Home

Rechtbank Amsterdam, 14-12-2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:8108, C/13/734524 / HA RK 23-180

Rechtbank Amsterdam, 14-12-2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:8108, C/13/734524 / HA RK 23-180

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14 december 2023
Datum publicatie
12 januari 2024
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2023:8108
Zaaknummer
C/13/734524 / HA RK 23-180

Inhoudsindicatie

Ontbinding van een stichting continuïteit wordt toegewezen. Het statutaire doel kan niet meer worden bereikt. Er is geen sprake van een familievennootschap en de beschermingsgedachte is achterhaald. Het doel komt niet voor wijziging in aanmerking.

Uitspraak

Civiel recht

Zaaknummer / rekestnummer: C/13/734524 / HA RK 23-180

Beschikking van 14 december 2023

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid,

1. [verzoeker 1] B.V.,

gevestigd te [plaats1],2. [verzoeker 2],

wonende te [plaats1],

verzoekende partijen (hierna: [verzoeker 1] en [verzoeker 2]),

advocaat: mr. B.W. Brouwer te Amsterdam,

tegen

de stichting,

1. [stichting continuïteit],

gevestigd te [plaats1],

belanghebbende (hierna: [stichting continuïteit]),

wonende te [plaats2],

3. [onafhankelijk bestuurder 2],

wonende te [plaats1],

verweerders (hierna: [onafhankelijk bestuurder 1] en [onafhankelijk bestuurder 2]),

advocaat: mr. I. Wassenaar te Amsterdam,

wonende te [plaats1],

verweerder (hierna: [zoon]),

advocaat: mr. J.W. Leedekerken te Amsterdam.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift van 2 juni 2023,

- de tussenbeschikking van 20 juli 2023 waarin een mondelinge behandeling is bepaald,

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 18 oktober 2023 en de daarin vermelde stukken,

- de brief van 8 november 2023 namens [verzoeker 1] en [verzoeker 2] met opmerkingen bij het proces-verbaal en de reacties daarop namens [onafhankelijk bestuurder 1] en [onafhankelijk bestuurder 2] respectievelijk [zoon].

2 De feiten

2.1.

Voordat [verzoeker 1] bestond, dreef de gelijknamige vennootschap [vastgoedbedrijf 1] B.V. (hierna: [vastgoedbedrijf 1]) een onderneming in de projectontwikkeling en het beheer van onroerend goed. Dat deed zij vanaf haar oprichting in 1959 door de inmiddels overleden [vader] (hierna: [vader]).

2.2.

De kinderen van [vader] zijn [verzoeker 2], [broer] (hierna: [broer]) en [zus] (hierna: [zus]).

2.3.

In 2013 vormden [vader] en [verzoeker 2] samen het bestuur van [vastgoedbedrijf 1]. De aandelen in [vastgoedbedrijf 1] waren toen als volgt verdeeld:

-

[verzoeker 2], [broer] en [zus] hadden ieder een minderheidsbelang van 31,05%, grotendeels verkregen uit de nalatenschap van hun moeder,

-

[vader] had nog een aandelenbelang van 5,03%,

-

een groep derden, door partijen en hierna ook wel ‘outsiders’ genoemd, beschikten over 1,82% van de aandelen.

2.4.

De familieverhoudingen waren niet altijd innig. Om te voorkomen dat tussen [verzoeker 2], [broer] en [zus] een situatie ontstond waarin twee aandeelhouders de derde broer of zus zouden kunnen overstemmen bij ingrijpende beslissingen, zonder dat de continuïteit van [vastgoedbedrijf 1] als familievennootschap daarmee zou zijn gediend, zijn [vader] en [verzoeker 2] na (fiscaal) advies van [onafhankelijk bestuurder 1] overgegaan tot de oprichting van [stichting continuïteit] als onderdeel van een beschermingsconstructie.

2.5.

De beschermingsconstructie zat als volgt in elkaar. [vastgoedbedrijf 1] gaf prioriteitsaandelen uit aan [stichting continuïteit], waarmee [stichting continuïteit] een doorslaggevende meerderheid van 51% van de stemrechten in de aandeelhoudersvergadering van [vastgoedbedrijf 1] vertegenwoordigde. De prioriteitsaandelen kenden slechts een gering winstrecht; het overgrote deel van de winst ging naar de gewone aandeelhouders. In het bestuur van [stichting continuïteit] zetelden naast [vader], [verzoeker 2], [broer] en [zus], ook twee niet-familieleden die door partijen en hierna de ‘onafhankelijke bestuurders’ worden genoemd. Deze onafhankelijke bestuurders waren [onafhankelijk bestuurder 1] en [onafhankelijk bestuurder 2]. Door hun betrokkenheid konden [verzoeker 2], [broer] en [zus] uitsluitend met de goedkeuring van alle familieleden of met de goedkeuring van de twee onafhankelijke bestuurders een besluit nemen in de aandeelhoudersvergadering van [vastgoedbedrijf 1].

2.6.

In de statuten van [stichting continuïteit] staat onder meer het volgende:

DOEL

Artikel 2

1. De stichting heeft ten doel het bevorderen van de continuïteit als familievennootschap van [vastgoedbedrijf 1] B.V. en de met haar in een groep verbonden vennootschap(pen).

(...)

BESTUUR

Artikel 3.

1. Het bestuur van de stichting bestaat uit een door het bestuur vast te stellen aantal van ten minste drie personen. Van het bestuur dient de kleinst mogelijke meerderheid te bestaan uit de hierna omschreven partners, waaronder ten minste een bloedverwant in de rechte nederdalende lijn van de oprichter [[vader], Rb], en de grootst mogelijke minderheid uit de hierna omschreven bestuurders buiten de familie (...).

Onder partner wordt in deze statuten verstaan de bloedverwanten in de rechte nederdalende lijn van de oprichter [[vader], Rb], dan wel de echtgenoot of geregistreerd partner van een zodanige bloedverwant, dan wel de persoon met wie een zodanige bloedverwant een notarieel samenlevingsovereenkomst is aangegaan en met wie hij staat ingeschreven op hetzelfde woonadres in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens of een daarmee naar aard en strekking overeenkomende administratie buiten Nederland. Onder bestuurders buiten de familie worden verstaan personen die geen partner zijn, en evenmin aanverwant zijn van een zodanige partner.

(...)

ONTBINDING

Artikel 10.

(...)

4. De bestuurders zijn de vereffenaars van het vermogen van de stichting. (...)

5. Een eventueel batig saldo van de ontbonden stichting wordt voor een door het bestuur te bepalen doel bestemd dat zoveel mogelijk in overeenstemming is met het doel van de stichting.

(...)’

2.7. [

vader] overleed op 3 oktober 2018, waarna zijn 5,03%-belang in [vastgoedbedrijf 1] door [verzoeker 2] is verkregen.

2.8.

Op 3 januari 2019 verkreeg [verzoeker 2] het 31,05%-aandelenbelang van [broer] in [vastgoedbedrijf 1] ter uitvoering van een (uit)koopovereenkomst. [broer] is in het bestuur van [stichting continuïteit] opgevolgd door [zoon], de zoon van [verzoeker 2].

2.9.

Op 31 juli 2019 werd [vastgoedbedrijf 1] op initiatief van [verzoeker 2] en [zus] gesplitst met toepassing van artikel 2:334cc BW (hierna: de ruziesplitsing), waaruit [verzoeker 1] en [vastgoedbedrijf 2] B.V. (hierna: [vastgoedbedrijf 2]) ontstonden. De onafhankelijk bestuurders stonden hier afkeurend tegenover, maar werden overstemd doordat de op dat moment in [stichting continuïteit] zetelende familieleden eensgezind waren. [vastgoedbedrijf 1] hield op te bestaan, maar haar onderneming werd opgeknipt voortgezet na een verdeling van de vastgoedportefeuille tussen [verzoeker 1] en [vastgoedbedrijf 2]. [verzoeker 1] en [vastgoedbedrijf 1] zijn dus twee verschillende entiteiten.

2.10. [

zus] houdt alle aandelen in [vastgoedbedrijf 2]. In het [stichting continuïteit]-bestuur is zij opgevolgd door [levenspartner] (hierna: [levenspartner]), de partner van [verzoeker 2].

