Rechtbank Amsterdam, 30-04-2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:2718, 22/6264
Rechtbank Amsterdam, 30-04-2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:2718, 22/6264
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Amsterdam
- Datum uitspraak
- 30 april 2024
- Datum publicatie
- 22 oktober 2024
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2024:2718
- Zaaknummer
- 22/6264
Inhoudsindicatie
Algemene Verordening Gegevensbescherming / Recht op gegevenswissing / Beroep gegrond / De Autoriteit Persoonsgegevens heeft zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat niet aannemelijk is dat de derde partij artikel 17 van de AVG heeft overtreden. Om vast te stellen of de AVG is overtreden, is uitgebreider onderzoek nodig. De AP had daarom het prioriteringsbeleid moeten toepassen.
Uitspraak
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 22/6264
(gemachtigde: mr. I. Brouwer),
en
(gemachtigde: mr. E. Nijhof en mr. W. van Steenbergen).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam 2] Advocaten uit Amsterdam ( [naam 2] )
(gemachtigde: mr. A.A. Loonstein).
Eiser heeft op 15 februari 2021 een klacht ingediend bij verweerder over de afhandeling door [naam 2] van zijn verzoek om de gehele dossiers en persoonsgegevens van eiser en zijn familie te wissen. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn klacht.
Verweerder heeft eisers klacht met een besluit van 13 september 2021 (het primaire besluit) afgewezen. Met het bestreden besluit van 15 november 2022 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de klacht gebleven.
Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. [naam 2] is eveneens de gelegenheid geboden om voorafgaand aan de zitting een schriftelijke reactie in te dienen. De rechtbank heeft geen reactie ontvangen.
De rechtbank heeft het beroep op 19 februari 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, de gemachtigden van verweerder en de gemachtigde van [naam 2] .
1. In de periode van december 2013 tot en met maart 2015 heeft [naam 2] eiser en zijn familie bijgestaan in zowel straf- als civiele zaken met betrekking tot het overlijden van dochter [naam 1] als gevolg van een verkeersongeluk. Eiser heeft op 1 september 2020 aan [naam 2] verzocht om over te gaan tot vernietiging van de gehele dossiers en persoonsgegevens van eiser en zijn familie. Na het uitblijven van een voor hem bevredigende reactie van [naam 2] op zijn herhaalde verzoeken, heeft eiser op 12 januari 2021 een verzoekschrift ingediend bij deze rechtbank om [naam 2] te veroordelen tot het wissen van de persoonsgegevens van eiser en zijn familie. Met de beschikking van 30 september 20211 (hierna: de beschikking van de rechtbank) heeft de rechtbank [naam 2] bevolen om binnen twee weken na de beschikking de persoonsgegevens van eiser en zijn gezinsleden die [naam 2] op zijn privé e-mailadressen heeft ontvangen te verwijderen. Dit heeft in ieder geval betrekking op de ontvangen kopieën van paspoorten en het geboortecertificaat van de dochter. De verzochte dwangsom is afgewezen. Tegen deze beschikking is geen hoger beroep ingesteld.
2. Eiser heeft daarnaast op 15 februari 2021 een klacht bij verweerder ingediend over [naam 2] . Volgens eiser heeft [naam 2] in strijd met de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) niet (volledig) aan zijn verzoek voldaan om de persoonsgegeven van hem en zijn gezin te verwijderen en verwijderd te houden. Over deze klacht gaat deze procedure.
3. Met het primaire besluit heeft verweerder eiser laten weten de klacht niet verder te zullen onderzoeken. Verweerder heeft de klacht daarbij getoetst aan het prioriteringsbeleid.2 Op basis van een eerste beoordeling van de klacht heeft verweerder geen overtreding van de AVG door [naam 2] kunnen vaststellen. Daarvoor is uitgebreider onderzoek nodig, wat onevenredig veel inspanning zou vergen. Verweerder heeft daarbij meegewogen dat sprake is van een omvangrijker juridisch geschil dat aan de rechter is voorgelegd. Verweerder ziet gelet op de bevestiging van [naam 2] aan eiser van 16 september 2020 dat de gegevens zijn gewist, geen aanleiding om te veronderstellen dat sprake is van een overtreding op het recht op gegevenswissing. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
4. Met het bestreden besluit heeft verweerder eisers bezwaar ongegrond verklaard. Verweerder heeft geconcludeerd dat zij de inhoud van de klacht heeft onderzocht in de mate waarin dat gepast is, zoals bedoeld in artikel 57, eerste lid, onder f, van de AVG. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat [naam 2] in strijd met artikel 17 van de AVG heeft gehandeld. [naam 2] heeft weliswaar na eisers initiële verwijderingsverzoek nog stukken ingebracht in een tuchtrechtelijke zaak, maar het ging om stukken die [naam 2] al in zijn bezit had vóór de beschikking van de rechtbank. Daarbij heeft [naam 2] na de beschikking van de rechtbank herhaaldelijk verklaard aan het bevel van de rechtbank te hebben voldaan en de persoonsgegevens van eiser en zijn familie te hebben verwijderd. Eiser heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat hieraan moet worden getwijfeld. Er is daarom geen aanleiding voor het instellen van een nader onderzoek naar eisers klacht.
Beroepsgronden van eiser
5. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat eisers klacht in voldoende mate is onderzocht. Eiser vindt dat hij aannemelijk heeft gemaakt dat [naam 2] in strijd met de beschikking van de rechtbank de persoonsgegevens niet heeft verwijderd. [naam 2] heeft namelijk in de e-mails van 16 september 2020 en 30 maart 2021 en tijdens de mondelinge behandeling van de civiele zaak op 7 april 2021 verklaard de persoonsgegevens van eiser en zijn familie te hebben verwijderd, maar [naam 2] heeft in zijn brief aan de Orde van Advocaten van 23 april 2021 persoonsgegevens van eiser en zijn familie vermeld. Dat deze stukken al voor de beschikking van de rechtbank onder [naam 2] berustten, is volgens eiser niet relevant. Gelet op deze feiten is er gegronde reden om te twijfelen of [naam 2] de persoonsgegevens daadwerkelijk heeft verwijderd en heeft eiser belang bij bewijs van deze verwijdering van zijn persoonsgegevens, aldus eiser. De bewijslast hiervoor ligt bij [naam 2] . Volgens eiser is sprake van een klacht met een grote maatschappelijke betekenis: namelijk het nakomen van een rechterlijk vonnis ook bij privacy-kwesties als deze.
Beoordeling door de rechtbank
Juridisch kader
6. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Omvang van het geding
7. Tussen partijen is in geschil wat de omvang van het geding is. Voor het eerst op de zitting hebben verweerder en [naam 2] zich op het standpunt gesteld dat deze procedure alleen betrekking heeft op de verwerking van persoonsgegevens door [naam 2] Advocatenkantoor en de advocaat H. [naam 2] .
8. De rechtbank volgt verweerder en [naam 2] hierin niet. Zoals de gemachtigde van eiser op de zitting heeft aangevoerd heeft de procedure bij verweerder een laagdrempelig karakter en is de klacht in dit geval ook door een burger, zonder rechtsbijstand, ingediend. In de klacht maakt eiser melding van [naam 3] als advocaat bij advocatenkantoor [naam 2] , als voorzitter van het [begrafeniswezen] te Amsterdam en als voorzitter van de school Stichting [naam 4] (hierna: de school). Hij noemt daarbij de mogelijk verboden uitwisseling van informatie tussen deze drie hoedanigheden. Verder beschrijft eiser de communicatie via de privé e-mailadressen van [naam 3] . De bedoeling van eiser om de verschillende hoedanigheden van [naam 3] in deze procedure te betrekken volgt ook uit latere stukken, onder meer het bezwaarschrift en de hoorzitting van 14 juni 2022.
9. Ook uit de beroepsgronden en de in de beroepsfase overgelegde stukken komt naar voren dat eiser steeds een ruime opvatting van de klacht heeft beoogd. De rechtbank kan dit ook begrijpen gezien de achterliggende wens van eiser dat [naam 2] geen enkel persoonsgegeven meer onder zich heeft van hem en zijn gezin. De rechtbank zal daarom een ruime benadering toepassen bij het beoordelen van wat eiser ter onderbouwing van zijn standpunt in deze procedure naar voren heeft gebracht. Gelet op wat eiser uiteindelijk heeft aangevoerd en overgelegd in beroep, spitst dit geschil zich toe op de gegevens bij [naam 3] als persoon (1) en als voorzitter van de school (2) en bij het advocatenkantoor [naam 2] (3).
