Home

Rechtbank Amsterdam, 08-05-2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:2633, C/13/735014 / HA ZA 23-553

Rechtbank Amsterdam, 08-05-2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:2633, C/13/735014 / HA ZA 23-553

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
8 mei 2024
Datum publicatie
17 mei 2024
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2024:2633
Zaaknummer
C/13/735014 / HA ZA 23-553

Inhoudsindicatie

Consumentenbescherming tegen de opzegging van een bankrelatie. Bij gebrek aan een opzeggingsgrond zoals limitatief opgesomd in de wet, kan de opzegging geen stand houden voor wat betreft het leveren van basisbetaaldiensten.

Uitspraak

Civiel recht

Zaaknummer: C/13/735014 / HA ZA 23-553

Vonnis van 8 mei 2024

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eisende partij (hierna: [eiser]),

advocaat: mr. M. Pinarbasi-Ilbay te Amsterdam,

tegen

de naamloze vennootschap,

ING BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde partij (hierna: de Bank),

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 14 juni 2023 met producties 1 tot en met 14, - de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 8, - het tussenvonnis van 11 oktober 2023 waarin een mondelinge behandeling is bepaald,

- het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 23 januari 2024 en de daarin genoemde stukken,

- het e-mailbericht van de rechtbank van 1 februari 2024 met een artikel 22 Rv-verzoek om een nadere toelichting met stukken bij aktewisseling,

- de akte toelichting van de Bank,

- de akte toelichting van [eiser] ,

- de antwoordakte van de Bank,

- het e-mailbericht van mr. Pinarbasi van 15 maart 2024 waarmee zij afziet van een antwoordakte.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] bankierde bij de Bank met de volgende producten:

-

een betaalrekening voor studenten,

-

een oranjespaarrekening,

-

een creditcard.

2.2.

Het minderjarige zusje van [eiser] , [naam] , is meervoudig gehandicapt. Vanaf 3 december 2019 kreeg zij vanuit de Wet langdurige zorg (Wlz) een persoonsgebonden budget (het PGB-budget) van het Zilveren Kruis Zorgkantoor (hierna: het Zorgkantoor).

2.3.

In een modelzorgovereenkomst, getekend op 1 februari 2018, is bepaald dat [eiser] met ingang van 31 september 2018 iedere dag van de week zorg zou verlenen aan haar zusje voor 3 uur en 21 minuten per dag tegen € 19,95 per uur.

2.4.

[eiser] declareerde € 63.390,45 over 2018 en € 71.788 over 2019 om aan zichzelf te laten uitkeren uit het PGB-budget, waarna zij dit op haar studentenrekening ontving. Op haar studentenrekening ontving [eiser] ook studiefinanciering van Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) en inkomen uit een bijbaan.

2.5.

Over de periode 30 april 2019 tot en met 17 september 2019 nam [eiser] diverse keren contante bedragen van haar rekening op, variërend tussen € 3.000 en € 10.000.

2.6.

De geldwisselingen op [eiser] studentenrekening zijn de Bank in haar periodieke klantonderzoek opgevallen, waarna de Bank vanaf 7 oktober 2019 [eiser] om uitleg vroeg bij de transacties.

2.7.

Nadat een reactie van [eiser] op vragen van de Bank uitbleef, heeft de Bank de studentenrekening per 6 november 2019 geblokkeerd. [eiser] opende vervolgens een nieuwe bankrekening die de Bank daarna ook heeft geblokkeerd.

2.8.

[eiser] heeft vervolgens uitleg gegeven aan de Bank over het ontvangen van PGB-gelden op haar studentenrekening en haar uitgaven.

2.9.

De Bank vond de antwoorden van [eiser] onvoldoende geruststellend en heeft per brief van 2 maart 2020 de volledige bankrelatie opgezegd per 2 juni 2020, met een opname van [eiser] persoonsgegevens in het interne verwijzingsregister (IVR) en de interne gebeurtenissenadministratie van de Bank.

2.10.

[eiser] heeft daarna de interne klachtenprocedure van de Bank zonder succes doorlopen. Bij brief van 24 juli 2020 deelde de Bank mee de opzegging te handhaven. Reden daarvoor was dat de contante opnames niet voldoende zijn geverifieerd en er gelden zijn aangewend voor andere bestedingen dan zorg, zoals (achterstanden van) hypotheekaflossingen van [eiser] ouders, onderhandse leningen, de aanschaf van een auto en een geplande studie in Turkije, wat eenmaal daar aangekomen een vakantie werd.

2.11.

Bij beschikking van 14 september 2020 heeft het Zorgkantoor de PGB-toekenning aan [eiser] zusje per 1 oktober 2020 stopgezet. Vervolgens heeft de advocaat van [eiser] namens (de wettelijk vertegenwoordigers van) [eiser] zusje bezwaar gemaakt, welk bezwaar bij beslissing op bezwaar van 29 april 2021 ongegrond is verklaard. Het Zorgkantoor overwoog dat:

-

er meer zorg was gedeclareerd dan waarvoor een zorgovereenkomst bestond, ondanks herhaaldelijke verzoeken aan de budgethouder ( [eiser] zusje) om een wijzigingsovereenkomst op te stellen;

-

het aantal gedeclareerde uren het maximum van 40 uur per week zorgwerkzaamheden uit de Arbeidstijdenwet heeft overschreden met in totaal 1.355 uur, reden waarom een daarmee corresponderend bedrag van € 27.100 van [eiser] wordt teruggevorderd.

