Rechtbank Amsterdam, 04-04-2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:1948, C/13/739757 / HA ZA 23-860
Rechtbank Amsterdam, 04-04-2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:1948, C/13/739757 / HA ZA 23-860
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Amsterdam
- Datum uitspraak
- 4 april 2024
- Datum publicatie
- 19 april 2024
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2024:1948
- Zaaknummer
- C/13/739757 / HA ZA 23-860
Inhoudsindicatie
Rekeninghouder beoogde te handelen in cryptovaluta en werd slachtoffer van oplichting. Hij maakte gelden over naar een Litouwse bankrekening die op zijn eigen naam was geopend. Fraude speelde zich af buiten gezichtsveld bank. Geen zorgplichtschending. Geen subjectieve wetenschap van ongebruikelijke transacties. Artikelen 3:10 en 3:17 Wft en artikel 14 Bpr.
Uitspraak
vonnis
Afdeling privaatrecht
zaaknummer / rolnummer: C/13/739757 / HA ZA 23-860
Vonnis van 27 maart 2024
in de zaak van
[eiser] ,
wonende te [woonplaats] ,
eiser,
advocaat mr. H.J. Tulp te Drachten,
tegen
de naamloze vennootschap
ABN AMRO BANK N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde,
advocaat mr. J.W. Achterberg te Amsterdam.
Partijen worden hierna [eiser] en de bank genoemd.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
-
de dagvaarding van 18 september 2023, met producties;
- -
-
de conclusie van antwoord, met producties;
- -
-
het tussenvonnis van 6 december 2023, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald;
- -
-
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 14 februari 2023 en de daarin genoemde stukken.
2 De feiten
[eiser] heeft (sinds 1977) een betaalrekening bij de bank (hierna: de bankrekening).
In maart 2021 is [eiser] door een derde benaderd voor het investeren in cryptovaluta. [eiser] heeft een persoon, die zich voordeed als de heer [naam] (hierna: [naam] ), toestemming gegeven en in staat gesteld om namens hem te handelen op online handelsplatformen in cryptovaluta.
Op aanwijzing van [naam] heeft [eiser] in de periode van 20 april 2021 tot en met 17 juli 2021 vanaf de bankrekening 27 maal een bedrag overgemaakt naar een rekening van Transactive Systems UAB, een electronic money institution, gevestigd te Litouwen (hierna: TS). Het gaat om een totaalbedrag van € 242.725. Deze rekening (hierna: de Litouwse rekening) stond op naam van [eiser] . TS beschikte in die periode over een bankvergunning van de centrale bank van Litouwen.
TS levert functies aan crypto.com, een online platform voor cryptovaluta, waaronder de mogelijkheid om betalingen te ontvangen van Europese klanten. Crypto.com is een handelsnaam van de rechtspersoon naar buitenlands recht Foris Dax MT Ltd.
[eiser] verkeerde in de veronderstelling dat hij – via [naam] – een account had geopend bij crypto.com, met als doel bitcoins aan te kopen, die om te zetten in euro’s en daarmee investeringen te doen. [eiser] ging ervan uit dat hij vervolgens met de bedragen die hij naar de Litouwse rekening had overgemaakt, via [naam] en andere kanalen, bitcoins had aangeschaft.
In totaal zijn in 2021 bedragen van ongeveer € 57.000 (april), € 45.000 (mei), € 138.000 (juni) en € 108.000 (juli) overgemaakt van de bankrekening naar de Litouwse rekening.
Op 8 juni 2021 genereerde het transactiemonitoringssysteem van de bank een ‘alert’. Deze alert is door een analist van bank als not fraud beoordeeld en heeft niet tot nader onderzoek van de bank geleid.
Op 17 juli 2021 ontdekte [eiser] dat hij slachtoffer was geworden van fraude. De in 2.6 genoemde bedragen zijn terechtgekomen in het criminele circuit en [eiser] heeft daarvan niets teruggezien.
3 Het geschil
[eiser] heeft – kort gezegd – gevorderd dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
-
voor recht verklaart dat de bank jegens hem is tekortgeschoten in de nakoming van (buiten)contractuele zorgverplichtingen en jegens hem aansprakelijk is voor de door hem als gevolg daarvan geleden schade;
-
de bank veroordeelt tot vergoeding van de door [eiser] geleden en nog te lijden schade, primair ten bedrage van € 242.725, te vermeerderen met het gederfde rendement, althans de wettelijke rente, daarover, subsidiair nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
-
de bank veroordeelt in de buitengerechtelijke kosten en de proceskosten.
[eiser] heeft aan zijn vordering – kort gezegd – het volgende ten grondslag gelegd.
De bank is jegens hem tekortgeschoten in de nakoming van haar (buiten)contractuele verplichtingen doordat haar transactiemonitoringssysteem stil bleef toen er, in weerwil van de in de 44 jaren daarvoor ontstane gebruikelijke praktijk, op zijn betaalrekening, ineens in korte tijd enkele tonnen euro’s van die rekening naar de Litouwse bankrekening werden overgemaakt. De omvang en frequentie van de betalingen hadden de bank moeten opvallen, alsook dat de ‘geaggregeerde bedragen’ werden overgemaakt naar een bankrekening in Litouwen. Litouwen staat al jaren bovenaan de lijstjes van landen waarin veel financiële criminaliteit plaatsvindt. TS stond in 2021 onder toezicht en was ook al een keer in het nieuws gekomen vanwege criminele activiteiten.
Dit alles had tot alerts in het transactiemonitoringssysteem van de bank en nader onderzoek moeten leiden, zo niet al vanaf 30 april 2021 dan in ieder geval op 21 juni 2021. De bank wist, althans behoorde te weten, dat de betaalrekening mogelijk werd gebruikt voor handelingen die in strijd zijn met de uitoefening van een integer bedrijf. Op grond van de alert van 8 juni 2021 had de bank maatregelen moeten nemen.
De bank heeft hiermee in strijd gehandeld met artikelen 3:10 en 3:17 van de Wet op het financieel toezicht, de artikelen 10 en 14 van het Besluit prudentiële regels Wft en de in het maatschappelijk verkeer vereiste zorgvuldigheid. De bank heeft de verplichting om afwijkende en ongebruikelijke transactiepatronen te detecteren en dit moet zij per specifieke klant doen. Wat afwijkend is, moet worden bepaald aan de hand van het normale patroon van die klant/rekening.
De schade van [eiser] bestaat uit de som van alle overgemaakte bedragen, plus rente.
De bank heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vordering en daartoe – ook kort gezegd – het volgende aangevoerd. Op de bankrekening heeft geen fraude plaatsgevonden, want [eiser] maakte geld over naar zichzelf. De bank betwist dat zij enige zorgplicht jegens [eiser] heeft geschonden en wijst op de verplichting om gevolg te geven aan betaalopdrachten van [eiser] (artikel 7:533 lid 4 Burgerlijk Wetboek (BW)). De oplichting speelde zich volledig buiten het gezichtsveld van de bank af. Er was bij de bank dus geen sprake van (objectieve of subjectieve) wetenschap van fraude. De betreffende betaalopdrachten betroffen geen evident ongebruikelijke transacties maar door [eiser] uitdrukkelijk beoogde, legitieme transacties in het kader van de door hem gewenste aankoop van bitcoins op een wereldwijd bekend handelsplatform en vielen buiten de parameters om een nader onderzoek te starten.
[eiser] komt geen rechtstreeks beroep toe op het al dan niet deugdelijk functioneren van het transactiemonitoringssysteem van de bank. Dit is gericht op voorkoming van witwassen en terrorismefinanciering en niet bedoeld om klanten te beschermen tegen vermogensschade.
De bank betwist verder het causaal verband tussen de gestelde zorgplichtschending en schade. Tot slot doet de bank een beroep op eigen schuld van [eiser] .
De rechtbank zal hierna, voor zover van belang, ingaan op de stellingen van partijen.