Home

Rechtbank Amsterdam, 30-08-2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:6760, 729752

Rechtbank Amsterdam, 30-08-2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:6760, 729752

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
30 augustus 2023
Datum publicatie
15 november 2023
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2023:6760
Zaaknummer
729752

Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheid voormalig curator pro se? Voormalig curator niet aansprakelijk voor tenietgaan tweede pandrecht pandhouder door wijze van afwikkeling.

Uitspraak

Civiel recht

Zaaknummer: C/13/729752 / HA ZA 23-150

Vonnis van 30 augustus 2023

in de zaak van

ELHA HOLDING B.V.,

gevestigd in Amsterdam,

eiseres,

advocaat: mr. H. Loonstein in Amsterdam,

tegen

[gedaagde] , voormalig curator in het faillissement van

[gefailleerde] B.V.,

kantoorhoudende in Amsterdam,

gedaagde,

advocaat: mr. P.J. de Jong Schouwenburg in Amsterdam.

Eiseres wordt hierna aangeduid als Elha. Hoewel gedaagde voormalig curator is in het faillissement van [gefailleerde] B.V., wordt hij in dit vonnis omwille van de leesbaarheid aangeduid als de curator.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 3 februari 2023, met producties,

- de conclusie van antwoord, met producties,

- het tussenvonnis van 3 mei 2023 waarin een mondelinge behandeling is bepaald,

- het verkorte proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 6 juni 2023 en de daarin genoemde processtukken.

1.2.

Daarna is bepaald dat op 30 augustus 2023 vonnis zal worden gewezen.

2 De feiten

2.1.

Elha had uit hoofde van geldlening een vordering op [gefailleerde] B.V. ( [gefailleerde] ). Nadat aan [gefailleerde] op 9 februari 2015 voorlopige surseance van betaling is verleend, is zij op 25 februari 2015 in staat van faillissement verklaard met aanstelling van [gedaagde] als curator.

2.2.

Voordat [gefailleerde] failliet ging, hebben zich de volgende feiten voorgedaan.

2.3.

Uit een notariële akte van 28 maart 2006 blijkt dat [gefailleerde] aan HSH Nordbank AG (de HSH Nordbank) het recht van eerste pand en het recht van eerste hypotheek heeft verleend op een aantal registergoederen aangeduid onder A tot en met W. Daaronder is een kantoorgebouw met parkeerterrein, erf, ondergrond en aanhorigheden, gelegen aan de [adres] (E), verder aangeduid als het Houthof-pand. De hypotheek en verpanding dienden tot zekerheid voor de nakoming van de tegenwoordige en toekomstige vorderingen van de HSH Nordbank op [gefailleerde] uit hoofde van een leningsovereenkomst van op dat moment 24,3 miljoen euro, met nevenvorderingen.

2.4.

Op 29 mei 2009 heeft [gefailleerde] het Houthof-pand verkocht aan HBB Planontwikkeling B.V. (HBB). De koopovereenkomst bevat onder meer de bepaling dat levering van het pand zou plaatsvinden nadat minimaal 60% van de te ontwikkelen woningen zou zijn verkocht, dat de sloopkosten inclusief asbestsanering en eventuele sanering van de grond voor rekening van [gefailleerde] zouden zijn en dat HBB op kosten van [gefailleerde] tegen een kostprijs, geschat op € 1.963,312,00, bedrijfsruimte en archiefruimte met dertig parkeerplaatsen zou realiseren op een deel van het perceel dat van [gefailleerde] zou blijven. De koopprijs was afhankelijk van de verkoopopbrengst per vierkante meter. Op 2 februari 2015 heeft HBB de koopovereenkomst uit 2009 ingeschreven in de openbare registers van het kadaster. De notaris heeft de inschrijving op 9 februari 2015 gerectificeerd en toegevoegd dat de koopsom aan de hand van de op dat moment bekende omstandigheden door HBB werd geschat op 2,5 miljoen euro.

2.5.

