Home

Rechtbank Amsterdam, 10-02-2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:645, C/13/712505 / KG ZA 22-27

Rechtbank Amsterdam, 10-02-2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:645, C/13/712505 / KG ZA 22-27

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10 februari 2022
Datum publicatie
18 maart 2022
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2022:645
Zaaknummer
C/13/712505 / KG ZA 22-27

Inhoudsindicatie

Aandeelhoudersgeschil. Vordering overdracht aandelen (uitstoting) toegewezen in kort geding.

Uitspraak

vonnis

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/712505 / KG ZA 22-27 MDvH/MB

Vonnis in kort geding van 10 februari 2022

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,

eiseres in conventie bij dagvaarding van 18 januari 2022,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. D.A.J. Sturhoofd te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. M. van Schoonhoven te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Ter zitting van 27 januari 2022 heeft [eiseres] de vorderingen zoals omschreven in de dagvaarding toegelicht. [gedaagde] heeft, aan de hand van een op voorhand toegezonden conclusie van antwoord, verweer gevoerd en een tegenvordering (eis in reconventie) ingediend. [eiseres] heeft die tegenvordering bestreden. Beide partijen hebben schriftelijke stukken ingediend en [eiseres] heeft haar standpunt doen toelichten aan de hand van een pleitnota.

1.2.

[gedaagde] heeft op voorhand een verzoek tot aanhouding van de mondelinge behandeling ingediend, in verband met een op 24 januari 2022 door haar ingediend verzoekschrift bij de Ondernemingskamer () van het Gerechtshof Amsterdam. In dat verzoek vraagt [gedaagde] om een onderzoek in te stellen naar wanbeleid binnen de onderneming van partijen. Dit verzoek om aanhouding is niet gehonoreerd, omdat daarvoor op voorhand geen aanleiding bestond. Aan partijen is meegedeeld dat het verzoek bij de beoordeling van de vorderingen in dit kort geding zal worden meegenomen.

1.3.

Ter zitting waren aanwezig:

aan de kant van [eiseres] : [naam 1] met mr. Sturhoofd;

aan de kant van [gedaagde] : [naam 2] en mr. Schoonhoven.

Verder waren aanwezig:

Mr. J. Meedema, jurist werkzaam bij mr. Schoonhoven, [naam 3] , voorzitter van de Raad van Toezicht (RvT) van [naam bv 2] B.V., de onderneming van partijen, met mr. A.M. Breedveld, advocaat te Den Bosch.

De bezwaren van [gedaagde] tegen de aanwezigheid van [naam 3] en diens advocaat (mr. Breedveld), althans tegen het horen van deze personen, zijn afgewezen, aangezien de zitting openbaar is en het aan de voorzieningenrechter is om te bepalen of bij de zaak betrokken aanwezigen eventueel als informant worden gehoord. Dat heeft de voorzieningenrechter vervolgens ten aanzien van [naam 3] ook gedaan.

1.4.

Vonnis is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

[naam bv 1] B.V. (hierna [naam bv 1] ) is een houdstermaatschappij die 100% van de aandelen houdt in [naam bv 2] B.V. (hierna ook [naam bv 2] ). De aandelen in [naam bv 1] worden 50/50 gehouden door [eiseres] en [gedaagde] . [naam 1] houdt alle aandelen in [eiseres] , [naam 2] alle aandelen in [gedaagde] .

2.2.

[naam 2] en [naam 1] zijn collega’s geweest op de kinderafdeling van het toenmalige Lucas Ziekenhuis te Amsterdam. In 2003 hebben zij samen met een collega een vennootschap onder firma (vof) opgericht en zijn zij een kinderopvang voor jonge kinderen (0 tot 4 jaar) met een chronische ziekte begonnen. In 2007 is de vof omgezet in [naam bv 2] , en is een Raad van Toezicht (RvT) aangesteld. Deze bestond uit [naam 3] , [naam 4] en [naam 5] . De laatste is inmiddels teruggetreden, omdat zijn termijn erop zat. Naar een vervanger wordt nog gezocht. De collega van [naam 1] en [naam 2] is in 2016 teruggetreden als statutair bestuurder en aandeelhouder van [naam bv 2] Beheer. Sindsdien zijn [eiseres] en [gedaagde] de enige aandeelhouders/statutair bestuurders van [naam bv 2] Beheer en [naam bv 2] .

2.3.

[naam bv 2] heeft thans drie vestigingen, twee in Amsterdam en één in Hoorn, waar ongeveer 80 kinderen worden opgevangen. Elke vestiging heeft een locatiemanager.

Binnen de directie hield [eiseres] ( [naam 1] ) zich met name bezig met interne en externe communicatie (het onderhouden van contacten met gemeenten en zorgverzekeraars), en [gedaagde] ( [naam 2] ) met het aansturen van de locaties en personeelszaken.

2.4.

