkomst van de kassen liep af op 31 december 2021 en met verhuurder [naam verhuurder] (hierna: [naam verhuurder] ), tevens buurman van verzoekster, was afgesproken dat de kassen uiterlijk 31 januari 2022 schoon en leeg worden opgeleverd. De huurachterstand bedroeg op 31 december 2021 € 82.650,46. In 2018 was door verzoekster een waarborgsom betaald van € 37.026,=.
Als gevolg van wateroverlast veroorzaakt door buurman [naam verhuurder] is in 2020 de oogst van verzoekster voor een groot deel mislukt. Verzoekster heeft [naam verhuurder] hier in januari 2022 op aangesproken en gesteld dat zij hierdoor meer dan € 100.000,= schade heeft geleden. Na discussie tussen partijen is op 28 januari 2022 een vaststellingsovereenkomst gesloten met daarin de volgende regeling:
- -
-
Per 1 februari 2022 is/wordt Noordman eigenaar van alle zaken in en om de kassen, waaronder de planten en inventaris;
- -
-
de huurschuld en het vervallen van de verplichting tot het schoon en leeg opleveren van de kassen wordt verrekend met de schade uit 2020;
- -
-
[naam verhuurder] behoudt de waarborgsom;
- -
-
de 20.000 plantjes die zich eind januari 2022 nog in de kassen bevonden komen toe aan [naam verhuurder] . Daarbij is afgesproken dat verzoekster bij verkoop van de plantjes en na aftrek van de kosten de helft van de winst toekomt;
- -
-
de bedrijfsinventaris (getaxeerd op € 11.400,=) wordt per 1 februari 2022 om niet aan [naam verhuurder] overgedragen.
Door deze overeenkomst was er geen huurschuld meer, waren de kassen opgeleverd en had verzoekster kosteloos zicht op inkomsten van de resterende partij plantjes.
Op 1 april is door verzoekster aan al haar schuldeisers een ontwerpakkoord voorgelegd als bedoeld in artikel 370 lid 1 Fw. Na enkele aanpassingen is het definitieve akkoord op 25 en 26 april 2022 aan alle schuldeisers ter stemming voorgelegd. In het akkoord zijn door verzoekster vier klassen onderscheiden. De klassen zijn als volgt onderverdeeld:
Klasse I: Vermogensverschaffers
Klasse II: Fiscus
Klasse III: Concurrente schuldeisers voor peildatum
Klasse IV: Concurrente schuldeisers na peildatum.
Het akkoord houdt samengevat het volgende in:
|
Klasse |
Omschriiving |
Akkoord |
||
|
Vordering voor peildatum |
Vordering na peildatum |
|||
|
I |
Vermogensverschaffers |
0% |
0% |
|
|
II |
Fiscus |
20% |
80% |
|
|
III |
Concurrente schuldeisers voor peildatum |
MKB Schuldeisers |
20% |
- |
|
Overige schuldeisers |
0% |
- |
||
|
IV |
Concurrente schuldeisers na peildatum |
MKB Schuldeisers |
- |
40% |
|
Overige schuldeisers |
- |
40% |
Uit het stemverslag blijkt dat alle schuldeisers in de klassen II, III en IV met het akkoord hebben ingestemd. Alleen de klasse van vermogensverschaffers (klasse I) heeft tegengestemd, waarbij [naam 2] met het akkoord heeft ingestemd en [schuldeiser] heeft tegengestemd. [schuldeiser] is van mening dat zij bij het faillissement van verzoekster beter af is omdat zij dan ‘gewoon aanspraak kan maken op het spaargeld bij RFH’.
Verzoekster is van mening dat de klassenindeling voldoet aan de eisen van artikel 374 Fw.