Rechtbank Amsterdam, 10-08-2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:6773, C/13/735928 / KG ZA 23-571
Rechtbank Amsterdam, 10-08-2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:6773, C/13/735928 / KG ZA 23-571
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Amsterdam
- Datum uitspraak
- 10 augustus 2023
- Datum publicatie
- 1 december 2023
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2023:6773
- Zaaknummer
- C/13/735928 / KG ZA 23-571
Inhoudsindicatie
Kort geding. Integriteitsonderzoek bij een aanbesteding. Vorderingen afgewezen.
Uitspraak
vonnis
Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel
zaaknummer / rolnummer: C/13/735928 / KG ZA 23-571 HH/TF
Vonnis in kort geding van 10 augustus 2023
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
EGIS PARKING SERVICES B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
eiseres bij dagvaarding van 4 juli 2023,
advocaten mr. C.D. Nelemans en T. Meijlink te Amsterdam,
tegen
de publiekrechtelijke rechtspersoon
GEMEENTE AMSTERDAM,
zetelend te Amsterdam,
gedaagde,
advocaten mr. M.H. de Vries en mr. D.L. Sinaij te Amsterdam,
en
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
Q-PARK OPERATIONS NETHERLANDS VI B.V.,
gevestigd te Den Haag,
tussengekomen partij,
advocaten mr. B.J.H. Blaisse-Verkooijen en mr. E.C. Wolters te Haarlem.
Partijen zullen hierna EPS en de Gemeente en Q-Park worden genoemd.
1 De procedure
Voorafgaand aan de zitting van 25 juli 2023 heeft de Gemeente bij e-mail van 20 juli 2023 verzocht om een behandeling van dit kort geding achter gesloten deuren, zoals bedoeld in artikel 27 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
Partijen hebben bij aanvang van de zitting achter gesloten deuren hierover hun standpunt kunnen toelichten. Na verder debat heeft de voorzieningenrechter beslist dat de zitting openbaar is en heeft zij de deuren geopend.
Vervolgens is de door Q-Park voorafgaand aan de zitting ingediende akte incidentele conclusie tot tussenkomst, subsidiair voeging behandeld.
Op de zitting is aan deze partij toegestaan om tussen te komen, nu het verzoek aan de criteria voldoet en EPS en de Gemeente daartegen geen bezwaar hadden.
De voorzieningenrechter heeft voorts beslist dat op de eveneens voorafgaand aan de zitting door EPS ingediende incidentele vordering tot inzage in informatie op grond van artikel 843a Rv en/of artikel 22 Rv bij vonnis zal worden beslist. Nadat op de zitting is geconstateerd dat aan deze vordering deels is voldaan, hebben partijen debat gevoerd over of ook inzage moet worden gegeven in de overige verzochte informatie.
EPS heeft voorts de vorderingen zoals omschreven in de dagvaarding toegelicht. De Gemeente heeft verweer gevoerd. Q-Park heeft eveneens verweer gevoerd en gevorderd zoals hierna is vermeld. EPS op haar beurt heeft hierop gereageerd. EPS en de Gemeente hebben producties ingediend en alle partijen een pleitnota. Vonnis is bepaald op heden.
Ter zitting waren, voor zover van belang, aanwezig:
aan de kant van EPS: [naam 1] ( [functie 1] ) met mr. Nelemans en mr. Meijlink,
aan de kant van de Gemeente: [naam 2] ( [functie 2] ),
[naam 3] en [naam 4] met mr. De Vries en mr. Sinaij,
aan de kant van Q-Park: [naam 5] ( [functie 3] ), [naam 6] ( [functie 4] ) met mr. Blaisse-Verkooijen en mr. Wolters.
2 De feiten
EPS houdt zich bezig met het bedrijfsmatig uitvoeren van parkeerhandhaving en aanverwante dienstverlening voor overheden. Sinds 2016 voert zij – na een gewonnen aanbesteding – de parkeerhandhaving voor de Gemeente uit. Op 1 januari 2024 eindigt de opdracht.
In oktober 2022 is de Gemeente een Europese Niet-openbare procedure gestart voor parkeerdiensten. Het gaat om een aanbesteding waarop de Aanbestedingswet 2012 (Aw) van toepassing is. De Gemeente heeft op 23 december 2022 een Gunningsleidraad uitgebracht (hierna Leidraad).