Het inhoudelijke geschil
Gegevens bij [naam 2] als persoon
10. In de beschikking van de rechtbank is [naam 2] bevolen de persoonsgegevens van eiser en zijn gezinsleden die hij op zijn privémailadressen heeft ontvangen te verwijderen. Het gaat dus om oude e-mails van vóór de beschikking van de rechtbank. [naam 2] stelt hierover dat alles is verwijderd. Volgens verweerder heeft eiser geen concrete aanknopingspunten gegeven dat er na de beschikking gegevens bewaard zijn gebleven in privémailadressen. De rechtbank overweegt dat verweerder echter niet heeft onderbouwd waarom hij de enkele stelling van [naam 2] volgt dat alles is verwijderd of dat aan het bevel van de rechtbank is voldaan. Nu niet duidelijk gemaakt is welke gegevens zijn verwijderd en wanneer en hoe dat is gebeurd, is de conclusie dat die gegevens er mogelijk nog zijn en dat er dus mogelijk sprake is van een overtreding waarop het prioriteringsbeleid van toepassing was.
Gegevens bij [naam 2] als voorzitter van de school
11. Eiser heeft een brief van 23 april 2021 overgelegd van [naam 2] in zijn hoedanigheid als advocaat van [naam 2] Advocaten, die gericht is aan de Orde van Advocaten Amsterdam. Deze brief is een reactie op een tuchtklacht van eiser. Bij deze brief zat een e-mail gevoegd van eiser aan het secretariaat van de school met als bijlage een brief van eiser aan deze school, beide stukken gedateerd op 21 januari 2014. Eiser heeft daarmee aannemelijk willen maken dat er ook bij [naam 2] als voorzitter van de school toch nog gegevens aanwezig zijn. Volgens eiser staat de brief van 23 april 2021 met bijlagen haaks op eerdere verklaringen van [naam 2] in de civiele procedure dat hij geen gegevens van eiser meer heeft. Deze brief met bijlagen heeft eiser niet meer kunnen aanvoeren, omdat de rechtbank het onderzoek had gesloten.
12. Uit de brief van 23 april 2021 met bijlagen volgt dat er gegevens van eiser bij de school aanwezig waren. Tijdens de hoorzitting in de bezwaarprocedure naar aanleiding van de klacht bij verweerder heeft de gemachtigde van eiser naar voren gebracht dat zij bezig is met een procedure tegen de school over het wissen van de dossiers. De rechtbank overweegt dat artikel 17, eerste lid van de AVG weliswaar ziet op het wissen van gegevens, maar dat het bezitten hiervan niet zonder meer een overtreding hoeft op te leveren. Immers het is mogelijk dat er sprake is van een uitzondering op grond van artikel 17, derde lid, van de AVG, bijvoorbeeld met het oog op archivering. Om deze reden kan de rechtbank niet op voorhand vaststellen dat sprake is van een overtreding. Dat sprake is van een mogelijke overtreding waarop het prioriteringsbeleid van toepassing was, is niet uitgesloten.
Gegevens bij het advocatenkantoor [naam 2]
13. Uit de beschikking van de rechtbank volgt verder dat [naam 2] advocaten op de zitting in die procedure – op 7 april 2021 – heeft verklaard dat alle e-mails en bijlagen die eiser naar het e-mailadres van [naam 2] Advocaten heeft gestuurd zijn verwijderd. Evenals ten aanzien van de school3 blijkt uit de door eiser overgelegde brief van 23 april 2021 met bijlagen dat er wel degelijk gegevens over eiser en zijn gezin bij het advocatenkantoor aanwezig waren.
14. Verweerder licht zijn standpunt in het bestreden besluit hierover toe in het verweerschrift. Volgens verweerder is geen sprake van een overtreding, omdat de brief van 23 april 2021 is verzonden voordat de rechtbank [naam 2] in de civiele procedure heeft bevolen om de persoonsgegevens van eiser in de genoemde privé e-mailadressen te verwijderen. Naar het oordeel van de rechtbank verbindt verweerder hiermee zijn standpunt over de brief ten onrechte aan het bevel van de rechtbank over de privé e-mailadressen. Uit de begeleidende brief van eiser van 21 januari 2024 blijkt immers dat hij deze stukken per e-mail en post aan de school heeft gestuurd en niet naar het privé e-mailadres van [naam 2] . Hieruit volgt dat niet [naam 2] als (privé) persoon maar het advocatenkantoor [naam 2] beschikte over deze gegevens.
