Home

Rechtbank Amsterdam, 07-09-2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:6056, AWB - 21 _ 3080

Rechtbank Amsterdam, 07-09-2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:6056, AWB - 21 _ 3080

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
7 september 2022
Datum publicatie
21 december 2022
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2022:6056
Zaaknummer
AWB - 21 _ 3080

Inhoudsindicatie

Partijen hebben overeenstemming bereikt over de WOZ-waarde. De heffingsambtenaar dient ook proceskosten te vergoeden voor het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn

Uitspraak

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 21/3080

(gemachtigde: G. Veldhuisen),

en

Procesverloop

De heffingsambtenaar heeft in de beschikking van 29 februari 2020 de WOZ-waarde van de onroerende zaak [adres] te Amsterdam (hierna: de woning) voor het kalenderjaar 2020 vastgesteld op € 558.000,-. In hetzelfde document heeft de heffingsambtenaar ook de aanslag onroerende zaakbelasting 2020 bekendgemaakt.

Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. In de uitspraak op bezwaar van 23 april 2021 (de bestreden uitspraak) heeft de heffingsambtenaar de WOZ-waarde verlaagd naar € 200.000,- en de aanslag in verband met de verlaging verminderd.

Eiser heeft tegen de bestreden uitspraak beroep ingesteld.

De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is behandeld op de zitting van 15 juni 2022. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De heffingsambtenaar is verschenen in de persoon van mr. N.M. Kell, bijgestaan door taxateur [de persoon] .

Overwegingen

1. De heffingsambtenaar en eiser hebben in beroep overeenstemming bereikt over de WOZ‐waarde van de woning voor het kalenderjaar 2020. Deze heeft de heffingsambtenaar in zijn mailbericht van 2 juni 2022 nader vastgesteld op € 185.000,-. De heffingsambtenaar heeft toegezegd de aanslag onroerende zaakbelasting dienovereenkomstig te zullen aanpassen. Hiermee is het procesbelang in deze procedure komen te vervallen. Het beroep zal niet-ontvankelijk worden verklaard.

2. Eiser heeft bij mailbericht van 3 juni 2022 verzocht de heffingsambtenaar te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van € 500,- wegens overschrijding van de redelijke termijn. Blijkens zijn mail aan eiser van 9 juni 2022 en de toelichting ter zitting, verzet de heffingsambtenaar zich hier niet tegen. De rechtbank ziet grond om dit verzoek toe te kennen.

3. Eiser heeft in hetzelfde mailbericht ook verzocht om toekenning van een proceskostenvergoeding en om vergoeding van het griffierecht. Het verzoek om een proceskostenvergoeding ziet op het indienen van een beroepschrift en het indienen van een verzoek om een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn (hierna: het verzoekschrift).

4. Ten aanzien van de proceskosten heeft de heffingsambtenaar in zijn mail van

9 juni 2022 hierover een standpunt ingenomen. De heffingsambtenaar heeft zich niet verzet tegen het toekennen van een proceskostenvergoeding voor het indienen van een beroepschrift

(1 punt). Dat ligt anders ten aanzien van het verzoekschrift. Volgens de heffingsambtenaar biedt het Besluit proceskosten bestuursrecht daarvoor geen ruimte.

5. De rechtbank ziet aanleiding de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten van eiser ter zake van het indienen van een beroepschrift. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 759,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, waarde per punt van € 759,- met een wegingsfactor 1).

6. De rechtbank volgt de heffingsambtenaar niet in het standpunt dat het Besluit proceskosten bestuursrecht geen grondslag biedt voor een veroordeling in de proceskosten ter zake van het verzoekschrift. In de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (onder A1 en onder 21) wordt het verzoekschrift als bedoeld in artikel 8:90, eerste lid en artikel 8:91 van de Algemene wet bestuursrecht genoemd. De rechtbank ziet niet in waarom het verzoekschrift van eiser niet kwalificeert als een verzoekschrift als daar bedoeld. De rechtbank zal daarom de heffingsambtenaar ook veroordelen tot het betalen van een proceskostenvergoeding ter zake van het verzoekschrift en stelt het bedrag vast op € 379,50 (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, waarde per punt van € 759,- met wegingsfactor 0,5).

7. Uit de Awb vloeit, tot slot, voort dat de heffingsambtenaar onder de gegeven omstandigheden het verschuldigde griffierecht aan eiser vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep niet ontvankelijk;

veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van een schadevergoeding ter hoogte van € 500,- wegens overschrijding van de redelijke termijn;

-

veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.138,50,-;

-

bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht ter hoogte van € 49,- aan eiser vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.F. de Lemos Benvindo, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Vijn, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 september 2022.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?