Rechtbank Amsterdam, 23-02-2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:753, 686219
Rechtbank Amsterdam, 23-02-2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:753, 686219
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Amsterdam
- Datum uitspraak
- 23 februari 2022
- Datum publicatie
- 19 april 2022
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2022:753
- Zaaknummer
- 686219
Inhoudsindicatie
Stichting kan als eisende partij niet gelijktijdig optreden als lasthebber en als collectief belangenbehartiger ex artikel 3:305a BW
Uitspraak
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht
Zaaknummer / rolnummer: C/13/686219/HA ZA 20-677
Vonnis in incident en in de hoofdzaak van 23 februari 2022
in de zaak van
de stichting
STICHTING BOUWFONDS CLAIM,
gevestigd te Amsterdam,
eiseres in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
advocaat: mr. A.H. Beekhuizen,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
BOUWFONDS FUND MANAGEMENT B.V.,
gevestigd te Hoevelaken,
verweerster in de hoofdzaak,
eiseres in het incident,
advocaat: mr. R.L. Ubels,
Partijen worden hierna de Stichting en Bouwfonds genoemd.
1 Procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
-
de dagvaarding van 11 juni 2020, met producties;
- -
-
de conclusie van antwoord tevens houdende incidentele conclusie tot niet-ontvankelijkheid, met producties;
- -
-
het tussenvonnis van 8 september 2021, waarin een mondelinge behandeling in het incident is bepaald;
- -
-
de conclusie van antwoord in het incident;
- -
-
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in het incident van 29 november 2021, met de daarin genoemde stukken.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
Bouwfonds was vanaf oktober 2004 tot en met december 2016 bestuurder van Bouwfonds Office Value Fund N.V. (hierna: het Fonds).
Het Fonds kocht commercieel vastgoed, voornamelijk kantoorpanden in Nederland. Het Fonds exploiteerde dit vastgoed door het langdurig te verhuren aan huurders uit hoofdzakelijk de overheidssector en financiële instellingen. Daaruit ontving zij huurinkomsten. Het uitgangspunt van het Fonds was om in 2013 te beginnen met de verkoop van het vastgoed en daarbij te profiteren van een positieve waardeontwikkeling van de kantoorpanden.
Het Fonds financierde de aankoop van het vastgoed met een combinatie van hypothecaire financiering en geïnvesteerd beleggingskapitaal. Dit beleggingskapitaal heeft zij in 2005 en 2006 opgehaald met de uitgifte van certificaten van aandelen in het kapitaal van het Fonds (hierna: de Certificaten). Voor deze uitgiftes is steeds een informatiebrochure en prospectus opgesteld (hierna: het Informatiemateriaal).
De eigenaren van de Certificaten (hierna: de Certificaathouders) hebben aan het einde van ieder boekjaar recht op het bedrag van de huurinkomsten dat na de voldoening van de financiële verplichtingen van het Fonds resteert. Na de voorgenomen verkoop van het vastgoed, zouden zij ook recht hebben op de verkoopopbrengst die na de aflossing van de hypothecaire financieringen resteerde (hierna: het verkooprendement).
Door de negatieve waardeontwikkeling van het vastgoed, is de voorgenomen verkoop uitgesteld. Uitkering van het verkooprendement aan de Certificaathouders is daarom uitgebleven.
De Stichting richt zich blijkens haar statutaire doelomschrijving, onder meer, tot het bevorderen en behartigen van de belangen van de Certificaathouders.
3 Het geschil
in de hoofdzaak
1
De Stichting vordert in de hoofdzaak, voor zover mogelijk bij uitvoerbaar bij voorraad, een verklaring voor recht dat Bouwfonds misleidende mededelingen heeft gedaan in de reclamebrochure alsook in het prospectus in verband met de emissie(s) van het Fonds en dat Bouwfonds verplicht is de daardoor veroorzaakte schade te vergoeden, nader op te maken bij staat.
De Stichting stelt hiertoe, verkort weergegeven, dat het Informatiemateriaal misleidende mededelingen en omissies bevat in de zin van artikel 6:194 BW, zoals die bepaling luidde tot 15 oktober 2008. Zij stelt dat de Certificaathouders onvoldoende of onjuist zijn geïnformeerd ten aanzien van het risicoprofiel, het verwachte rendement en de eigenschappen van de Certificaten alsook de bedrijfsvoering van het Fonds. Bouwfonds is om die reden aansprakelijk voor de schade die de Certificaathouders hierdoor hebben geleden.
Bouwfonds voert verweer tegen de vorderingen.
in het incident
Bouwfonds vordert in het incident, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
primair
de Stichting niet-ontvankelijk te verklaren, althans niet-ontvankelijk te verklaren voor zover haar vorderingen zien op toekomstige lastgevers, althans niet-ontvankelijk te verklaren voor zover zij als artikel 3:305a-stichting wordt aangemerkt en zij uit dien hoofde een vordering tot verwijzing naar een schadestaatprocedure heeft ingesteld, met veroordeling van de Stichting in de proceskosten en de wettelijke rente hierover;
subsidiair
de Stichting te gebieden binnen een termijn van 14 dagen te rekenen vanaf de datum van het vonnis kopieën van alle aan de Stichting verstrekte overeenkomsten van lastgeving aan Bouwfonds te verstrekken, op straffe van een dwangsom en met veroordeling van de Stichting in de proceskosten en de wettelijke rente hierover.
Bouwfonds stelt hiertoe, verkort weergegeven, dat zij ervan mocht uitgaan dat de Stichting als lasthebber procedeert voor bepaalde Certificaathouders en niet als collectieve belangenbehartiger voor alle Certificaathouders in de zin van artikel 3:305a BW. Zij kan haar hoedanigheid niet gedurende deze procedure veranderen. Omdat de Stichting als lasthebber net zo goed moet voldoen aan de Claimcode en zij hier niet aan voldoet, heeft de Stichting geen belang bij haar vorderingen en moeten deze niet-ontvankelijk worden verklaard. Voor zover haar vorderingen wel ontvankelijk zijn, kan de Stichting als lastgever niet optreden voor Certificaathouders die haar na de dagvaarding een last hebben gegeven en kan zij als collectieve belangenbehartiger geen schadevergoeding vorderen.
De Stichting voert verweer en heeft, samengevat, aangevoerd dat zij in deze zaak in twee hoedanigheden optreedt. De verklaring voor recht vordert zij als collectieve belangenbehartiger in de zin van artikel 3:305a BW en de schadevergoeding, nader op te maken bij staat, als lasthebber van een cessie ter incasso die de Certificaathouders aan haar hebben verstrekt en nog kunnen verstrekken.