De aanbesteding betreft een grote opdracht voor een periode van acht jaar, van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2031 en de minimale inschrijfsom bedraagt € 275 miljoen. De opdracht bestaat uit parkeerhandhaving, operationalisering van het vergunningenbeleid en beheer en onderhoud van de parkeerautomaten. In § 4.1 Leidraad staat dat de Gemeente de economisch meest voordelige inschrijving (EMVI) hanteert, op basis van de beste prijs-kwaliteitsverhouding als gunningscriterium. In § 4.3 Leidraad is vermeld dat de beoordeling van de kwaliteitsonderdelen van de inschrijvingen wordt uitgevoerd door de beoordelingscommissie, die onder meer bestaat uit een vertegenwoordiging van de directie Parkeren en fiscale ketenpartners. In deze paragraaf staat verder dat ieder lid de kwaliteitsonderdelen afzonderlijk beoordeelt en dat na individuele beoordeling de resultaten gezamenlijk met alle leden worden besproken onder leiding van een procesbegeleider, waarna op basis van consensus een unanieme waardering per kwalitatief gunningscriterium zal worden vastgesteld met een definitief scoringspercentage.
De beoordelingscommissie bestaat uit vijf leden.
Op 26 april 2023 heeft EPS ingeschreven op de opdracht. Ook Q-Park heeft een inschrijving ingediend. Daarnaast heeft nog één ander bedrijf een geldige inschrijving gedaan.
In de gunningsbeslissing van 14 juni 2023 heeft de Gemeente aan EPS meegedeeld dat haar inschrijving niet is aangemerkt als de economisch meest voordelige inschrijving en dat de Gemeente voornemens is de opdracht aan Q-Park te gunnen. Daarnaast staat in de gunningsbeslissing dat als EPS het niet eens is met deze beslissing binnen 20 kalenderdagen een kort geding bij deze rechtbank aanhangig kan worden gemaakt.
Bij brief van 30 juni 2023 heeft EPS bij de Gemeente een klacht ingediend over een (mogelijk) belangenconflict bij de aanbesteding. In de brief staat – kort gezegd – dat EPS op 15 juni 2023 door een medewerker van de Gemeente is geïnformeerd over mogelijke integriteitsrisico’s, nadat eerder een ander persoon daar ook al melding van had gemaakt. EPS heeft geschreven dat deze personen anoniem willen blijven en hebben meegedeeld dat in de beoordelingscommissie één persoon zou zitten die (te) nauwe banden heeft met Q-Park en dat een directeur van de Gemeente op 11 mei 2023 op excursie naar Q-Park in Maastricht is geweest. EPS heeft in de brief de Gemeente ten eerste verzocht om onderzoek te doen naar mogelijke integriteitsrisico’s die uit deze informatie volgt en de gevolgen voor de beoordeling van de inschrijvingen. Ten tweede heeft EPS de Gemeente om informatie verzocht.
EPS heeft in de voornoemde brief verwezen naar [naam 4] , [functie 5] , hierna medewerker A, en [naam 3] , [functie 6] , hierna medewerker B. Medewerker A is lid van de beoordelingscommissie en medewerker B [functie 6] en heeft de gunningsbeslissing van 14 juni 2023 ondertekend.
Op 3 juli 2023 heeft de Gemeente aan EPS bericht dat zij haar brief van 30 juni 2023 in behandeling zal nemen en de klacht wordt beoordeeld.
Een verklaring van 3 juli 2023 van [naam 7] (hierna [naam 7] ), directielid van EPS luidt, voor zover van belang, als volgt:
“Korte samenvatting zoals ik het mij herinner:
Na afloop van de Workshop EPS met ketenpartners en Ombudsman Metropool, op maandag 16 januari 2023. Locatie (...) maakte ik kennis met [medewerker A].
Tijdens deze introductie besproken wij kort ons beider arbeidsverleden, waarbij ik aangaf geen directe werkervaring te hebben mbt. (lokale) overheid; hierop reageerde [medewerker A]; “Ik heb mijzelf ook nooit gezien als ambtenaar en ben altijd in een commerciële omgeving werkzaam geweest, bovendien kom ik uit een ondernemersgezin, waarbij mijn vader en broer werkzaam zijn in de parkeergarage branche.”
Hierbij meen ik mij te herinneren dat zij refereerde aan P1 in relatie tot vader-broer-garage branche; ik ben hier echter niet 100% zeker van.”
Op 4 juli 2023 heeft de Gemeente aan EPS bericht dat het haar niet duidelijk is waarop de klacht over mogelijke belangenverstrengeling is gebaseerd, maar dat zij deze desondanks heeft voorgelegd aan het Bureau Integriteit.
In een brief van 20 juli 2023 heeft (de advocaat van) de Gemeente aan EPS meegedeeld dat het Bureau Integriteit heeft geoordeeld dat er op basis van de door EPS aangedragen informatie geen sprake is van een concreet vermoeden van één of meer integriteitsschendingen De advocaat van de Gemeente heeft vervolgens uiteengezet waarom volgens de Gemeente geen sprake is van belangenverstrengeling.
De twee door EPS in het geding gebrachte ongedateerde en anonieme verklaringen van personen die volgens EPS hebben geklaagd, luiden, voor zover van belang, als volgt:
“Het belangrijkste wat ik aan te merken heb op het verloop van de aanbesteding is dat het gunningsproces in mijn ogen niet eerlijk is verlopen. Mijn zorg ziet op de onpartijdigheid van de beoordeling. Naar mijn weten hebben 4 mensen de concrete beoordelingen gedaan, waarvan 1 persoon [medewerker A] kort geleden nog voor de markt werkte en het binnen de gemeente breed bekend is dat zij warme banden heeft met parkeerbedrijf P1/Q-Park. Gezien haar werkverleden kan ik me niet voorstellen dat zij alle partijen gelijk heeft beoordeeld. (...)”
en:
“Het vermoeden is dat [medewerker A] familie is van en leverancier van parkeerapparatuur.
[Medewerker A] heeft aangegeven aan mij dat zij familie is van een grote organisatie die parkeerapparatuur verkoopt en hiermee indirecte connecties zou kunnen hebben met de mogelijke nieuwe partij die de tijdelijke gunning heeft gekregen voor het overkoepelde contract parkeerhandhaving van de gemeente Amsterdam
(...)
ik twijfel niet aan de integriteit van [medewerker A] maar, vindt dat iedere mogelijke kans tot een belangenverstrengeling weg genomen moet worden. (...)”
3 Het geschil
EPS vordert – samengevat – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
1. de Gemeente te gebieden binnen 14 dagen na dit vonnis diepgaand onderzoek te (laten) starten naar mogelijke belangenverstrengeling binnen de aanbesteding, om binnen een redelijke termijn aan de hand van de onderzoekresultaten te bepalen of en, zo ja, welke maatregelen door de Gemeente moeten worden getroffen voor de aanbesteding;
2. de Gemeente te gebieden de standstill-termijn voor verdere afwikkeling van de aanbesteding uit te stellen totdat a) het onderzoek onder 1 is afgerond en b) de onderzoeksresultaten kenbaar zijn gemaakt aan de inschrijvers en aan hen opnieuw een termijn van tenminste 20 kalenderdagen is geven om hun juridische bezwaren tegen de nieuwe gunningsbeslissing kenbaar te maken, althans gedurende deze periode onder deze voorwaarden de Gemeente te verbieden gevolg te geven aan haar voornemen tot gunning aan Q-Park.
Tot slot vordert EPS de Gemeente te veroordelen in de proceskosten (inclusief nakosten), te vermeerderen met de wettelijke rente.
EPS legt het volgende aan haar vordering ten grondslag.
De Gemeente is gehouden een integriteitsonderzoek te doen naar aanleiding van de gesignaleerde integriteitsrisico’s bij deze aanbesteding. Doel van het onderzoek is om vast te stellen of sprake is van belangenverstrengeling in de zin van artikel 1.10b Aw en of er maatregelen moeten worden getroffen. Het leidend arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU 12 maart 2015), zaak C-538/13 (eVigilo) moet daarbij worden gevolgd.
De Gemeente voert – samengevat – als verweer, dat uit haar onderzoek is gebleken dat de aantijgingen van EPS onjuist zijn en er geen sprake is van objectieve gegevens op grond waarvan aan de onpartijdigheid van medewerker A en medewerker B kan worden getwijfeld. Er is dus geen reden voor nader onderzoek.
De vorderingen moeten worden afgewezen.
Q-Park vordert, samengevat:
1. EPS niet-ontvankelijk te verklaren in haar vorderingen, althans haar vorderingen af te wijzen, althans te ontzeggen;
2. de Gemeente te gebieden de gunningsbeslissing in stand te houden en te gebieden deze opdracht aan Q-Park te gunnen, en
3. EPS te gebieden om te gehengen en te gedogen dat de Gemeente definitief met Q-Park een overeenkomst sluit voor de voorlopig gegunde opdracht.
Tot slot vordert Q park EPS te veroordelen in de proceskosten (inclusief nakosten), te vermeerderen met de wettelijke rente.
Q-Park legt het volgende aan haar vorderingen ten grondslag.
Aan de kant van EPS is sprake van ongefundeerde verdenkingen en verdachtmakingen die niet tot uitstel van gunning mogen leiden. Objectieve gegevens die maken dat er twijfel is over de integriteit van de gemeentelijke ambtenaren in kwestie bestaat, ontbreken. Er is geen reden voor een diepgaand onderzoek.
EPS voert hiertegen verweer, dat hiervoor onder 3.2 aan de orde is gekomen.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.