15. Ook hier geldt dat niet op voorhand kan worden vastgesteld dat sprake is van een overtreding. Het beschikken over gegevens in het kader van een procedure kan immers op grond van artikel 17, derde lid, van de AVG de grondslag vormen voor een uitzondering op het recht op gegevenswisseling. Ook hier geldt dat verweerder had moeten overgaan tot het toepassen van het prioriteringsbeleid.
Het beroep is gegrond
16. De voorgaande overwegingen leiden tot de conclusie dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat niet aannemelijk is dat [naam 2] artikel 17 van de AVG heeft overtreden. Om vast te stellen of [naam 2] de AVG heeft overtreden, is uitgebreider onderzoek nodig. Gelet op de uitzonderingsmogelijkheden in artikel 17 AVG op het recht op gegevenswissing, staat niet op voorhand vast dat het door [naam 2] onder zich hebben van gegevens van eiser een overtreding van de AVG inhoudt. Verweerder had daarom aan de hand van het prioriteringsbeleid moeten bepalen of zij nader had moeten onderzoeken of het klopt dat [naam 2] niet meer beschikt over gegevens over eiser en zijn gezin, dan wel of een van de uitzonderingen van artikel 17, derde lid, van de AVG van toepassing is.
17. Dit betekent dat het beroep van eiser gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. De rechtbank verwijst hiervoor naar het einde van deze uitspraak.
In stand laten van de rechtsgevolgen
18. De rechtbank ziet evenwel aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.4 Dit betekent dat er ondanks het motiveringsgebrek in het bestreden besluit geen wijziging in de rechtspositie van eiser plaatsvindt. De rechtbank is namelijk van oordeel dat verweerder had mogen afzien van nader onderzoek naar de klacht. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
19. Om vast te stellen of [naam 2] de AVG heeft overtreden is nader onderzoek nodig. In het geval van een mogelijke overtreding, waar in deze zaak sprake van is, maakt verweerder een afweging of er aanleiding is voor een nader onderzoek.
20. In het verweerschrift en op de zitting heeft verweerder het subsidiaire standpunt ingenomen dat de klacht van eiser niet in aanmerking komt voor nader onderzoek vanwege onvoldoende bredere maatschappelijke betekenis. Verweerder heeft aangegeven dat als zij meerdere klachten over een organisatie krijgt en er sprake kan zijn van een patroon, eerder wordt overgegaan tot nader onderzoek. Daarvan is in dit geval geen sprake. Ook heeft verweerder aangegeven dat hij een ruim toezichtsveld heeft en maar een kleine toezichthouder is. De capaciteit wordt ingezet op bepaalde focusgebieden en daar valt deze zaak niet onder.
21. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder voldoende draagkrachtig heeft gemotiveerd waarom hij in dit geval heeft afgezien van nader onderzoek naar de klacht van eiser. Niet gebleken is dat de stellingen van verweerder onjuist zijn. Voor zover eiser stelt dat het nakomen van de beschikking van de rechtbank van grote maatschappelijk betekenis is, overweegt de rechtbank dat het in dit kader gaat om de vraag of er meer mensen met hetzelfde privacyprobleem zitten.
Proceskosten en griffierecht
22. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.
23. Ook krijgt eiser een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt.5 Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting) met een waarde per punt van € 875,- met een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 1.750,-.
24. Eiser heeft verzocht om een schadevergoeding wegens geleden materiele en immateriële schade. De rechtbank is van oordeel dat dit verzoek onvoldoende is onderbouwd. Zij wijst het verzoek daarom af.
Beslissing
De rechtbank:
- -
-
verklaart het beroep gegrond;
- -
-
vernietigt het besluit van 15 november 2022;
- -
-
bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
- -
-
bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 184,- aan eiser moet vergoeden;
- -
-
veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.750,- aan proceskosten aan eiser;
- -
-
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.S. Man, rechter, in aanwezigheid van mr.M. den Toom, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 30 april 2024.
|
griffier |
rechter |
de griffier is verhinderd deze
uitspraak mede te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: