Home

Rechtbank Amsterdam, 17-07-2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:4255, C/13/730018 / HA ZA 23-172

Rechtbank Amsterdam, 17-07-2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:4255, C/13/730018 / HA ZA 23-172

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17 juli 2024
Datum publicatie
17 juli 2024
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2024:4255
Zaaknummer
C/13/730018 / HA ZA 23-172

Inhoudsindicatie

WAMCA-procedure waarin de eisende stichting vordert voor recht te verklaren dat geneesmiddelenfabrikant AbbVie onrechtmatig heeft gehandeld en misbruik heeft gemaakt van haar economische machtspositie door een te hoge prijs te vragen voor het geneesmiddel Humira in de periode waarvoor het middel octrooibescherming genoot. Deze rechtbank oordeelt in dit vonnis dat zij bevoegd is ten aanzien van de Amerikaanse gedaagde omdat die met de Nederlandse gedaagde een economische eenheid vormt bij de prijsbepaling van het Humira medicijn en het op de Nederlandse markt brengen van dat medicijn. De rechtbank is niet bevoegd ten aanzien van de Duitse gedaagde omdat onvoldoende is gebleken van samenhang tussen de vorderingen op de Nederlandse gedaagde en die op de Duitse gedaagde.

De eisende stichting voldoet aan de wettelijke eisen voor een collectieve actie. De vorderingen ten behoeve van de achterban zijn te bundelen. Verder is eiseres representatief voor haar achterban en zijn de vorderingen voorgelegd aan de juiste rechter en zijn die vorderingen niet kennelijk ongegrond. De eisende stichting is dus ontvankelijk in deze WAMCA-procedure.

Het door AbbVie ter discussie gestelde belang van eiseres (dan wel haar achterban) bij de vorderingen kan pas volledig aan de orde komen in de inhoudelijke fase van de procedure. Dan zal hierover worden beslist. De volgende fase is de inhoudelijke behandeling van de vorderingen van de eisende stichting.

Uitspraak

vonnis

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/730018 / HA ZA 23-172

Vonnis van 17 juli 2024

in de zaak van

de stichting

STICHTING FARMA TER VERANTWOORDING,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

advocaat mr. R. Meijer te Amsterdam,

tegen

1. de vennootschap naar buitenlands recht

ABBVIE Inc.,

gevestigd te North Chicago, Illinois, Verenigde Staten van Amerika,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het bevoegdheidsincident,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ABBVIE B.V.,

gevestigd te Amstelveen,

gedaagde in de hoofdzaak,

3. de vennootschap naar buitenlands recht

ABBVIE DEUTSCHLAND GMBH CO. KG,

gevestigd te Wiesbaden, Duitsland,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het bevoegdheidsincident,

advocaat mr. G. te Winkel te Amsterdam.

Partijen zullen hierna FTV, AbbVie US, AbbVie NL en AbbVie Deutschland worden genoemd. Gedaagden gezamenlijk worden AbbVie genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

-

de dagvaarding van 21 februari 2023, met producties,

-

de rolbeslissing van 19 juli 2023,

-

de conclusie van antwoord in het ontvankelijkheidsincident houdende exceptie van onbevoegdheid, met producties,

-

de akte overlegging producties E15-E18 van FTV,

-

de conclusie van antwoord in het bevoegdheidsincident, met productie E19,

-

de akte overlegging producties G06-G08 van AbbVie,

-

het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 14 mei 2024 en de daarin opgenomen proceshandelingen en processtukken.

1.2.

Deze procedure betreft een procedure bedoeld in de Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie (WAMCA), als bepaald in artikel 3:305a Burgerlijk Wetboek (BW) en artikelen 1018b tot en met 1018n Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). AbbVie is dan ook eerst in de gelegenheid gesteld van antwoord te dienen over de ontvankelijkheid van FTV (artikel 1018c lid 5 Rv). Daarbij heeft AbbVie ook een bevoegdheidsexceptie opgeworpen voor zover het betreft de vorderingen van FTV tegen AbbVie US en AbbVie Deutschland. FTV heeft daarop schriftelijk van antwoord gediend. Bij de mondelinge behandeling van 14 mei 2024 is de bevoegdheid van deze rechtbank en de ontvankelijkheid van FTV in haar vorderingen aan de orde geweest.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald in het bevoegdheidsincident en over de ontvankelijkheid van FTV.

De zaak in het kort

In deze procedure vordert FTV (samengevat) voor recht te verklaren dat geneesmiddelenfabrikant AbbVie onrechtmatig heeft gehandeld en misbruik heeft gemaakt van haar economische machtspositie door voor het geneesmiddel Humira een te hoge prijs te vragen in de periode waarvoor het middel octrooibescherming genoot.

In deze fase van de WAMCA procedure zijn door AbbVie de volgende drie onderwerpen aan de orde gesteld:

-

de internationale bevoegdheid van deze rechtbank ten aanzien van de vorderingen tegen AbbVie US en AbbVie Deutschland;

-

FTV voldoet niet aan de ontvankelijkheidsvereisten uit artikel 1018c lid 5 Rv;

-

FTV heeft geen belang bij de vorderingen (artikel 3:303 BW).

Leeswijzer

Dit vonnis kent de volgende hoofdstukken:

Hoofdstuk 2: De feiten p. 3

Hoofdstuk 3: Het geschil p. 4

Hoofdstuk 4: De beoordeling in het bevoegdheidsincident p. 8

Hoofdstuk 5: De beoordeling over de ontvankelijkheidsvereisten WAMCA p. 13

Hoofdstuk 6: De beoordeling van de standpunten over artikel 3:303 BW p. 19

Hoofdstuk 7: Conclusie over WAMCA ontvankelijkheid FTV p. 20

Hoofdstuk 8: Vervolg procedure p. 20

Hoofdstuk 9: De beslissingen p. 21

2 De feiten

2.1.

FTV is in 2018 opgericht en heeft tot statutair doel “het algemeen belang te dienen door ernaar te streven dat geneesmiddelen en andere medische technologieën op een duurzame en maatschappelijk betamelijke wijze op de markt beschikbaar zijn, in welk verband de stichting waarde hecht aan een eerlijke prijsstelling en distributie die in overeenstemming is met geschreven en ongeschreven nationale, Europese en internationale rechtsnormen.” (artikel 2.1 Statuten FTV).

2.1.1.

In artikel 2.2 van de statuten van FTV is opgenomen dat zij haar doel tracht te bereiken met alle daartoe geëigende middelen, waaronder het verstrekken van advies, informatievoorziening en voorlichting, het voeren van juridische procedures alsmede het verrichten van alle verdere handelingen.

2.1.2.

In artikel 2.4 van de statuten van FTV is bepaald dat zij geen winstoogmerk heeft en dat opbrengsten worden aangewend ter verwezenlijking van het statutaire doel.

2.1.3.

De opbrengsten en het vermogen van FTV wordt gevormd door subsidies en donaties (zowel financieel als in goederen), schenkingen, erfstellingen en legaten, en andere verkrijgingen en baten.

2.1.4.

FTV heeft een Raad van Bestuur en een Raad van Advies (of: Adviesraad van deskundigen). De leden van de Raad van Bestuur en de Adviesraad werken op volledig vrijwillige basis en stellen hun kennis, vaardigheden en ervaring geheel belangeloos ter beschikking aan de stichting.

2.2.

AbbVie is in 2013 ontstaan als een afsplitsing van de farmaceutische divisie van Abbott Laboratories (Abbott). Na de afsplitsing van Abbott ontwikkelde AbbVie zich tot een beursgenoteerd internationaal biofarmaceutisch bedrijf dat zich richt op immunologie, hematologische oncologie, neurowetenschap, esthetica en huidverzorging.

2.2.1.

AbbVie US is indirect aandeelhouder en bestuurder van AbbVie Deutschland en AbbVie NL.

2.2.2.

AbbVie NL houdt zich bezig met het kopen, verkopen, importeren, exporteren, vervaardigen, distribueren, en aanwenden van farmaceutische, ziekenhuis-, voedings-, chemische-, diagnostische geneeskundige en aanverwante producten.

onderwerp van deze procedure

2.3.

Deze procedure gaat over het medicijn adalimumab dat door AbbVie op de markt is gebracht onder de naam Humira (hierna: Humira). Humira is ontwikkeld door Knoll Pharmaceuticals (verder: Knoll) te Duitsland. Knoll heeft een octrooirecht (geldend tot 15 oktober 2018) verkregen op Humira.

2.4.

AbbVie US (althans haar rechtsvoorgangster Abbott Laboratories) heeft in 2001 Knoll van BASF Pharma gekocht voor een prijs van US $ 6,9 miljard en heeft daarmee ook het octrooirecht op Humira verkregen.

2.5.

In 2003 is Humira door de European Medicines Agency (EMA) goedgekeurd voor de behandeling van reumatoïde artritis.

2.6.

In de jaren daarna is Humira ook goedgekeurd voor de behandeling van andere ziektes waaronder psoriasis, de ziekte van Crohn of uveïtis (ontsteking van het oog).

2.7.

In Nederland wordt Humira verkocht door AbbVie NL.

2.8.

AbbVie Deutschland is sinds maart 2018 de registratiehouder bij EMA van Humira.

3 Het geschil

3.1.

FTV vordert bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

 voor zover de WAMCA van toepassing is op de onderhavige vorderingen, FTV aan te wijzen als exclusieve belangenbehartiger in de zin van artikel 1018e lid 1 Rv.

 te verklaren voor recht dat AbbVie Inc. en/of AbbVie NL en/of AbbVie Deutschland onrechtmatig hebben gehandeld jegens de Nauw Omschreven Groep door schending van artikel 2 EVRM en/of artikel 6 IVBPR en/of artikel 6 IVKR en/of artikel 2 Handvest en/of artikel 12 IVESCR en/of artikel 11 ESH en/of artikel 24 IVKR en/of artikel 35 Handvest, althans wegens handelen in strijd met de maatschappelijke betamelijkheid in de zin van artikel 6:162 BW.

 te verklaren voor recht dat AbbVie Inc. en/of AbbVie NL en/of AbbVie Deutschland onrechtmatig hebben gehandeld jegens de Nauw Omschreven Groep door misbruik te maken van hun economische machtspositie (artikel 24 Mw1 en/of 102 VWEU2).

 AbbVie Inc. en/of AbbVie NL en/of AbbVie Deutschland hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten.

3.2.

FTV stelt daartoe – kort gezegd – dat zij met deze procedure duidelijkheid wenst te scheppen over de (on)rechtmatigheid van de prijsstelling voor een geneesmiddel dat door octrooien wordt beschermd. Een onbillijk (onrechtmatig) hoge prijs voor geneesmiddelen leidt volgens haar tot verdringing van wettelijk verzekerde basiszorg. Andere zorg wordt daardoor onbereikbaar voor de zorgverzekerden, dan wel wordt toegang daartoe uitgesteld. Dit kan leiden tot gezondheidsschade voor degenen die benodigde zorg anders wel of direct hadden gekregen, dan wel tot verlies van levensjaren in goede gezondheid.

Het is FTV te doen om dit algemene belang. Het is FTV er niet om te doen om de octrooibescherming op geneesmiddelen te beperken of het winststreven van geneesmiddelenfabrikanten te minimaliseren. FTV vraagt daarom alleen een verklaring voor recht. Zij beoogt hiermee een precedent te scheppen over de (on)rechtmatigheid van een excessieve prijsstelling voor een geneesmiddel dat door octrooien wordt beschermd.

FTV behartigt de belangen van alle personen die aanspraak (kunnen) maken op wettelijk verzekerde basiszorg in Nederland (wat zij noemt ‘de nauw omschreven groep’).

standpunten over de ontvankelijkheid

3.3.

FTV stelt – samengevat – dat zij met de vorderingen een ideëel doel nastreeft en niet (ook) het verkrijgen van schadevergoeding. Artikel 3:305a lid 6 BW is van toepassing op FTV en zij hoeft niet te voldoen aan alle ontvankelijkheidseisen van artikel 3:305a lid 2 sub a tot en met sub e en lid 5 BW.

De belangen waarvoor FTV opkomt zijn gelijksoortig en lenen zich voor bundeling. Die vorderingen vallen binnen haar statutaire doelomschrijving. In het verleden heeft FTV dit statutair doel ook behartigd door, bijvoorbeeld, het indienen van een handhavingsverzoek bij de ACM over de prijsstelling van het medicijn CDCA van farmaceut Laediant, publicaties over de mogelijke gevolgen van dure medicijnen en deelname aan publieke debatten over prijzen voor medicijnen (ook Covid-19 vaccins).

Daaruit blijkt ook de expertise en ervaring van FTV met het onderwerp van dit geschil.

FTV is representatief voor haar achterban in deze procedure. De feitelijke vragen en de rechtsvragen in deze procedure zijn voldoende gemeenschappelijk. De aard van de ideële actie maakt ook dat deze door een collectief moet worden gevoerd. Er is dus sprake van een efficiënter en effectiever wijze van procederen door deze collectieve actie dan het instellen van individuele procedures door de achterban van FTV. Aan de ontvankelijkheidseisen van een stichting in een WAMCA procedure als bedoeld in artikel 1018c lid 5 Rv wordt voldaan, aldus steeds FTV.

3.4.

AbbVie voert – kort weergegeven – aan dat FTV niet ontvankelijk is in haar vorderingen, dan wel deze integraal af te wijzen, omdat FTV – dan wel de door haar nauw omschreven groep personen – geen belang als bedoeld in artikel 3:303 BW heeft bij de ingestelde vorderingen, en FTV niet voldoet aan de ontvankelijkheidseisen uit artikel 1018c lid 5 Rv.

standpunten AbbVie over belang als bedoeld in artikel 3:303 BW (kort weergegeven)

3.5.

AbbVie voert aan dat FTV geen belang heeft bij haar vorderingen (artikel 3:303 BW). Volgens AbbVie streeft FTV een uitspraak met precedentwerking na over de prijsstelling van Humira met het oog op – al dan niet toekomstige – prijsstellingen voor andere medicijnen en van andere farmaceuten. Dit raakt de rechtsverhouding tussen de ‘nauw omschreven groep’ en AbbVie niet. Een dergelijk belang is vereist in iedere procedure.

3.5.1.

Artikel 3:303 BW vereist een afweging van belangen voor de betrokken partijen. Deze dient in het voordeel uit te vallen van AbbVie. FTV heeft namelijk vergoeding van schade categorisch uitgesloten. Ook andere mogelijke prestaties of een bevel (verbod) heeft FTV niet gevorderd. Zij wil uitsluitend een beslissing over het beweerd onrechtmatig handelen van AbbVie zonder daarbij te betrekken de andere elementen van onrechtmatige daad, waaronder aansprakelijkheid, toerekenbaarheid, schade, causaal verband en relativiteit. Een dergelijke opsplitsing van vorderingen is slechts toegestaan als sprake is van bijzondere omstandigheden (Dominee arrest3). Die heeft FTV niet gesteld. Bovendien leidt dit tot onduidelijkheid wat de consequenties voor AbbVie zijn als de gevorderde verklaring voor recht zou worden toegewezen. AbbVie wordt op deze manier onevenredig in haar belangen geschaad. Abbvie moet niet alleen kunnen worden gedagvaard om als voorbeeld te dienen, met alle kosten van dien.

3.5.2.

Het onderwerp van deze procedure kan niet aan de civiele rechter worden voorgelegd. Het raakt aan de wijze waarop in Nederland de kosten van zorg worden betaald uit de publieke middelen en over de wijze waarop over prijzen van medicijnen wordt onderhandeld door farmaceuten, afnemers (zorgverzekeraars en zorgaanbieders) en de politiek. Voor dit alles draagt de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport verantwoordelijkheid naar het parlement. Daarin is geen rol weggelegd voor de rechter. Bovendien heeft de prijs van een medicijn weinig invloed op de breedte van de aangeboden zorg in Nederland of het jaarlijkse budget voor de gehele zorg in Nederland.

3.5.3.

FTV is dus niet ontvankelijk vanwege gebrek aan belang als bedoeld in artikel 3:303 BW. De afwezigheid van een belang in de zin van artikel 3:303 BW kan ook inhouden dat de vordering summierlijk ondeugdelijk (als bedoeld in artikel 1018c lid 5 onder c Rv) is, aldus steeds AbbVie.

standpunten AbbVie over ontvankelijkheidseisen artikel 1018c lid 5 Rv (kort weergegeven)

3.6.

FTV voldoet volgens AbbVie bovendien niet aan de vereisten van artikel 3:305a BW.

3.6.1.

Het lichte regime van artikel 3:305a lid 6 BW is niet van toepassing op FTV. De vorderingen zijn een opmaat voor toekomstige procedures tot schadevergoeding. Dit maakt dat FTV in feite geen ideëel belang heeft of nastreeft met haar vorderingen. Bovendien is dit geen algemeen belangactie, maar een groepsactie. De ‘nauw omschreven groep’ wordt gevormd door alle personen die aanspraak (kunnen) maken op wettelijk verzekerde basiszorg in Nederland. Deze personen kunnen worden geïndividualiseerd zodat de collectieve actie een groepsactie is. Dan is het lichte regime van artikel 3:305a lid 6 BW niet van toepassing. FTV moet dus voldoen aan alle vereisten van 3:305a en dat doet zij niet.

3.6.2.

Het moet gaan om gelijksoortige belangen die zich lenen voor bundeling. De belangen van ‘de nauw omschreven groep’ zijn echter diffuus en onvoldoende gelijksoortig. Het betreft namelijk niet alleen de patiënten die het medicijn Humira nodig hebben gehad, maar ook alle andere zorgverzekerden die dit medicijn niet nodig hebben gehad, alle zorgverzekerden die de zorg hebben gekregen die zij nodig hadden, en ook de zorgverzekerden die benodigde zorg – om wat voor redenen dan ook – niet hebben ontvangen. De ‘nauw omschreven groep’ bestaat dus uit individuen met uiteenlopende en zelfs onderling tegenstrijdige belangen.

3.6.3.

FTV is niet voldoende representatief. Het is niet duidelijk wie haar achterban is, althans wie haar steunt in deze collectieve actie, en welke invloed die achterban heeft op het beleid van FTV. Uit niets is gebleken dat voldoende personen van de nauw omschreven groep hebben ingestemd dat FTV hun belangen mogen behartigen. FTV heeft dan ook onvoldoende inzichtelijk gemaakt dat zij representatief is voor de nauw omschreven groep. Daarnaast heeft FTV niets gesteld over de financiering van deze collectieve actie.

3.6.4.

Uit het voorgaande vloeit voort dat een collectieve actie niet efficiënter en effectiever is dan individuele acties. Daarnaast is voor de vaststelling van een onrechtmatige daad ten behoeve van een groep personen vereist dat de specifieke omstandigheden van het individuele geval worden meegewogen. Die omstandigheden laten zich in deze zaak niet veralgemeniseren. Dit alles leidt er ook toe dat de ingestelde vorderingen onvoldoende gemeenschappelijk zijn.

