Rechtbank Amsterdam, 08-02-2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:568, 81/233625-20, 81/315065-20, 81/053483-21 en 81/166335-21
Rechtbank Amsterdam, 08-02-2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:568, 81/233625-20, 81/315065-20, 81/053483-21 en 81/166335-21
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Amsterdam
- Datum uitspraak
- 8 februari 2023
- Datum publicatie
- 8 februari 2023
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2023:568
- Zaaknummer
- 81/233625-20, 81/315065-20, 81/053483-21 en 81/166335-21
Inhoudsindicatie
De rechtbank veroordeelt verdachte tot een geldboete van 100.000 euro voor meerdere milieumisdrijven en een geldboete van 10.000 euro voor een milieuovertreding. De milieu-gerelateerde misdrijven en de overtreding waarvoor de geldboetes zijn opgelegd en die zich voordeden op enkele data in de periode 2018 tot en met 2021, betreffen, kort gezegd, het niet voorkomen van stofverspreiding, lozen van afvalspoelwater in de Buitenhaven, handelen in strijd met een door de omgevingsdienst aan een goedkeuring van een proef verbonden voorwaarde en het onvoldoende treffen van maatregelen om mogelijke bodemverontreiniging te voorkomen. De rechtbank spreekt verdachte ook vrij van enkele beschuldigingen. Zo vindt de rechtbank niet bewezen dat zogenoemde Rozaslakken afvalstoffen zijn als bedoeld in de Wet milieubeheer.
Uitspraak
vonnis
Parketnummer: 81.233625.20
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummers: 81/233625-20, 81/315065-20, 81/053483-21 en 81/166335-21
Datum uitspraak: 8 februari 2023
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige economische kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaken tegen de rechtspersoon:
[verdachte] ,
gevestigd aan de [vestigingsadres] , [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: verdachte.
1 Onderzoek op de zitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de zitting van 22 december 2022. De rechtbank heeft het onderzoek op 8 februari 2023 gesloten en direct daarna uitspraak gedaan.
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A (81/233625-20), B (81/315065-20), C (81/053483-21) en D (81/166335-21) aangeduid.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie,
mrs. J.S. de Weijer en E.R. Jepkema1. Ook heeft de rechtbank kennis genomen van wat de vertegenwoordiger van verdachte, de heer [naam vertegenwoordiger] , en de raadslieden van verdachte, mrs. J.T.C. Leliveld en F. Ahlers2, naar voren hebben gebracht.
2 Beschuldiging
Verdachte wordt ervan beschuldigd meerdere economische (milieu)delicten te hebben gepleegd. Kort en vereenvoudigd weergegeven zien de beschuldigingen op:
- -
-
stofverspreiding (van ertsen/kolen) op respectievelijk 1 en/of 2 maart 2018 en 14 februari 2021 (in zaken A en D) ;
- -
-
het in de Buitenhaven brengen van een hoeveelheid afval(spoel)water en/of (filter)zand vanuit een zandfilter zonder zuivering via de bedrijfsriolering op 19 december 2018 (in zaak B), en
- -
-
geuroverlast door het koelen van zogenoemde Roza-slakken in de periode van 3 december 2019 tot en met 27 januari 2020 (feit 1) en op 7 februari 2020 en/of 20 februari 2020 dan wel in de periode van 7 februari 2020 tot en met 20 februari 2020 (feit 2) in zaak C.
De volledige beschuldigingen met de feitelijke en juridische preciseringen staan in de bijlage bij dit vonnis en gelden als hier ingevoegd.
3 Voorvragen
Voordat de rechtbank inhoudelijke beslissingen mag nemen in de zaken tegen verdachte, moet de rechtbank vaststellen dat is voldaan aan alle in artikel 348 van het Wetboek van Strafvordering gestelde formele vereisten. De rechtbank zal daarom de uit dit artikel voortvloeiende voorvragen beantwoorden en daarbij de door de verdediging gevoerde verweren bespreken.
Zijn de dagvaardingen geldig?
De rechtbank stelt vast dat de dagvaardingen in de zaken A, B, C en D ten aanzien van alle beschuldigingen geldig zijn.
Het verweer van de verdediging dat de dagvaarding ten aanzien van feit 2 in zaak C nietig is, verwerpt de rechtbank. De rechtbank constateert met de verdediging dat in de dagvaarding de tekst van deze beschuldiging is toegespitst op artikel 10.1, lid 3, van de Wet Milieubeheer, terwijl onder de beschuldiging artikel 10.1, lid 1, van de Wet Milieubeheer is vermeld. De rechtbank vindt echter dat duidelijk sprake is van een verschrijving. De tekst van de beschuldiging ziet namelijk ondubbelzinnig op artikel 10.1, lid 3, van de Wet Milieubeheer. De beschuldiging is, anders dan gesteld door de verdediging, door deze verschrijving ten aanzien van het toepasselijke artikellid niet onvolledig of onduidelijk. De rechtbank leest gelet op het voorgaande het bij feit 2 in zaak C vermelde artikel 10.1, lid 1, van de Wet Milieubeheer als artikel 10.1, lid 3, van de Wet Milieubeheer. Door de verbetering van deze misslag wordt verdachte, die uitgebreid verweer heeft gevoerd tegen deze beschuldiging, niet in de verdediging geschaad.
Is de rechtbank bevoegd tot kennisneming van de beschuldigingen?
De rechtbank constateert dat zij bevoegd is tot kennisneming van alle beschuldigingen in de zaken A, B, C en D.
Is de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van verdachte?
De officier van justitie vervolgt verdachte in alle zaken voor overtredingen van economische delicten. De rechtbank begrijpt de beschuldigingen zo dat die steeds (primair) zien op de misdrijfvariant oftewel de opzetvariant en voor het geval de rechtbank dat niet bewezen acht, (subsidiair) op de overtredingsvariant oftewel de niet-opzetvariant.
De rechtbank constateert dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging van verdachte ten aanzien van de primaire en subsidiaire beschuldigingen in de zaken C en D en de primaire beschuldigingen in de zaken A en B.
De rechtbank is, met de verdediging, van oordeel dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in de vervolging van verdachte ten aanzien van de subsidiaire beschuldiging in zaak A, te weten de overtredingsvariant van het verweten economische delict van artikel 2.3 aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Het recht op vervolging voor die overtreding was op grond van artikel 70, lid 1, onder 1° van het Wetboek van Strafrecht, namelijk reeds vervallen door verjaring op het moment dat de officier van justitie de dagvaarding uitbracht. De verjaringstermijn bedraagt immers drie jaar en de dagvaarding is meer dan drie jaar na de vermeende overtreding uitgebracht. Het verweer van de verdediging slaagt dus.
De rechtbank constateert ambtshalve dat de officier van justitie vanwege verjaring evenmin ontvankelijk is in de vervolging van verdachte ten aanzien van de subsidiaire beschuldiging in zaak B, te weten de overtredingsvariant van het verweten economische delict van artikel 6.2, lid 1, van de Waterwet. Ook voor dit feit geldt dat het recht op vervolging ingevolge artikel 70, lid 1, onder 1° van het Wetboek van Strafrecht op het moment van het uitbrengen van de dagvaarding al was vervallen omdat er toen al meer dan drie jaar was verstreken na het vermeende feit.
Zijn er redenen voor schorsing van de vervolging?
De rechtbank constateert dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
Slotsom
De rechtbank mag en zal dus een inhoudelijke beslissing nemen ten aanzien van de primaire beschuldigingen in de zaken A, B en de primaire en subsidiaire beschuldigingen in zaken C en D.