[naam bv 1] , de maatschap [naam maatschap] waarvan [eiseres] en [gedaagde] de vennoten zijn, partijen en [naam 2] en [naam 1] , zijn op 29 mei 2019 een samenwerkingsovereenkomst aangegaan. In de samenwerkingsovereenkomst, waarin [naam bv 1] wordt aangeduid met “ [naam bv 2] ” en [eiseres] en [gedaagde] met: “de Vennoten” is onder meer het volgende afgesproken:

Artikel 3. Aanvang, duur en beëindiging samenwerking

3.1

De overeenkomst van opdracht tussen [naam bv 2] en de Maatschap wordt aangegaan voor onbepaalde tijd. De overeenkomst van opdracht kan slechts door deze partijen opgezegd worden met inachtneming van een opzegtermijn van 3 maanden.

(...)

Artikel 6. Einde samenwerking

6.1

De Vennoten zijn zowel via de Maatschap als in hoedanigheid van Aandeelhouder van [naam bv 2] aan elkaar verbonden. Een beëindiging van de samenwerking en deze overeenkomst, om welke reden dan ook, zal derhalve op meerdere onderdelen geregeld moeten worden.

6.2

In het geval één der Vennoten de wezenlijke verplichtingen uit hoofde van deze overeenkomst, de statuten van [naam bv 2] en die van de Dochtervennootschappen en/of de Code niet nakomt, danwel anderszins tijdens het uitvoeren van de opdracht gedragingen vertoont die aangemerkt kunnen worden als dringende redenen als bedoeld in artikel 7:677 en/of 7:678 BW, dan dient de andere Vennoot de overtredende Vennoot hiervan direct schriftelijk en gemotiveerd in kennis te stellen.

6.3

Indien partijen binnen één week na de sommatie als bedoeld in 6.2 niet tot een oplossing komen en/of de overtredende Vennoot de overtreding ongedaan maakt waardoor de samenwerking kan voortduren, zijn partijen verplicht gezamenlijk met de Raad van Commissarissen in overleg te treden om tot een oplossing te komen van de ontstane situatie. Alvorens Partijen zich tot de rechter wenden, zijn ze verplicht eerst een mediation traject te doorlopen.

Artikel 7. Verplichte aanbieding aandelen

7.1

Een Vennoot is (...) verplicht alle door haar gehouden aandelen aan de andere Vennoot aan te bieden, zonder gerechtigd te zijn dit aanbod in te trekken, in geval zich ten aanzien van haar een van de volgende omstandigheden voordoet:

Wanneer (ten aanzien van) een Vennoot:

a. in staat van faillissement wordt verklaard;

b. wordt onderworpen aan de schuldsaneringsregeling danwel surseance van betaling wordt gevraagd;

(...)

Good leaver Bad Leaver

7.2

In geval van een verplichte aanbieding als bedoeld in artikel 7.1 wordt betreffende Vennoot aangemerkt als een "Good Leaver'', ingevolge waarvan de Vennoot de aandelen (verplicht) aanbiedt met inachtneming van het hierna bepaalde en hetgeen bepaald in de statuten van [naam bv 2] tegen de commerciële waarde.

7.3

In geval van verplichte aanbieding op grond van het bepaalde in artikel 7.1 dienen de door de betreffende Vennoot gehouden aandelen binnen 1 (één) maand na intreding van de omstandigheid te worden aangeboden. Indien niet tijdig aan de verplichting tot aanbieding wordt voldaan, is [naam bv 2] onherroepelijk gemachtigd de aan te bieden aandelen aan te bieden en voor zover deze aandelen worden gekocht, deze aan de koper(s) te leveren.

7.4

De koopprijs van de op enig moment door een aanbiedende Vennoot aan de andere Vennoot aangeboden aandelen in het kapitaal van [naam bv 2] , zal - ongeacht of sprake is van vrijwillige dan wel verplichte aanbieding -, behoudens in de situatie genoemd in artikel 7.6 worden vastgesteld conform het daaromtrent bepaalde in artikel 11 afdeling A van de Statuten Vennootschap, met dien verstande dat Partijen reeds nu en voor alsdan overeenkomen dat voor de waardering van de aandelen door waarbij gebruik zal worden gemaakt van de discounted cash flow methode (DCF-methode).

”.

2.5.

In maart 2020 is [naam 2] wegens ziekte (burn out/overgangsklachten) uitgevallen.

2.6.

Op 23 juni 2020 heeft een vergadering plaatsgevonden tussen de directie ( [naam 1] ) en de RvT, waarbij ook de accountant ( [naam 6] ) aanwezig was. In het daarvan gemaakte verslag staat het volgende:

Over [naam 2] maakt [naam 1] zich zorgen. Uit de strategie sessies komt veel tevoorschijn. De rust zit nu weer in de organisatie maar hoe gaat [naam 2] haar rol worden in de organisatie als ze terug komt. Moet RvT een rol pakken? Voor [naam 1] heel lastig omdat [naam 2] nu thuis zit aangezien ze het niet aankan bij [naam bv 2] . (...) [naam 3] , vzr.) geeft aan om [naam 2] de tijd te geven en wil weten wie de coach is van het re-integratie traject omdat ze zeker 9-12 maanden buiten spel zal staan. Vervolgens zal na die 9-12 maanden een rol van de RvT zijn om in te grijpen. [naam 1] hoopt zelf dat [naam 2] inziet dat terugkeer bij [naam bv 2] moeilijk is. Wat is goed voor de zaak?

(...)

Twee weken geleden was een sessie met de locatiemanagers (LM) waarbij [naam 6] de gespreksleider was. In deze vergadering is de vraag gesteld hoe iedereen nu staat in de organisatie. De LM zijn blij hoe alles nu gaat. (...) De vraag aan de LM is gesteld hoe zij de rol zien van [naam 2] . Het antwoord was dat zij niet verwachten dat [naam 2] terug kan komen in deze huidige flow waarin [naam bv 2] zich bevindt. Doel o.a. van de sessies bij de LM was functie profielen voor directie te maken en toen kwam de pijnlijke reactie: wat voor werk doet [naam 2] eigenlijk?”

2.7.

Op 2 september 2020 hebben partijen als aandeelhouders in [naam bv 1] (buiten vergadering) het volgende schriftelijke aandeelhoudersbesluit genomen:

Constaterend dat

(...)

• Mevrouw [naam 2] wegens ziekte haar werkzaamheden namens [gedaagde] B.V. voor de Vennootschap vanaf maart 2020 tijdelijk heeft moeten staken.

• Gedurende deze ontstentenis conform de statuten bestuursbesluiten worden genomen door [eiseres] B.V.

• De aandeelhouders ter bescherming van [gedaagde] B.V. resp mevrouw [naam 2] naar buiten toe haar bestuurdersaansprakelijkheid (tijdelijk) willen beperken.

Het volgende besluit wordt met algemene stemmen aangenomen:

[gedaagde] B.V. treedt per heden tijdelijk terug als statutair bestuurder van de Vennootschap tot het moment dat mevrouw [naam 2] namens [gedaagde] B.V. weer in staat is haar bestuurlijke werkzaamheden voor de Vennootschap te hervatten.

Het besluit is door beide partijen ondertekend. Per 2 september 2020 is [gedaagde] tevens uitgeschreven als bestuurder bij de Kamer van Koophandel.

2.8.

In een e-mail van 13 september 2020 heeft [naam 2] aan de RvT onder meer geschreven:

Voor mezelf ben ik aan het uitvinden wat de energievreters zijn en de energie gevers binnen mijn takenpakket, ik wil niet meer terugvallen in mijn oude taken waar ik overspannen door ben geworden.”

[naam 3] heeft daarop in een e-mail van dezelfde dag als volgt gereageerd:

Ik waardeer het dat je het inzicht hebt dat je niet meer wenst terug te vallen in jouw oude taken waardoor je overspannen bent geworden. Dat rechtvaardigt de vraag wat je wel zou kunnen doen en welke prestaties en verantwoordelijkheden daaraan verbonden zijn binnen [naam bv 2] . Alleen jij kunt daarop het antwoord geven. Ik raad je daarom aan te gaan praten met iemand die jouw skills kan beoordelen of die samen met jou kan uitzoeken van welke werkzaamheden je wel gelukkig wordt. Pas als dat allemaal duidelijk is kan zinnig met elkaar gesproken worden hoe jouw nieuwe loopbaan eruit zou kunnen zien.”

2.9.

In een e-mail van [naam 3] van 8 oktober 2020 aan [naam 1] , de andere leden van de RvT en [naam 2] , naar aanleiding van een gesprek van [naam 3] met [naam 2] en haar partner, de dag ervoor, staat onder meer:

(...) Ik heb duidelijk gemaakt dat alle administratieve werkzaamheden, ook binnen personeelszaken, haar niet gelukkig maken. Ik heb dat duidelijk gemaakt op verschillende manieren gepaard aan meerdere voorbeelden. Vervolgens kwam het besef dat daarmee de weg naar de oude functie niet de beste optie was om langdurig gelukkig te kunnen werken. Wat dan wel? [naam 2] is de enige die daarop een antwoord kan geven. Ze gaat steun zoeken bij iemand die ze vertrouwt om haar vaardigheden en skills in kaart te brengen zodat ze beter weet wat ze wil gaan doen. [naam 2] en ik zijn het eens dat het beter is voorlopig, totdat duidelijk is wat zij wil, niet te gaan koffiedrinken bij het personeel en de gesprekken met [naam 1] op de lange baan te schuiven. Op [naam 2] ’s vraag of zij kon terugkomen bij [naam bv 2] in een niet-directie functie heb ik positief geantwoord.”

[naam 2] heeft eind oktober 2020 W. van Oostvoorn ingeschakeld als coach.

2.10.

Op 12 januari 2021 heeft weer een gesprek plaatsgevonden tussen de RvT ( [naam 3] ), [naam 1] en [naam 2] die had gemeld dat zij per 1 maart 2021 weer voor 25% arbeidsgeschikt was. In het gespreksverslag van deze bijeenkomst, opgesteld door Van Oostvoorn, die daarbij ook aanwezig was, staat het volgende:

[naam 2] ziet dit gesprek als een begin van het proces om weer aan het werk te gaan. (...) Tevens geeft [naam 2] aan dat het haar duidelijk is dat zij niet in dezelfde functie terug moet komen, omdat die werkzaamheden deels hebben bijgedragen aan haar ziek zijn. (...) [naam 3] wil weten hoe [naam 2] een terugkeer in [naam bv 2] voor zich ziet. Voor 25% terugkeren als directeur kan niet. (...) [naam 3] stelt voor dat [naam 2] een stuk schrijft waarin zijn duidelijk maakt wat haar toegevoegde waarden, kwaliteiten etc, zijn en hoe ze die zou willen inzetten bij [naam bv 2] . [naam 1] schrijft een stuk waarin zijn de mogelijkheden en onmogelijkheden om terug te keren beschrijft en onderbouwd. Er wordt afgesproken dat ze elkaar dat stuk zullen mailen, uiterlijk (...) 27 januari om 12.00. Op dinsdag 2 februari treffen [naam 1] en [naam 2] elkaar dan weer om verder in gesprek te gaan. Als dat nodig is zijn Willem [Van Oostvoorn, vzr.] en [naam 3] daar weer bij.”

2.11.

De arbeidsongeschiktheidsverzekeraar van [naam 2] heeft bij besluit van 19 januari 2021 haar arbeidsongeschiktheidspercentage per 1 maart 2021 bepaald op 65-80%, per 1 april 2021 op 45-55%, per 1 mei 2021 op 25-35% en per 1 juni 2021 op 0 < 25% (volledig arbeidsgeschikt).

2.12.

In een e-mail van 26 januari 2021 heeft [naam 2] aan [naam 1] laten weten dat zij met een “andere functie” bedoelt een “ander takenpakket binnen mijn directeursfunctie”, maar dat zij niet bereid is de directie te verlaten.

2.13.

In een e-mail van 27 januari 2021 heeft de advocaat van [gedaagde] aan [naam 1] meegedeeld dat [naam 2] haar werkzaamheden per 1 maart 2021 voor 25% zal dienen te hervatten, en verder:

Om een constructief gesprek te kunnen voeren over de invulling van die werkzaamheden is het zonneklaar, aangezien u twijfels heeft geuit of mevr. [naam 2] kan ‘terugkomen’ in haar bestuursfunctie (...), dat van uw zijde eerst ondubbelzinnig wordt bevestigd namens [eiseres] B.V. alle noodzakelijke medewerking zal worden verleend om haar (gedeeltelijke) functioneren als uw medebestuurder vanaf 1 maart a.s. mogelijk te maken (...)”.

2.14.

Op 28 januari 2021 heeft [naam 3] een e-mail aan zijn mede RvT leden gestuurd, met kopie naar [naam 1] en [naam 2] , met daarin het volgende:

Afgesproken is dat er tweede gesprek zou plaatsvinden op 2 februari 2021, al dan niet in het bijzijn van Willem [coach Van Oostvoorn, vzr] en mij. Ter voorbereiding hierop zou [naam 2] een opstelling maken van wat zij graag en goed doet en wat zij tot haar kerncompetenties rekent. [naam 1] zou aangeven wat voor soort taken bij [naam 2] zouden kunnen passen. Dit proces is doorbroken door [naam 2] omdat zij eist terug te komen in haar oude functie per 1 maart en wel voor 25% van de tijd. Zij heeft tevens Mirjam van Schoonhoven als haar advocaat aangesteld om haar eisen kracht bij te zetten. [naam 1] zoekt nu ook rechtsbijstand. (...) hoop ik niet dat dit een langdurige juridische strijd wordt, maar dat er snel een goede mediator aangesteld wordt (...).

2.15.

In een e-mail van 4 februari 2021 heeft [naam 2] aan [naam 1] meegedeeld per 1 maart 2021 voor 25% te willen terugkeren als statutair bestuurder van [naam bv 2] Beheer en dat zij daartoe de locaties wil bezoeken en met [naam 1] wil overleggen over (onder meer) de toekomstige invulling van hun bestuurdersrollen.

2.16.

De advocaat van [eiseres] heeft op 9 februari 2021 aan de advocaat van [gedaagde] naar aanleiding hiervan het volgende geschreven:

In oktober 2018 constateerde de RvT (...) dat er binnen de kinderdagverblijven sprake was van onrust. Allerlei projecten, waarvoor Beheer [ [gedaagde] – vzr] verantwoordelijk was, kwamen niet van de grond. (...) In de daartoe gevoerde gesprekken gaf [naam 2] ook aan dat zij deze niet onder controle kreeg. Destijds is voorgesteld een assessment van [naam 2] . Daarvan is het niet gekomen.”

Verder wordt in deze – uitgebreide – brief verwezen naar de besprekingen tussen partijen/de RvT en wordt melding gemaakt van appjes die [naam 2] naar diverse medewerkers heeft gestuurd met de mededeling dat zij per 1 maart 2021 weer aan het werk zal gaan. Aan [naam 2] wordt verzocht dat niet meer te doen, omdat dit onrust veroorzaakt. Daarnaast wordt aan haar meegedeeld dat [eiseres] gegronde bezwaren heeft tegen de terugkeer van [gedaagde] ( [naam 2] ) in een bestuursfunctie, en wordt overleg voorgesteld om tot een regeling te komen.

2.17.

In een e-mail van 24 februari 2021 heeft de advocaat van [gedaagde] , mede ter voorbereiding van een gesprek, aan de advocaat van [eiseres] meegedeeld dat [gedaagde] zich sinds het vertrek van de derde statutair bestuurder bezig houdt met de volgende taken:

1. Human Resource Management

2. Beleid/Kwaliteit

3. ICT

4. Aansturing van de locatiemanagers op de drie locaties

5. Coördinatie van de trainingen en scholingen

6. Externe contacten door middel van deelname aan stuurgroepen,

en de daartoe behorende deeltaken.

In deze mail staat ook:

Naar beleving van cliënte zijn deze taken altijd naar behoren vervuld en heeft zij tot voor kort van uw cliënte ook geen indicaties ontvangen dat dit in haar ogen niet het geval zou zijn.”

2.18.

In een e-mail van 2 april 2021 heeft de RvT aan partijen meegedeeld dat zij meent dat het onderzoeken van de mogelijkheden van een ontvlechting, waarvoor [naam 2] volgens haar advocaat open staat, de beste oplossing zou zijn voor de gerezen problemen. In deze e-mail staat ook dat de locatiemanagers bij de RvT mondeling hebben aangegeven dat de terugkeer van [naam 2] niet hun voorkeur verdient en terugkeer van [naam 2] in het oude takenpakket volgens de RvT geen optimale optie is.

2.19.

In een e-mail van 7 april 2021 heeft [gedaagde] het vertrouwen in de RvT opgezegd, aangezien deze partijdig en vooringenomen zou zijn.

2.20.

In een e-mail van 13 april 2021 heeft de advocaat van [gedaagde] aan de advocaat van [eiseres] meegedeeld dat haar takenpakket bestaat uit de onder 2.17 vermelde werkzaamheden en heeft zij [eiseres] gesommeerd [gedaagde] weer in te schrijven als bestuurder, haar managementvergoeding te betalen en haar in staat te stellen om haar werkzaamheden binnen haar huidige takenpakket (zoals geciteerd in 2.17) te hervatten.

2.21.

Onder de gedingstukken bevinden zich schriftelijke verklaringen van 16 april 2021 van de drie locatiemanagers aan wie [naam 1] heeft verzocht hun mening te geven over de gang van zaken binnen [naam bv 2] . De eerste verklaring luidt als volgt:

Het afgelopen jaar heb ik gemerkt dat wij in de huidige samenstelling goed samenwerken. (...) [naam 2] was heel betrokken op de medewerkers. Beslissingen werden vaak ad hoc genomen op basis van emotie en waren hierdoor voor mij onvoorspelbaar. Er ontstonden situaties waarbij ik in een lastige positie ben gebracht. (...)

Het nemen van beslissingen leken de laatste jaren steeds moeizamer te gaan. Ik merkte dat als [naam 2] een beslissing genomen had, ze daar vaak ook weer op terug kwam. Vooral met beslissingen over secundaire arbeidsvoorwaarden (...) De ontwikkelgesprekken die wij met elkaar hadden in de afgelopen jaren, waren ook niet voorbereid en inhoudelijk oppervlakkig. Ik zag nog weinig toekomst. Ik kwam in een onmogelijke situatie terecht. (...)

Tijdens het laatste gezamenlijke overleg waar [naam 2] aanwezig was, heb ik gezegd dit niet meer op te kunnen brengen. Dit was een naar, vervelend en emotioneel gesprek. Ik had dit graag op een andere manier willen bespreken met [naam 2] . Dit is er niet van gekomen. Ik merkte al geruime tijd dat [naam 2] niet lekker in haar vel zat en dat ze struggles had. Dit gaf mij de indruk dat ze niet ontvankelijk was te bespreken waar ik met haar tegenaan liep. (...) Ik hoop dat de samenstelling zoals die nu is, voortgezet kan worden en dat deze onrustige situatie in de top van het bedrijf zo snel mogelijk wordt opgehelderd en opgelost wordt.”

In de tweede verklaring staat het volgende:

In een al langere periode voor vorig jaar miste ik daadkracht, een duidelijke visie en open communicatie. Dit is mij eigenlijk in het laatste jaar pas goed duidelijk geworden, omdat ik nu merk dat de situatie veranderd is.

(...)

Tot mijn spijt moet ik zeggen dat ik denk dat [naam 2] een rol heeft gespeeld in de eerdere gang van zaken. Op dit moment gaat het met [naam bv 2] en met mijzelf in het werk beter dan voorheen.

(...) [naam 2] was mijn eerste aanspreekpunt en stuurde de locatiemanagers aan. Verder deed zij het personeelsbeleid. In haar rol is iemand nodig die daadkrachtig en evenwichtig is, maar daarnaast ook iemand die motiveert en op wie je terug kan vallen als dat nodig is. Ik heb het gevoel dat ik eerder vaak op de stoel van [naam 2] zat en haar aan het helpen en ondersteunen was en dat zij op mij terugviel. Ze gaf me ook wel vaker werk wat bij haar taken hoorde, maar wat haar niet lukte. Ik denk dat dit voor ons allebei niet goed voelde. Het leek er voor mij op dat [naam 2] op momenten dat zij zich dit ook realiseerde de leiding weer terug wilde nemen op een voor mijn gevoel ondoordachte, impulsieve manier. Dat gaf mij het gevoel dat ik gewoon moest luisteren en doen wat mij gezegd werd. Dit voelde, ook door de toon die ze daarbij wel eens gebruikte, onveilig. (...) Ik was door het gebrek aan sturing voor mijn gevoel mijn locatie alleen aan het draaien. (...) Ik heb het gevoel dat [naam 2] al een tijdje boven haar macht aan het werk was. Het zijn van directeur en alle daarmee samenhangende hectiek en verantwoordelijkheden vroegen veel van haar. Ze werkte er heel hard voor, maar het lukte haar niet om het hoofd boven water te houden. Ze miste het overzicht, inzicht en de kwaliteit die je deels ook van nature moet hebben voor een dergelijke functie.”

De derde locatiemanager heeft het volgende verklaard:

[naam 2] gaf mij het idee dat ze niet altijd wist waarover het ging en het niet altijd snapte. Hierdoor ging ik ook met mijn vragen eerder naar mijn collega’s dan naar [naam 2] , terwijl zij wel mijn leidinggevende was. Ik zag [naam 2] vaak worstelen met beleidsstukken, cijfers en beslissingen nemen. Zij gaf ook aan tijdens overleggen dat zij dit heel moeilijk vond. [naam 2] werkte heel erg vanuit haar gevoel en dit gaf mij een onveilig gevoel. Ik merk nu dat we wat zakelijker aan het werk zijn, we professioneler worden. (...)

Voor het voortbestaan van [naam bv 2] zou ik heel graag doorgaan zoals we nu zijn ingezet. Zakelijker en hierdoor professioneler. Ik zie dat [naam bv 2] gebaat is bij een zakelijke directrice, die haar gevoel niet laat leiden. Ik vind het jammer hoe de situatie met [naam 2] is verlopen. Ik had haar graag persoonlijk willen vertellen waarom ik vind dat zij niet de persoon is om [naam bv 2] nu te leiden. De kwaliteiten die m.i. een directeur van [naam bv 2] nu moet hebben, heeft [naam 2] mij niet laten zien in de tijd dat zij directeur was.”

2.22.

In een e-mail van 29 april 2021 heeft de advocaat van de RvT een mediationtraject voorgesteld “niet vooraf bezwaard met voorwaarden en mitsen en maren”. Partijen hebben een aantal gesprekken gevoerd, maar de mediation is niet echt van de grond gekomen, (mede) omdat [gedaagde] als voorwaarde voor de (continuering van de) mediation stelde: “uitdrukkelijke erkenning van mijn rol als indirect bestuurder bij [naam bv 1] ”.

2.23.

Bij brief van 28 september 2021 gericht aan [naam bv 2] Beheer en de advocaat van [eiseres] (met cc aan de advocaat van de RvT) heeft (de advocaat van) [gedaagde] ernstige bezwaren geuit tegen het beleid en de gang van zaken bij de onderneming, zoals uitgevoerd door [eiseres] . De bezwaren zijn (samengevat):

1. dat het onder 2.7 genoemde aandeelhoudersbesluit ten onrechte is genomen en niet correct wordt nagekomen, omdat het fungeren van [gedaagde] als statutair-directeur, c.q. haar terugkeer, wordt belemmerd;

2. dat [eiseres] een tegenstrijdig belang heeft doordat zij tijdens de afwezigheid van [naam 2] de echtgenoot van [naam 1] heeft aangesteld op basis van een arbeidsovereenkomst, die inmiddels is verlengd;

3. dat [eiseres] onvoldoende informatie aan [gedaagde] heeft verstrekt;

4. dat [eiseres] het voornemen zou hebben om haar juridische kosten ten laste van de onderneming te doen komen, om daarmee coronacompensatie te krijgen.

In deze brief staat dat de bezwaren binnen 14 dagen kunnen worden weerlegd en/of weggenomen, bij gebreke waarvan [gedaagde] zich tot de OK zal wenden om een enquête te gelasten naar de gang van zaken en het beleid binnen de vennootschap, waarbij als voorlopige voorziening de onmiddellijke schorsing van [eiseres] als statutair bestuurder en overdracht van de aandelen van [eiseres] aan een beheerder zal worden gevorderd.

2.24.

In een e-mail van 30 september 2021 aan de advocaten van [eiseres] en de RvT heeft de advocaat van [gedaagde] [eiseres] beschuldigd van misbruik van coronagelden en gesommeerd (onder meer) niet tot indiening van niet door [gedaagde] geaccordeerde jaarstukken over te gaan. Wanneer niet aan die sommatie zou worden voldaan zou [gedaagde] :

- de samenwerkingsovereenkomst opzeggen op grond van artikel 6.2;

- de OK vragen een onderzoek in te stellen;

- de zorgfinanciers en/of toezichthoudende instanties inlichten over de handelwijze van [eiseres] en de procedure bij de OK;

- onderzoeken of sprake is van fraude in strafrechtelijke zin.

2.25.

Op 14 oktober 2021 heeft [naam 2] een e-mail aan de locatiemanagers gestuurd, waarin zij onder meer meldt dat zij het vertrouwen in de RvT heeft opgezegd, dat [naam 1] zonder geldige reden geen medewerking verleent aan de hervatting van de werkzaamheden van [naam 2] als bestuurder en dat een procedure tegen [naam 1] en de RvT onvermijdelijk is, met als inzet het vertrek van beide. Verder staat in deze e-mail:

“(...) is er door [naam 1] en de RvT meermaals beweerd dat jullie allemaal aan beide verklaard zouden hebben dat jullie niet zouden willen dat ik als bestuurder zou terugkeren, maar ik heb ondanks mijn verzoeken daartoe nooit informatie gekregen wanneer dit is gebeurd en wat er dan verklaard zou zijn. Ik ga er uiteraard vanuit dat deze bewering van [naam 1] en de RvT onjuist is en jullie ongewild en ongevraagd onderdeel worden gemaakt van de kwestie tussen de bestuurders, maar als die wel zou kloppen vraag ik jullie die met mij te delen en een toelichting te geven (...)”.

2.26.

Op 18 oktober 2021 heeft de advocaat van [gedaagde] een brief gestuurd naar de RvT waarin zij stelt dat de continuïteit van de vennootschap in gevaar wordt gebracht en zij de leden van de RvT daarvoor persoonlijk aansprakelijk stelt.

2.27.

In een e-mail van 25 oktober 2021 heeft de advocaat van [eiseres] gereageerd op de onder 2.23 genoemde brief van 28 september 2021 en een voorstel gedaan tot uitkoop van [gedaagde] , op basis van een waardering (door bureau Sman Business Value; hierna: Sman) van haar aandelenpakket op € 390.000,00. Met deze e-mail zijn de onder 2.21 vermelde verklaringen van de locatiemanagers meegezonden.

2.28.

Bij brief van 26 oktober 2021 heeft de advocaat van de RvT op de onder 2.26 genoemde brief gereageerd en iedere aansprakelijkheid van de hand gewezen. In deze brief staat verder dat [naam 2] zelf om meerdere redenen haar statutaire positie in 2020 heeft neergelegd, dat zij tegenover [naam 3] heeft aangegeven niet meer in een bestuurlijke rol te willen terugkeren, dat gedurende de afwezigheid van [naam 2] , maar ook daarvoor, op de door haar aangestuurde afdelingen achterstallig onderhoud aanwezig was, en dat [naam 2] niet openstaat voor de dialoog wanneer het gaat om haar (management)capaciteiten. Ten slotte wordt opgemerkt dat geen enkele grond bestaat voor het entameren van een procedure bij de OK voor onderzoek naar wanbeleid, maar dat de RvT, indien [gedaagde] daartoe toch besluit, deze met vertrouwen tegemoet ziet.

2.29.

In een e-mail van 2 november 2021 heeft de advocaat van [gedaagde] aan de advocaat van [eiseres] meegedeeld de weg vrij te achten voor een gang naar de OK en de (rechtsgeldigheid van de) opzegging/beëindiging van de samenwerkingsovereenkomst te betwisten.

2.30.

Op 16 november 2021 heeft de advocaat van [eiseres] het waarderingsrapport van Sman aan de advocaat van [gedaagde] toegezonden. Daarin is de waarde van het aandelenpakket (50% van de aandelen) verlaagd naar een bedrag van € 359.000,00.

2.31.

Op 5 december 2021 heeft [gedaagde] naar aanleiding van het onder 2.27 genoemde voorstel een tegenvoorstel gedaan, waarna wederom overleg heeft plaatsgevonden tussen partijen, maar zonder resultaat.

2.32.

In een e-mail van 16 december 2021 van haar advocaat heeft [gedaagde] “in haar hoedanigheid van statutair-bestuurder” [naam 6] verzocht om terug te treden als accountant in de [naam bv 2] , hem aansprakelijk gesteld voor geleden en te lijden schade en meegedeeld tuchtrechtelijke stappen tegen hem niet uit te sluiten, omdat hij zich niet onpartijdig en onafhankelijk zou hebben opgesteld, onder meer door [eiseres] zonder instemming en medeweten van [gedaagde] in contact te brengen met Sman.

2.33.

Eveneens per e-mail van 16 december 2021 heeft de advocaat van [gedaagde] de locatiemanagers aangeschreven vanwege de door hen afgelegde (onder 2.21 vermelde) verklaringen. In deze e-mail staat het volgende:

Indien u de verklaring inderdaad heeft afgegeven dient u zich te realiseren dat zowel het afgeven als de inhoud daarvan geenszins stroken met goed werknemerschap jegens uw werkgever c.q. cliënte en dit alsdan mogelijk juridische gevolgen zal hebben voor uw positie alsmede tot aansprakelijkheid van u jegens uw werkgever c.q. cliënte zou kunnen leiden.”

Ook staat in deze e-mail dat [gedaagde] zich heel goed realiseert

dat het initiatief tot het opstellen van de verklaringen door [eiseres] is genomen met het uitsluitende doel cliënte te ontmoedigen nog aanspraak te maken op haar positie van statutair-bestuurder

en stelt zij de locatiemanagers in de gelegenheid afstand te nemen van de inhoud ervan

hetgeen eventuele juridische gevolgen voor uw positie en mogelijke aansprakelijkheden zal afwenden.

2.34.

Bij e-mail van 22 december 2021 hebben de locatiemanagers aan de advocaat van [gedaagde] (en aan [naam 1] en [naam 2] ) laten weten achter hun verklaringen te staan en de dreigementen met aansprakelijk stellen en juridische consequenties kwalijk en kwetsend te vinden.

2.35.

In een e-mail van 14 januari 2022 aan [naam 2] heeft [naam 3] onder meer meegedeeld dat haar opmerkingen ten aanzien van de coronasteun aan de orde zijn geweest in een vergadering van de RvT van 27 oktober 2021. Verwezen wordt naar de notulen van die vergadering waaruit blijkt dat de RvT ermee heeft ingestemd deze steun (van de verzekeraars) te behouden. In deze e-mail staat ook dat, als [gedaagde] het met dit besluit niet eens is, een aandeelhoudersvergadering de plaats is om daarover te discussiëren.

2.36.

Op 24 januari 2022 heeft [gedaagde] een verzoekschrift ingediend bij de OK tot het instellen van een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken bij [naam bv 1] en [naam bv 2] en, bij wijze van voorlopige voorzieningen, verzocht onder meer vast te stellen dat [gedaagde] statutair-bestuurder van de onderneming is gebleven of weer is geworden per 1 maart of uiterlijk 1 juni 2021, dat aan [gedaagde] achterstallige managementvergoeding moet worden uitgekeerd, [eiseres] te schorsen als bestuurder en haar aandelen onder beheer te stellen, [naam 3] en Weijerman als leden van de RvT te schorsen, Schmidt op non-actief te stellen en de opdracht van de vennootschap aan de accountant [naam 6] op te schorten.

3 Het geschil in conventie

3.1.

[eiseres] vordert:

primair

I. [gedaagde] te veroordelen om binnen zeven dagen na betekening van het vonnis over te gaan tot overdracht aan [eiseres] van de door [gedaagde] gehouden aandelen in [naam bv 1] , vrij van enig beperkt en/of ander recht, tegen betaling door [eiseres] van een koopsom van € 359.000,00 aan [gedaagde] te voldoen en [gedaagde] te veroordelen mee te werken aan het passeren van de voor overdracht vereiste notariële akte, op straffe van verbeurte van een dwangsom, alsmede te bepalen dat indien [gedaagde] niet aan deze veroordeling voldoet, dit vonnis in de plaats zal treden van de benodigde verklaringen van [gedaagde] en dat de passerend notaris zal zijn gemachtigd alle ter zake van de eigendomsoverdracht vereiste formaliteiten te vervullen;

althans

II. [gedaagde] te veroordelen om binnen genoemde termijn, onder dezelfde voorwaarden en met dezelfde bijkomende veroordelingen, aan [eiseres] over te dragen de door [gedaagde] gehouden aandelen in [naam bv 1] , tegen betaling door [eiseres] van een voorlopige koopsom van € 1,00 onder bepaling dat in de leveringsakte ten gunste van [gedaagde] een pandrecht zal worden gevestigd tot zekerheid van betaling van de koopsom die dient te worden vastgesteld door een door de voorzieningenrechter aan te wijzen deskundige op basis van de DCF-methode, zoals vastgelegd in de samenwerkingsovereenkomst, waarbij [eiseres] wordt gelast mee te werken aan de prijsvaststelling;

subsidiair

III. [gedaagde] op straffe van verbeurte van een dwangsom te verbieden derden van/rond [naam bv 1] en [naam bv 2] , relaties, leveranciers en personeelsleden daaronder begrepen, voor de duur van een (binnen zes weken na het kortgedingvonnis te entameren) bodemprocedure, telefonisch, schriftelijk of op welke andere wijze dan ook, direct of indirect, te benaderen;

IV. te bepalen dat alle aandelen gehouden door [gedaagde] in het kapitaal van [naam bv 1] worden overgedragen ten titel van beheer aan een tijdelijk beheerder,

voor de duur van de hiervoor onder III bedoelde periode, althans om gedurende deze periode het stemrecht van [gedaagde] op haar aandelen te schorsen;

V. gepaste maatregelen te nemen teneinde de status quo bij [naam bv 1] en dochtervennootschap te doorbreken;

dit alles met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten, de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.

3.2.

[gedaagde] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna bij de beoordeling, voor zover van belang, ingegaan.

4 Het geschil in reconventie

5 De beoordeling

6 De beslissing