Rechtbank Amsterdam, 01-11-2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:8352, AWB - 22 _ 2382
Rechtbank Amsterdam, 01-11-2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:8352, AWB - 22 _ 2382
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Amsterdam
- Datum uitspraak
- 1 november 2022
- Datum publicatie
- 17 februari 2023
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2022:8352
- Zaaknummer
- AWB - 22 _ 2382
Inhoudsindicatie
Aan eiseres is een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd. Eiseres heeft niet voldaan aan haar onderzoeksplicht. Door het bord en de parkeerautomaten had eiseres namelijk kunnen zien dat betaald parkeren geldt. Het beroep is ongegrond.
Uitspraak
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 22/2382
en
( [gem. verweerder] ).
Procesverloop
Met een besluit van 10 maart 2022 (het primaire besluit) heeft de heffingsambtenaar een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd.
In de uitspraak op bezwaar van 30 maart 2022 (de bestreden uitspraak) heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen de bestreden uitspraak beroep ingesteld.
De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is behandeld op de zitting van 1 november 2022. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar [echtgenoot] . De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Overwegingen
1. Sinds 29 maart 2021 is het gebied waar betaald parkeren geldt in de gemeente [naam gemeente] uitgebreid. Eiseres ging op vakantie met haar man en heeft haar auto geparkeerd bij een P+R om vervolgens verder te reizen met de trein. De auto stond op 5 maart 2022 om 02:32 uur geparkeerd op de [adres] in [naam gemeente] zonder dat daarvoor parkeerbelasting was betaald. Aan eiseres is daarom met het primaire besluit een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd. Eiseres heeft gedurende een week geparkeerd, waardoor er acht naheffingsaanslagen zijn opgelegd voor een bedrag van in totaal € 552,72.
2. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. De heffingsambtenaar heeft zich - kort gezegd - op het standpunt gesteld dat voldoende kenbaar was dat op de betreffende locatie moest worden betaald voor het parkeren. Eiseres had daar zelf meer onderzoek naar moeten doen. Om eiseres tegemoet te komen heeft de heffingsambtenaar het aantal naheffingsaanslagen teruggebracht van acht naar vijf.
Standpunt van eiseres
3. Eiseres voert aan dat zij niet op de hoogte kon zijn van de gewijzigde parkeersituatie. Zij is door de coronapandemie lang niet op de desbetreffende parkeerplaats geweest. Zij heeft de aankondigingen nooit gezien en geen bewonersbrief ontvangen, omdat zij 15 kilometer verderop woont. Bovendien was het donker toen zij ging parkeren en waren de parkeerautomaten en borden niet zichtbaar. De naheffingsaanslagen staan volgens eiseres niet in verhouding met het parkeergeld dat moet worden betaald. Eiseres wil alleen het parkeergeld betalen voor de tijd dat haar auto stond geparkeerd en niet de hogere naheffingsaanslagen.
Het oordeel van de rechtbank
4. De rechtbank stelt voorop dat eiseres beroep heeft ingesteld tegen één van de vijf gehandhaafde naheffingsaanslagen.
5. Op grond van vaste rechtspraak geldt dat op de heffingsambtenaar een informatieplicht rust: het moet voor een parkeerder voldoende duidelijk zijn dat op een parkeerlocatie sprake is van betaald parkeren. Dit kan blijken uit bebording dan wel parkeerapparatuur in de directe omgeving van de parkeerplaats. Op de parkeerder rust een onderzoeksplicht: de parkeerder dient zich op de hoogte te stellen van het parkeerregime dat ter plaatse geldt.
6. De rechtbank vindt dat de heffingsambtenaar heeft voldaan aan zijn informatieplicht. De heffingsambtenaar heeft de uitbreiding van het gebied waar betaald parkeren geldt destijds kenbaar gemaakt door dit in het [blad 1] en [blad 2] [naam gemeente] te plaatsen. Verder staat er aan het begin van het parkeerterrein een bord waaruit blijkt dat betaald parkeren geldt op het parkeerterrein. Daarnaast staan er twee parkeerautomaten op het parkeerterrein. De rechtbank vindt daarentegen dat eiseres niet heeft voldaan aan haar onderzoeksplicht. Eiseres had door het bord en de parkeerautomaten kunnen zien dat op de locatie moest worden betaald voor het parkeren. Dat eiseres ‘s avonds heeft geparkeerd waardoor zij de borden niet heeft gezien, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. Dit komt voor haar risico. Eiseres had zich immers ook van tevoren op de hoogte kunnen stellen van het parkeerregime dat ter plaatse geldt.
7. De rechtbank vindt dat de naheffingsaanslag niet voor een te hoog bedrag is opgelegd door de heffingsambtenaar. Uit artikel 234, derde en vijfde lid, van de Gemeentewet volgt dat de naheffingsaanslag bestaat uit parkeerkosten voor de duur van een uur en kosten voor het opleggen van de naheffingsaanslag. Dat heeft de heffingsambtenaar in dit geval gedaan en dus ook mogen doen.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt dus geen gelijk.
9. Voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het door eiseres betaalde griffierecht bestaat bij deze uitkomst geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. van der Linden-Kaajan, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Vijn, griffier, op 1 november 2022.
De griffier is verhinderd rechter
om de uitspraak te ondertekenen.
Afschrift verzonden aan partijen op: