Rechtbank Amsterdam, 18-06-2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:3677, C/13/751468 / KG ZA 24-450
Rechtbank Amsterdam, 18-06-2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:3677, C/13/751468 / KG ZA 24-450
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Amsterdam
- Datum uitspraak
- 18 juni 2024
- Datum publicatie
- 21 juni 2024
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2024:3677
- Zaaknummer
- C/13/751468 / KG ZA 24-450
Inhoudsindicatie
Een beleggingsplatform mag de beleggingsrekening met een coffeeshophouder opzeggen
Uitspraak
vonnis
Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel
zaaknummer / rolnummer: C/13/751468 / KG ZA 24-450 EAM/MA
Vonnis in kort geding (bij vervroeging) van 18 juni 2024
in de zaak van
[eiser] ,
wonende te [plaats] ,
eiser bij dagvaarding van 31 mei 2024,
advocaat mr. E. Swart te Amsterdam,
tegen
de vennootschap naar Duits recht
flatexDEGIRO BANK AG,
gevestigd te Frankfurt am Main, Duitsland en kantoorhoudende te Amsterdam,
gedaagde,
advocaat mr. M. Van Schoonhoven te Amsterdam.
Partijen zullen hierna [eiser] en de bank worden genoemd.
1 De procedure
Ter zitting van 11 juni 2024 heeft [eiser] de vordering(en) zoals omschreven in de dagvaarding toegelicht. De bank heeft verweer gevoerd. De bank heeft op voorhand een conclusie van antwoord ingediend. Ter zitting hebben beide partijen een pleitnota ingediend.
Ter zitting waren aanwezig:
- -
-
[eiser] met mr. Swart en [naam 1] , accountant;
- -
-
zijdens de bank: mr. Van Schoonhoven met [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] , allen werkzaam bij de bank als legal officers.
Vonnis is nader bepaald op heden.
2 De feiten
[eiser] is vanaf 1984 coffeeshophouder in Amsterdam en sinds een jaar of vijftien ook in Mijdrecht. Hij heeft zijn 5 ondernemingen ondergebracht in de besloten vennootschap Othala B.V. De aandelen van Othala B.V. zijn voor 92% ondergebracht in Inguz Holding B.V. waarvan [eiser] enig aandeelhouder en bestuurder is.
De bank is een beleggingsonderneming die ‘execution only’ diensten aanbiedt. Dat betekent dat de bank aan zijn klanten geen beleggingsadvies geeft, maar alleen een platform biedt waarop klanten kunnen beleggen in effecten.
[eiser] had een beleggingsrekening bij de Saxo Bank. Bij e-mail van 7 februari 2023 heeft de Saxo Bank [eiser] bericht dat op grond van het uitgevoerde periodieke klantonderzoek is besloten de klantrelatie te beëindigen. Als toelichting is gegeven dat uit het periodieke klantonderzoek risico’s naar voren zijn gekomen die de Saxo Bank als onacceptabel beschouwt. Bij e-mail van 15 februari 2023 heeft mr. Veldman bezwaar gemaakt tegen de aangezegde beëindiging. Ter zitting heeft [eiser] verklaard dat na het indienen van het bezwaar niet meer is vernomen van de Saxo Bank en dat de rekening nooit daadwerkelijk is beëindigd.
Op 14 februari 2023 heeft [eiser] een cliëntovereenkomst met de bank gesloten en een beleggingsrekening geopend. Op het aanvraagformulier heeft [eiser] vermeld werkzaam te zijn in de branche ‘horeca’.
In artikel 26.2 met als kopje “Beëindiging van de Overeenkomst Beleggingsdiensten” is bepaald dat de bank en de cliënt altijd het recht hebben om de Overeenkomst Beleggingsdiensten per e-mail te beëindigen en dat voor de bank een opzegtermijn van 2 maanden geldt.
Vanaf 12 februari 2024 is de bank [eiser] vragen gaan stellen over de herkomst van zijn vermogen en de herkomst van stortingen naar zijn account. De bank heeft [eiser] meegedeeld dat de bank een gereguleerde financiële instelling is en dat hij daarom verplicht is richtlijnen van de AFM over het voorkomen van witwassen en de financiering van terrorisme te volgen. [eiser] heeft de vragen beantwoord.
Bij e-mail van 23 april 2024 heeft de bank [eiser] bericht dat de cliëntovereenkomst en zijn account per 30 juni 2024 zal worden beëindigd. Als reden is vermeld: “op basis van onze bevindingen hebben wij besloten om u niet langer onze diensten aan te bieden.” [eiser] moet zorgen dat de rekening uiterlijk op de datum waarop de cliëntovereenkomst wordt beëindigd een nul saldo heeft. Bij e-mail van 2 mei 2024 is door mr. Veldman namens [eiser] bezwaar gemaakt tegen de opzegging en is gevraagd naar de beweegredenen daarvoor.
Op 16 mei 2024 heeft de bank geschreven dat tijdens het klantonderzoek is vastgesteld dat [eiser] belangrijkste bron van vermogen de exploitatie van coffeeshops is en dat een dergelijke bron van vermogen niet binnen de risicobereidheid van de bank past. De bank heeft te kennen gegeven de opzegging niet te zullen heroverwegen.
Naar aanleiding van het door mr. Swart aangekondigde kort geding, heeft [naam 2] bij e-mail van 29 mei 2024 als toelichting aan mr. Swart geschreven:
(...) DEGIRO heeft vastgesteld dat de herkomst van het vermogen van de heer [eiser] is te herleiden naar inkomsten van het uitbaten van meerdere coffeeshops. Deze herkomst van vermogen brengt naar inzicht van DEGIRO een groter risico met zich mee in de zin van de Wwft, wat een verhoogd toezicht vereist door DEGIRO. Dit risicoprofiel past daarmee niet binnen de risicobereidheid van DEGIRO aangezien ze niet de middelen heeft om dit risico op het vereiste niveau te monitoren. DEGIRO levert ook geen maatwerk. Dit zijn commerciële keuzes die DEGIRO gerechtigd is te maken, en die ertoe leiden dat DEGIRO haar diensten kan aanbieden tegen lagere kosten dan andere aanbieders, zoals u ook in uw verzoekschrift aanhaalt. Kortom, we zien geen aanleiding ons besluit te herzien. (...)
3 Het geschil
[eiser] vordert – samengevat – de bank te veroordelen de contractuele relatie met hem voort te zetten, althans het opzeggingsbesluit te schorsen, zodat hij ook na 30 juni 2024 toegang heeft tot zijn account, met veroordeling van de bank in de proceskosten.
Hij stelt hiertoe dat hij in 2023 als klant is geaccepteerd. Zijn vermogen heeft hij steeds vergaard met het exploiteren van coffeeshops, daar is niets in veranderd. [eiser] heeft meegewerkt aan het klantonderzoek. Hij is bereid aanvullende informatie te verstrekken of aanvullende afspraken met de bank te maken. De bank biedt hem echter die mogelijkheid niet. Voor [eiser] is de opzegging dan ook onacceptabel, de opzegging aan hem is uitsluitend omdat hij coffeeshophouder is. Er wordt door de bank geen aandacht besteed aan de concrete omstandigheden van [eiser] . De achtergrond van de Leidraad van de AFM is niet de categorale uitsluiting van branches. De bank dient maatwerk te verrichten. Daarmee is de opzegging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar, althans in strijd met de redelijkheid en billijkheid die in de gegeven omstandigheden van de bank jegens [eiser] mag worden verwacht. Voor [eiser] is de opzegging temeer onacceptabel omdat daarmee wordt gesuggereerd dat hij zich schuldig zou maken aan activiteiten die op grond van de Wwft niet zouden zijn toegestaan. Uit het klantonderzoek is niet gebleken van bijzondere risico’s die aan [eiser] of zijn ondernemingen kleven. Niet gebleken is van aanwijzingen dat [eiser] of zijn ondernemingen zich schuldig zou maken aan witwassen of de financiering van terrorisme. De opzegging van de rekening is dan ook onzorgvuldig en onredelijk. De beleggingen vormen zijn pensioenvoorzieningen. [eiser] heeft een privérekening bij de ABN AMRO maar deze rekening maakt het niet mogelijk om zelf tegen redelijke tarieven tot de aanschaf van aandelen over te gaan. De transactiekosten via ABN AMRO zijn fors hoger dan bij de bank. Daarbij zal ook de ABN AMRO vragen gaan stellen indien hij na sluiting van zijn beleggingsaccount bij de bank de waarde van de belegde aandelen overhevelt naar ABN AMRO. Daarnaast geldt de deposito-garantieregeling bij de ABN AMRO slechts tot een bedrag van € 100.000,00. Het vermogen dat [eiser] heeft belegd bij de bank is veel groter. Bij een eventueel faillissement van ABN AMRO zal [eiser] het meerdere kwijt zijn.
Indien de vordering tot voortzetting wordt afgewezen, verzoekt [eiser] het opzeggingsbesluit te schorsen, opdat hij een bodemprocedure kan aanspannen en in de tussentijd geen schade lijdt.
De bank voert gemotiveerd verweer.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.