Op 19 april 2011 heeft [gefailleerde] aan Elha in een vaststellingsovereenkomst als zekerheid voor haar vorderingen een stil pandrecht gegeven op de vordering van [gefailleerde] op HBB terzake de verkoop van het Houthof-pand (de vaststellingsovereenkomst). De pandakte van diezelfde datum is op 25 mei 2012 geregistreerd. In de considerans van de vaststellingsovereenkomst is onder meer vermeld dat een herfinanciering van de onroerend goed portefeuille van [gefailleerde] zal plaatsvinden, waarbij de FGH Bank leningen zal verstrekken ter grootte van € 18.450.000 en daarvoor het eerste recht van hypotheek wil verkrijgen.

2.6.

De HSH Nordbank heeft op 23 februari 2015 bij de curator per e-mail opgave gedaan van haar vordering van € 7.051.623,56. De HSH Nordbank heeft daarbij aangegeven dat zij haar hypotheekrecht wilde vrijgeven als het Houthof-pand zou worden verkocht tegen een acceptabele prijs. De HSH Nordbank heeft daarbij gemeld dat een genoemd bedrag van 1,8 miljoen euro voor haar niet aanvaardbaar was.

2.7.

Op 11 december 2015 hebben de curator en HBB de koopovereenkomst uit 2009 voor de verkoop van het Houthof-pand met wederzijds goedvinden ontbonden en een nieuwe koopovereenkomst gesloten onder andere voorwaarden. De koopprijs was afhankelijk van het aantal verkochte vierkante meters, maar minimaal 2,8 miljoen euro. De koopprijs is uiteindelijk vastgesteld op € 3.308.151.

2.8.

Bij e-mail 3 oktober 2016 heeft een kantoorgenoot van de curator aan Elha het volgende bericht:

‘(...) Voor zover er een rechtsgeldig pandrecht tot stand gekomen is op de vordering van [gefailleerde] op HBB uit hoofde van de koopovereenkomst uit 2009, geldt het volgende. De curator heeft eind 2015 een nieuwe koopovereenkomst gesloten met HBB in verband met de verkoop van het pand. Reden daarvoor was dat de leveringsvoorwaarden uit de oude koopovereenkomst niet langer marktconform waren. Door de nieuwe overeenkomst zijn er ook nieuwe vorderingen ontstaan, zoals de vordering van [gefailleerde] op HBB in verband met de koopprijs. Deze nieuwe vorderingen zijn in verband met het faillissement in ieder geval niet belast met een pandrecht ten gunste van Elha. Daarbij komt dat op het kantoorpand een eerste recht van hypotheek is gevestigd ten gunste van de HSH Nordbank. De koopprijs is niet voldoende om de gehele vordering van de HSH Nordbank te voldoen. Uiteraard werkt HSH Nordbank alleen mee aan een onbezwaarde verkoop indien de verkoopopbrengst ten goede van haar komt. De verkoop van het pand aan HBB leidt dan ook niet tot enige betaling aan Elha. (...)’

2.9.

Op 30 juni 2017 is het faillissement van [gefailleerde] opgeheven. Er heeft geen uitkering plaatsgevonden aan concurrente schuldeisers.

3 Het geschil

3.1.

Elha vordert samengevat bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor recht te verklaren dat de curator onrechtmatig heeft gehandeld en de curator te veroordelen tot schadevergoeding aan Elha op te maken bij staat, met wettelijke rente vanaf 20 oktober 2020 of vanaf de datum van de dagvaarding en met veroordeling van de curator in de proceskosten.

3.2.

Elha legt daaraan het volgende ten grondslag. De curator heeft onrechtmatig gehandeld door het pandrecht van Elha niet te erkennen en/of vervolgens een nieuwe overeenkomst met HBB te sluiten met betrekking tot het Houthof-pand, waardoor het pandrecht van Elha teniet is gegaan. De curator heeft daarmee inbreuk gemaakt op de rechten van Elha, waardoor Elha schade heeft geleden. Als er geen nieuwe overeenkomst zou zijn gesloten, had Elha haar vordering op [gefailleerde] (deels) kunnen innen op basis van het door haar gevestigde pandrecht. In ieder geval had het pandrecht enige waarde en is deze waarde door de curator geheel teniet gedaan. Een deskundige kan de schade concreet vaststellen. De curator is persoonlijk aansprakelijk voor de schade van Elha.

3.3.

De curator is het hier niet mee eens en vindt dat de vordering van Elha moet worden afgewezen.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4 De beoordeling

5 De beslissing