2.11. [

zus] wilde niet dat [stichting continuïteit] prioriteitsaandelen verkreeg in [vastgoedbedrijf 2]. [verzoeker 2] en [zus] zijn daarom op (fiscaal) advies van [onafhankelijk bestuurder 1] een boeteclausule aangegaan op basis waarvan de één aan de ander een boete van € 100 miljoen zou zijn verschuldigd indien hij of zij binnen drie jaar na de ruziesplitsing de aandelen in de afgesplitste vennootschap of 30% van de betreffende vastgoedportefeuille zou vervreemden. Het doel hiervan was te voorkomen dat de fiscale vrijstellingen waarvan gebruik werd gemaakt alsnog zouden komen te vervallen, indien de fiscus de splitsing van de onderneming van [vastgoedbedrijf 1] en de overdracht van het vastgoed niet langer als ruziesplitsing zou kwalificeren.

2.12. [

verzoeker 2] houdt 97,35% van de gewone aandelen in [verzoeker 1]. De outsiders hebben tezamen 2,65%. [verzoeker 2] heeft ervoor gekozen om [stichting continuïteit] boven [verzoeker 1] te plaatsen uit fiscale overwegingen, namelijk om voor de duur van in ieder geval drie jaar (de ‘driejaarstermijn’) naar de fiscus toe de schijn op te houden dat hetzelfde bedrijf werd gecontinueerd, vanwege de fiscale vrijstellingen waarvan gebruik werd gemaakt (zoals bijvoorbeeld beschreven onder 2.11). [stichting continuïteit] houdt alle prioriteitsaandelen in [verzoeker 1] waarmee zij wederom 51% van de stemrechten vertegenwoordigt, dit keer in [verzoeker 1].

2.13.

In de statuten van [verzoeker 1] is onder meer het volgende opgenomen:

BLOKKERINGSREGELING

GOEDKEURINGSREGELING

Artikel 16.

1. Indien een aandeelhouder, waaronder begrepen de vennootschap bij verkoop van ingekochte aandelen, aandelen wil overdragen, of als aandelen krachtens een door een aandeelhouder gemaakt legaat worden overgedragen, behoeft een dergelijke overdracht, wil zij geldig zijn, de goedkeuring van de prioriteit, met dien verstande dat een aandeelhouder zijn aandelen vrijelijk mag overdragen:

  1. an [[verzoeker 2], Rb],

  2. aan de bloedverwanten in rechte lijn onbeperkt van [[verzoeker 2], Rb],

  3. aan de te Roermond gevestigde stichting: Stichting Natura Africae, (...)’

2.14.

Het huidige bestuur van [stichting continuïteit], bestaande uit [verzoeker 2], [zoon], [levenspartner], [onafhankelijk bestuurder 1] en [onafhankelijk bestuurder 2], stemt niet in met het voorstel van [verzoeker 2] om [stichting continuïteit] te ontbinden.

3 Het verzoek en het verweer

3.1. [

verzoeker 1] en [verzoeker 2] verzoeken dat de rechtbank bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad:

I [stichting continuïteit] ontbindt,

II als vereffenaar van het vermogen van [stichting continuïteit] benoemt primair [verzoeker 2] en subsidiair een onafhankelijke derde,

III de vereffenaar de instructie geeft om de prioriteitsaandelen in het vermogen van [stichting continuïteit] enkel aan [verzoeker 1] te verkopen,

IV [stichting continuïteit] te veroordelen in de proceskosten.

3.2.

Het verzoek is gegrond op artikel 2:301 lid 1 aanhef en onder b BW. Kort gezegd stellen [verzoeker 1] en [verzoeker 2] ten aanzien van de verzochte ontbinding het volgende. Het statutaire doel van [stichting continuïteit] is tenietgegaan: [stichting continuïteit] is een achterhaalde beschermingsconstructie ten behoeve van [vastgoedbedrijf 1]. Die vennootschap bestaat niet meer. [verzoeker 1], waarvan [stichting continuïteit] de prioriteitsaandelen houdt, is geen familievennootschap en ook fiscaal gezien is er geen enkele reden meer om de huidige structuur te handhaven. [stichting continuïteit] is bovendien contraproductief, omdat het nog slechts een administratieve last en kostenpost vormt door voornamelijk de jaarlijkse bestuurdersbeloningen van € 25.000 voor [onafhankelijk bestuurder 1] en [onafhankelijk bestuurder 2]. [stichting continuïteit] vormt een risico voor fiscaal (boeken)onderzoek, wat zou worden beperkt als [verzoeker 2] zonder op schrift genotuleerde vergaderingen eigenhandig kan beslissen. Daarnaast zijn de onderlinge verhoudingen in het bestuur van [stichting continuïteit] verstoord, waardoor de samenwerking moeizaam verloopt ten nadele van [verzoeker 1]. Aangezien [vastgoedbedrijf 1] niet meer bestaat en [verzoeker 1] geen familievennootschap is, kan ook niet met een wijziging van het statutaire doel van [stichting continuïteit] worden aangesloten bij de originele oprichtersbedoeling, aldus steeds [verzoeker 1] en [verzoeker 2].

3.3. [

onafhankelijk bestuurder 1], [onafhankelijk bestuurder 2] en [zoon] voeren verweer en concluderen tot primair afwijzing van de verzoeken en subsidiair, ingeval [stichting continuïteit] wordt ontbonden, de benoeming van het huidige [stichting continuïteit]-bestuur tot vereffenaars. In beide gevallen verlangen zij een proceskostenveroordeling van [verzoeker 1] en [verzoeker 2], met wettelijke rente vanaf veertien dagen na dagtekening van deze beschikking.

3.4.

Ten aanzien van de verzochte ontbinding, voeren [onafhankelijk bestuurder 1] en [onafhankelijk bestuurder 2] – samengevat – het volgende aan. [stichting continuïteit] is geen loze instelling en handelt nog steeds naar haar doelomschrijving. [stichting continuïteit] is opgericht om in het belang van de familie Verhagen, inclusief opvolgende generaties, de continuïteit van de onderneming als familievennootschap te waarborgen. De rol en positie van [stichting continuïteit] ten opzichte van [vastgoedbedrijf 1] werd één-op-één gehandhaafd bij [verzoeker 1] met dezelfde bevoegdheden, waarbij [verzoeker 1] dezelfde core business heeft als [vastgoedbedrijf 1]. [stichting continuïteit] is dus doelbewust voortgezet als beschermingsconstructie van [verzoeker 1]. De vrees bestaat dat [verzoeker 2] [verzoeker 1] in de nabije toekomst wil verkopen. Het tegengaan van een verkoop of opsplitsing van [verzoeker 1] waarbij de continuïteit van de onderneming niet is gewaarborgd, raakt aan de kern van het doel van [stichting continuïteit]. Er is geen plotselinge noodzaak voor een gerechtelijke ontbinding zonder eerst het gesprek te voeren over het voortbestaan van [stichting continuïteit] in aangepaste vorm of een andere constructie waarbij de toekomst van [verzoeker 1] en de positie van [zoon] als opvolgende generatie van de familie Verhagen worden gewaarborgd, aldus steeds [onafhankelijk bestuurder 1] en [onafhankelijk bestuurder 2].

3.5. [

zoon] voert hoofdzakelijk als volgt verweer ten aanzien van de verzochte ontbinding. Een gerechtelijke ontbinding van een stichting is een ultimum remedium. [broer] en [zus] zijn dan wel niet meer betrokken bij de familievennootschap, maar [zoon] is ook familie. Het gedachtegoed van [vader] was dat de familievennootschap zou worden voortgezet door opvolgende generaties. Als [stichting continuïteit] wordt ontbonden is het zeer wel denkbaar dat de familievennootschap in vreemde handen komt. Onderhavig ontbindingsverzoek is dan ook precies waarvoor [stichting continuïteit] in 2014 in het leven is geroepen. [stichting continuïteit] kan haar doel nog steeds behalen en gebruikt daarvoor haar bevoegdheden zoals haar stemrecht in [verzoeker 1] en het goedkeuringsrecht dat [stichting continuïteit] als prioriteit heeft bij inkoop of vervreemding van aandelen in [verzoeker 1]. Op deze wijze waarborgt [stichting continuïteit] de continuïteit van de familievennootschap, zodat [zoon] ervan is verzekerd dat hij [verzoeker 1] in de toekomst door erfopvolging zal verkrijgen. Bovendien is een wijziging van het statutaire doel mogelijk aangezien de statuten in wijziging voorzien, aldus steeds [zoon].

4 De beoordeling

5 De beslissing