3.6.5.

De vorderingen zijn ook summierlijk ondeugdelijk want de door FTV gevraagde verklaring voor recht is een politieke aangelegenheid waar de rechter zich niet in moet mengen (zie 3.5.2). Verder voldoet FTV niet aan haar stelplicht over de beweerde schending van het Europees en Nederlands mededingingsrecht. Zij heeft niets gesteld over de relevante markt, of hoe de prijsstelling van Humira door AbbVie een inbreuk op de mededinging op die markt veroorzaakt. FTV is ook daarom niet ontvankelijk in haar vorderingen, aldus steeds AbbVie.

3.7.

FTV heeft gereageerd op de standpunten van AbbVie over de bevoegdheid en ontvankelijkheid. Volgens FTV is de Nederlandse rechter wel bevoegd en heeft FTV wel belang bij de ingestelde vorderingen. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

standpunten in het bevoegdheidsincident

3.8.

AbbVie US en AbbVie Deutschland vorderen dat deze rechtbank zich onbevoegd verklaard kennis te nemen van de vorderingen van FTV jegens hen, met veroordeling van FTV in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 8 dagen na dit vonnis.

3.9.

AbbVie US en AbbVie Deutschland stellen daartoe – kort gezegd – dat de algemene bevoegdheidsregels en de bijzondere bevoegdheidsregels van artikelen 7 en 8 Brussel I-bis4 (corresponderend met artikel 6 onder e en artikel 7 lid 1 Rv) niet tot rechtsmacht van de Nederlandse rechter leiden.

3.9.1.

AbbVie Deutschland was gedurende de octrooiperiode niet betrokken bij de prijsbepaling of onderhandelingen over de vergoeding van Humira. De eventuele rol van AbbVie Deutschland bij het gestelde onrechtmatig handelen van AbbVie NL is niet gesteld of gebleken. Er is dus geen samenhang tussen de vorderingen op AbbVie NL en AbbVie Deutschland. Evenmin is sprake van handelen van AbbVie Deutschland in Nederland of handelen die tot schade in Nederland heeft geleid.

3.9.2.

FTV heeft ten aanzien van de betrokkenheid van AbbVie US onvoldoende gesteld en niet onderbouwd dat sprake is van een economische eenheid tussen AbbVie NL en AbbVie US. Er is daarom geen samenhang als bedoeld in artikel 7 lid 1 Rv. Evenmin is sprake van handelen van AbbVie US in Nederland of handelen dat tot schade in Nederland heeft geleid, aldus steeds AbbVie.

3.10.

FTV stelt dat de Nederlandse rechter wel bevoegd is en voert daartoe aan dat AbbVie US de moedermaatschappij is en in “die hoedanigheid verantwoordelijk voor het bepalen van het (wereldwijde) beleid met betrekking tot de door haar dochterondernemingen ontwikkelde producten en diensten, waaronder het medicijn Humira en de prijsstelling daarvan.”. Als indirecte moedermaatschappij heeft zij een beslissende invloed op het gedrag van AbbVie NL. AbbVie US en AbbVie NL vormen een economische eenheid en er bestaat een concreet verband tussen de economische activiteit van AbbVie NL en het voorwerp van de beweerde inbreuk (te hoge prijs, misbruik van machtspositie, schending mededingingsrecht). AbbVie Deutschland is als registratiehouder van Humira bij EMA geregistreerd en is dus de partij die het medicijn in de EU invoert en distribueert, aldus steeds FTV.

3.11.

Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling in het bevoegdheidsincident

5 De beoordeling over de ontvankelijkheidsvereisten in WAMCA

6 De voorlopige beoordeling van de standpunten over artikel 3:303 BW

7 Conclusie over WAMCA ontvankelijkheid FTV

8 Vervolg procedure

9 De beslissing