2.12.

Vervolgens heeft de advocaat van [eiser] namens (de wettelijk vertegenwoordigers van) [eiser] zusje tegen de beslissing op bezwaar beroep aangetekend bij de bestuursrechter. Deze procedure liep nog tijdens de mondelinge behandeling in deze civiele zaak.

2.13.

Om te kunnen blijven bankieren heeft [eiser] een bankrekening geopend bij de in Spanje gevestigde Open Bank S.A. (hierna: OB).

2.14.

Nadat het resterende saldo van [eiser] van € 44.726,73 was gestort op haar OB-rekening, is haar bankrelatie bij de Bank per 18 september 2020 definitief beëindigd.

2.15.

Op 28 april 2023 heeft [eiser] de Bank verzocht de opzegging van de bankrelatie te heroverwegen. De Bank heeft in reactie, op 3 mei 2023, geschreven dat [eiser] een aanvraag kan indienen voor een convenantrekening (waarbij een hulpverlenende instantie kan meekijken) als die vergezeld gaat met gemotiveerde afwijzingsbrieven van andere banken, waarna die aanvraag zal moeten worden beoordeeld.

2.16.

Op 22 januari 2024 heeft het Zorgkantoor aan [eiser] teruggekoppeld dat is besproken dat coulancehalve wordt overwogen om een nieuwe PGB-budget-aanvraag in behandeling te nemen, als de urenregistratie en -vertegenwoordiging meer in lijn zijn met de voorschriften en declaratieregels niet meer worden overschreden.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert – kort gezegd – dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, de Bank:

I gebiedt haar dienstverlening aan [eiser] te blijven verlenen en het gebruik door [eiser] van haar studentenrekening op gebruikelijke wijze voort te zetten, op straffe van een dwangsom van € 1.000 per dag dat de Bank hiermee in gebreke blijft, tot een maximum van € 50.000 is bereikt,

II veroordeelt tot verwijdering over te gaan van [eiser] persoonsgegevens in het interne incidentenregister van de Bank, op straffe van een dwangsom van € 1.000 per dag voor iedere dag dat de Bank hiermee in gebreke blijft, tot een maximum is bereikt van € 50.000,

III veroordeelt tot betaling van de proceskosten.

3.2.

[eiser] legt aan haar vordering – kort gezegd – het volgende ten grondslag. De Bank is tekortgeschoten in haar zorgplicht door geen zorgvuldige belangenafweging te maken voordat zij tot opzegging van de bankrelatie overging. Voor de Bank bestond over de herkomst van de ontvangen gelden geen twijfel: die kwamen van het Zorgkantoor. [eiser] heeft uiteindelijk meegewerkt aan het klantonderzoek en toegelicht waarom zij PGB-gelden ontving en waaraan zij het geld heeft besteed. Dat geld ontving [eiser] als loon voor de aan haar zusje geleverde zorg, waarna [eiser] het naar eigen goeddunken mocht besteden. De Bank is met vragen naar de rechtmatigheid van de declaraties ten onrechte op de stoel gaan zitten van het Zorgkantoor. Met de opzegging van de bankrelatie belemmert de Bank voor [eiser] een normale deelname aan het betalingsverkeer. [eiser] wijst erop dat zij wettelijk recht heeft op een (basis)betaalrekening en dat er geen grond is voor opzegging of weigering. [eiser] kan met de OB-rekening geen iDeal-betalingen of automatische overboekingen of incasso’s verrichten, waardoor bijvoorbeeld de kosten voor haar zorgverzekering handmatig maandelijks moeten worden overgeboekt. Bij andere Nederlandse banken werd [eiser] telkens afgewezen doordat zij in het aanmeldproces naar waarheid moest antwoorden dat zij nooit te maken heeft gehad met een weigerachtige Bank.

Bij de mondelinge behandeling heeft [eiser] toegelicht dat de vordering ziet op een beoordeling van zowel de rechtsgeldigheid van de opzegging als het recht op een nieuwe bankrekening.

3.3.

De Bank voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen met een veroordeling van [eiser] in de proceskosten. Volgens de Bank heeft [eiser] niet met de PGB-gelden gefraudeerd, maar heeft zij wel te veel zorguren gedeclareerd. De Bank beroept zich op haar plicht om relaties op te zeggen als haar klantonderzoek niet kan worden afgerond in de zin van artikel 5 lid 3 Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft). Daarnaast doet de Bank een beroep op haar algemene opzeggingsbevoegdheid uit artikel 35 Algemene Bankvoorwaarden (ABV). Volgens de Bank heeft zij verder voldoende gerechtvaardigd belang bij de opname in haar interne registers van [eiser] persoonsgegevens.

Bij de mondelinge behandeling is namens de Bank verklaard dat [eiser] een aanvraag kan indienen voor een basisbetaalrekening, dat het lastig is om te zeggen of zij nu door het klantacceptatieproces komt of niet en dat de Bank haar niet hoeft te accepteren omdat [eiser] (inmiddels) een rekening bij OB heeft en er nog genoeg alternatieve banken zijn.

4 De beoordeling

5 De beslissing