Rechtbank Amsterdam, 24-10-2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:8286, 22.639 en 22.640 FT RK
Rechtbank Amsterdam, 24-10-2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:8286, 22.639 en 22.640 FT RK
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Amsterdam
- Datum uitspraak
- 24 oktober 2022
- Datum publicatie
- 3 februari 2023
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2022:8286
- Zaaknummer
- 22.639 en 22.640 FT RK
Inhoudsindicatie
Afwijzing verzoek afkoeling 376 Fw en aspectenverzoek 378 Fw, toestand van hebben opgehouden met betalen, WHOA staat niet langer open, gedurende het WHOA trjaect niet de regels der kunst in acht genomen.
Uitspraak
Afdeling privaatrecht
verzoek afkoelingsperiode ex artikel 376 lid 1 Fw en verzoek ex artikel 378 Fw
rekestnummers: 22.639 en 22.640 FT RK
uitspraakdatum: 24 oktober 2022
beschikking op het op 23 september 2022 ingekomen verzoekschrift ex artikel 376 en 378 Fw, met bijlagen, van
de vennootschap onder firma
[verzoekster] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verzoekster,
advocaat mr. M.H. den Otter, kantoorhoudende te Breda,
hierna te noemen: [verzoekster] .
1 De procedure
[verzoekster] heeft op 10 december 2021 een startverklaring ex artikel 370 lid 3 Fw ter griffie gedeponeerd. Daarbij heeft [verzoekster] gekozen voor een besloten akkoordprocedure buiten faillissement.
Op 1 juni 2022 is ingekomen een verzoekschrift tot homologatie op grond van artikel 383 lid 1 Fw (hierna: homologatieverzoek), met bijlagen, van een door [verzoekster] aangeboden akkoord. Het stemverslag is op 1 juni 2022 gedeponeerd.
Bij beschikking van 3 juni 2022 heeft de rechtbank onder meer de datum en het tijdstip van de behandeling van het homologatieverzoek bepaald en heeft zij mr. A.J. Nederhoed, advocaat te Amsterdam, tot observator aangewezen.
Bij vonnis van 28 juni 2022 is [verzoekster] niet-ontvankelijk verklaard in haar homologatieverzoek omdat niet is voldaan aan de voorwaarde van artikel 383 lid 1 Fw, en in diezelfde beschikking is het salaris van de observator vastgesteld.
Op 5 september 2022 heeft schuldeiser [schuldeiser] (hierna: [schuldeiser] ) een verzoekschrift bij de rechtbank ingediend tot het uitspreken van het faillissement van [verzoekster] .
Bij verzoekschrift met bijlagen genummerd 1 tot en met 16 van 20 september 2022, ingekomen ter griffie op 23 september 2022, heeft [verzoekster] de rechtbank verzocht i) een afkoelingsperiode ex artikel 376 lid 1 Fw af te kondigen voor een periode van (hooguit) vier maanden en ii) op grond van artikel 378 Fw uitspraak te doen over een aspect dat van belang is in het kader van het tot stand brengen van het akkoord. [schuldeiser] is in de gelegenheid gesteld een zienswijze te geven.
[verzoekster] heeft bij schrijven van 29 september 2022 desverzocht haar verzoeken met nadere stukken aangevuld.
[schuldeiser] heeft, vanwege de onder 1.6. bedoelde verzoeken en de behandeling daarvan, de rechtbank verzocht om de behandeling van het faillissementsrekest op 4 oktober 2022 met drie weken aan te houden. De behandeling van het faillissementsrekest staat thans geagendeerd voor 25 oktober 2022.
Namens [schuldeiser] heeft mr. J.R. van Faassen op 7 oktober 2022 een schriftelijke zienswijze doen toekomen, onder overlegging van een tweetal producties. [verzoekster] heeft op 10 oktober 2022 schriftelijk op deze zienswijze van [schuldeiser] gereageerd, met overlegging van producties genummerd 17 tot en met 22. Op 11 oktober 2022 heeft [verzoekster] een aanvullende productie, genummerd 23, ingediend.
De verzoeken van [verzoekster] zijn op 11 oktober 2022 door middel van een videoverbinding ter zitting behandeld. Daarbij zijn verschenen en gehoord:
- de heer [naam 1] , vennoot van [verzoekster] ;
- mr. Den Otter voornoemd, namens [verzoekster] ;
- mr. [naam 2] , (financieel) adviseur, namens [verzoekster] ;
- mr. [naam 3] , kantoorgenoot van [naam 2] , namens [verzoekster] ;
- mrs. J.R. van Faassen en D.H. Loozeman, advocaten te Utrecht namens [schuldeiser] , en
- de heer [naam 4] , namens [schuldeiser] .
Partijen hebben ter behandeling hun standpunten nader toegelicht. Verder hebben zij vragen van de rechtbank beantwoord en inlichtingen verstrekt.
De rechtbank heeft bepaald dat zij op 24 oktober 2022, of zoveel eerder als mogelijk, uitspraak zal doen.
Na sluiting van de behandeling ter zitting heeft [verzoekster] op verzoek de rechtbank een aantal aanvullende stukken ingediend. Dit betreft een drietal beschikkingen van de kantonrechter te Amsterdam van 28 mei 2022 en 28 juni 2022 met betrekking tot toegewezen vorderingen van (ex-)werknemers van [verzoekster] , alsmede correspondentie over het aanbod dat [verzoekster] aan (een van) de pensioenfondsen heeft gedaan. Daarnaast heeft [verzoekster] een geactualiseerde crediteurenlijst overgelegd. Genoemde stukken zijn ook met [schuldeiser] gedeeld.
2 De feiten
[verzoekster] is op 1 januari 2005 opgericht. Haar vennoten zijn [naam 1] en [naam bedrijf] [naam 1] is bestuurder en enig aandeelhouder van [naam bedrijf]
[verzoekster] is een kweker van hortensiabloemen. Het kweekproces bestaat uit het laten opkomen van hortensiabloemen uit de hortensiaplanten. De planten vormen dus de basis van het kweekproces. Op 1 oktober 2021 bevonden zich 90.000 hortensiaplanten (hierna: de plantjes) in de kassen van verzoekster.
De heer [verzoekster] heeft vanwege gezondheidsredenen besloten om op 1 oktober 2021 te stoppen met ondernemen. [verzoekster] heeft zich vanaf die datum gezet aan de verkoop van de plantjes. Er werden geen bloemen meer gekweekt. De basis (de plantjes) werd verkocht. Om deze reden heeft [verzoekster] 1 oktober 2021 als peildatum gekozen.
[verzoekster] heeft in april 2022 een akkoord ter stemming voorgelegd aan haar schuldeisers. De schuldenlast onder het akkoord bedroeg € 431.237,75. Nadat de klasse van vermogensverschaffers (waarvan [schuldeiser] in belangrijke mate deel uitmaakte) had tegengestemd, heeft [verzoekster] de rechtbank verzocht het aangeboden akkoord te homologeren. Bij vonnis van 28 juni 2022 heeft de rechtbank in r.o. 6.10. overwogen dat [schuldeiser] in een eventueel faillissement als enige (gesecureerd) schuldeiser naar verwachting een uitkering tegemoet zou kunnen zien en [verzoekster] in haar verzoek niet ontvankelijk verklaard omdat niet voldaan was aan het bepaalde in artikel 383 lid 1 Fw.
[verzoekster] heeft de arbeidsovereenkomsten met familieleden met wederzijds goedvinden beëindigd en de arbeidsovereenkomsten van drie hierna te noemen werknemers, met wie geen regeling kon worden bereikt, opgezegd met inachtneming van een opzegtermijn van zes weken.
Bij beschikking van de kantonrechter te Amsterdam van 28 mei 2022 is [verzoekster] veroordeeld tot betaling van een beëindigingsvergoeding van € 22.809,92 (bruto) aan werknemer [naam 5] alsmede tot betaling van achterstallig loon en vakantietoeslag van respectievelijk € 6.928,89 en € 544,31 (bruto) over de periode januari tot en met maart 2022, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 25% en de wettelijke rente vanaf de data van opeisbaarheid tot aan de dag van de algehele betaling. Voorts is [verzoekster] tot betaling van de kosten van het geding veroordeeld.
Bij beschikking van 28 juni 2022 van de kantonrechter te Amsterdam is [verzoekster] veroordeeld tot betaling van een transitievergoeding van € 14.203,67 (bruto) aan werknemer [naam 6] , te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 april 2022 tot aan de dag van algehele vergoeding, en een vergoeding wegens onregelmatige opzegging van de arbeidsovereenkomst van € 4.639,46 (bruto), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 maart 2022 tot aan de dag van algehele vergoeding.
Bij vonnis van 28 juni 2022 van de kantonrechter te Amsterdam is [verzoekster] onder meer veroordeeld tot betaling van een transitievergoeding van € 13.570,38 (bruto) aan werknemer [naam 7] , te vermeerderen met de wettelijke rente tot aan de dag van algehele voldoening, en een vergoeding wegens onregelmatige opzegging van de arbeidsovereenkomst van € 4.682,43 (bruto), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 maart 2022 tot aan de dag van algehele vergoeding alsmede tot betaling van een bedrag van € 409,44 (bruto) wegens de eenmalige uitkering en niet toegepaste loonsverhoging over de maanden januari en februari 2022 op basis van de cao, te vermeerderen met de wettelijke rente tot aan de dag van algehele voldoening.
[schuldeiser] , die een pandrecht heeft op het spaartegoed van [verzoekster] dat Coöperatie Royal Flora Holland (hierna: RFH) onder zicht houdt, heeft bij brief van 6 juli 2022 te kennen gegeven dat zij het verzoek tot kwijtschelding van [verzoekster] van haar vordering op RFH van € 56.035,04 vernietigt met een beroep op de actio pauliana ex artikel 3:45 BW.
3 Het verzoek ex artikel 376 lid 1 Fw
[verzoekster] heeft de rechtbank verzocht een afkoelingsperiode af te kondigen voor de duur van (hooguit) vier maanden. [verzoekster] legt aan haar verzoek het volgende ten grondslag.
[verzoekster] is voornemens om binnen een termijn van twee maanden opnieuw een akkoord aan haar schuldeisers aan te bieden. Nadat de rechtbank het homologatieverzoek op 28 juni 2022 niet-ontvankelijk had verklaard, hebben zich vier nieuwe schuldeisers bij [verzoekster] gemeld. Dit betreffen drie ex-werknemers en het UWV, die allen een vordering op [verzoekster] hebben. [verzoekster] wenst deze schuldeisers in een nieuw akkoord te betrekken en een opnieuw een aanbod aan haar schuldeisers te doen, grotendeels langs de lijnen van het vorige akkoord. Het akkoord zal worden gefinancierd met de spaartegoeden die bij RFH worden aangehouden.
[verzoekster] stelt zich op het standpunt dat, anders dan [schuldeiser] heeft betoogd, artikel 369 lid 5 Fw er niet aan in de weg staat om een nieuw WHOA-akkoord aan haar schuldeisers aan te bieden en ter homologatie aan de rechtbank voor te leggen. Haar eerdere homologatieverzoek is immers niet afgewezen op grond van artikel 384 Fw. Ook is het eerder voorgestelde akkoord niet door alle klassen verworpen, maar alleen door de klasse waarin [schuldeiser] is ingedeeld. Nu het faillissement van [verzoekster] inmiddels door de [schuldeiser] is aangevraagd, heeft [verzoekster] belang bij het afkoelingsverzoek om de onderhandeling over en het aanbieden van, een nieuw akkoord voort te kunnen zetten. [verzoekster] tracht middels een akkoord tot een gecontroleerde afwikkeling van de onderneming te komen. In opmaat naar het akkoord is het actief van [verzoekster] reeds te gelde gemaakt. De onderneming van [verzoekster] is niet meer actief, waardoor er geen lopende verplichtingen meer zijn waaraan moet worden voldaan. Doordat het actief te gelde is gemaakt, worden de schuldeisers van [verzoekster] door het afkondigen van de afkoelingsperiode niet wezenlijk in hun belangen geschaad. Er is geen sprake van waardevermindering van zekerheden en evenmin van een situatie waarin een schuldeiser een ‘niet-gecompenseerd verlies’ lijdt. Ook het belang van [schuldeiser] wordt niet geschaad, omdat hetgeen waarop haar pandrecht rustte, te gelde is gemaakt. [verzoekster] beoogt om middels een liquidatieakkoord haar schulden te saneren en ook in dat geval is het mogelijk om een afkoelingsperiode te verzoeken, aldus steeds [verzoekster] .