Rechtbank Amsterdam, 08-02-2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:682, 26Marengo
Rechtbank Amsterdam, 08-02-2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:682, 26Marengo
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Amsterdam
- Datum uitspraak
- 8 februari 2024
- Datum publicatie
- 8 februari 2024
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2024:682
- Zaaknummer
- 26Marengo
Inhoudsindicatie
Beslissingen van de rechtbank op verzoeken in 26Marengo, besproken op de regiezitting van 6 februari 2024
Uitspraak
Beslissingen van de rechtbank naar aanleiding van het besprokene op de zitting in
26Marengo van 6 februari 2024 en op de daar gedane verzoeken
Procesverloop
1. Bij beslissing van 27 december 20231 heeft de rechtbank beslist op de onderzoekswensen die bij gelegenheid van de laatst gehouden pro formazitting van 21 december 2023 zijn gedaan. De sluiting van het onderzoek in Marengo is bij die laatste zitting (opnieuw) aangekondigd voor de zitting van 14 februari 2024, het vonnis voor de zitting van 27 februari 2024.
2. Bij e-mailbericht van 17 januari 2024 heeft het Openbaar Ministerie aan de rechtbank en de raadslieden aanvullende stukken gezonden ter voeging in het dossier. Het betreft – kort gezegd – uitvoeringsstukken uit Marokko betreffende een verhoor van [naam 1] op 10 oktober 2018 over het zaaksdossier Ster en ontsleutelde PGP-berichten uit drie PGP-toestellen die door het Openbaar Ministerie aan respectievelijk [naam 1] , verdachte [verdachte 1] en verdachte [verdachte 2] worden toegerekend. Deze stukken zijn inmiddels (op 22 januari 2024) door het Openbaar Ministerie aan de rechtbank en de verdediging doorgenummerd in een negende aanvulling op het dossier verstrekt.
3. De rechtbank heeft bij e-mailbericht van 19 januari 2024 aan procespartijen laten weten dat zij om vertraging in de planning van de sluitingszitting en de vonnisdatum te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken, op korte termijn (de gevolgen van) de recent door het Openbaar Ministerie gevoegde stukken met de procespartijen wenste te bespreken en dat zij daartoe op 6 februari 2024 een extra zitting zou houden. Daarbij is bepaald dat indien raadslieden naar aanleiding van de nieuwe stukken (voorwaardelijke) onderzoekswensen wilden indienen of een (aanvullend) standpunt wilden innemen, zij dit voorafgaand aan de zitting kenbaar dienden te maken en deze (voorwaardelijke) wensen en/of (aanvullende) standpunten uiterlijk op 1 februari 2024 per e-mail aan de rechtbank en het Openbaar Ministerie dienden te doen toekomen. Ook is daarbij medegedeeld dat de zittingsdata van 14 en 27 februari 2024 niet komen te vervallen.
4. Mr. Meijering heeft namens verdachte [verdachte 3] bij e-mailbericht van 20 januari 2024 onderzoekswensen ingediend.
5. Mr. G.N. Weski heeft namens verdachte [verdachte 2] bij e-mailbericht van 25 januari 2024 onderzoekswensen ingediend.
6. Mr. Boersma heeft namens verdachte [verdachte 4] bij e-mailbericht van 30 januari 2024 haar overwegingen met betrekking tot in te dienen onderzoekswensen toegezonden en daarbij een aanvullend standpunt met betrekking tot de aanvullende stukken ingenomen.
7. Mrs. Dunsbergen en Van ‘t Land hebben namens verdachte [verdachte 5] op 1 februari 2024 onderzoekswensen ingediend.
8. Het Openbaar Ministerie heeft bij e-mailbericht van 2 februari 2024 gereageerd op de onderzoekswensen.
9. Namens verdachten [verdachte 2] , [verdachte 6] , [verdachte 7] , [verdachte 8] en [verdachte 9] is (op voorhand) schriftelijk dan wel ter zitting van 6 februari 2024 voorwaardelijk, namelijk in het geval de rechtbank tot uitstel van de vonnisdatum komt, een verzoek gedaan met betrekking tot de voorlopige hechtenis. Die verzoeken variëren: het betreft voorwaardelijke verzoeken tot opheffing dan wel schorsing van de voorlopige hechtenis maar ook voorwaardelijke verzoeken om de verdediging nog in de gelegenheid te stellen om een (gemotiveerd) verzoek met betrekking tot de voorlopige hechtenis te doen.
10. Ter zitting van 6 februari 2024 zijn de onderzoekswensen nog nader toegelicht en heeft het Openbaar Ministerie daarop gereageerd. De rechtbank heeft vervolgens op de gedane verzoeken tot het horen van de kroongetuige beslist – samengevat – dat het verzoek van mr. Meijering daartoe wordt afgewezen en dat het verzoek van mrs. Dunsbergen en Van ‘t Land daartoe gedeeltelijk wordt toegewezen en voor het overige wordt afgewezen. Het aansluitverzoek van mr. Boersma is afgewezen.
11. Vervolgens is de kroongetuige ter zitting als getuige gehoord in de zaak van verdachte [verdachte 5] . Na afloop van het verhoor hebben mrs. Dunsbergen en Van ‘t Land verzocht om hen gelegenheid te bieden zich nog uit te kunnen laten over de aanvullende stukken en het verhoor van de kroongetuige.
12. De rechtbank heeft vervolgens medegedeeld dat zo spoedig mogelijk schriftelijk zal worden beslist over de overige onderzoekswensen. Hieronder volgen de beslissingen van de rechtbank. Voor de volledigheid zal de rechtbank hieronder eveneens de mondeling ter zitting van 6 februari 2024 gegeven beslissingen op de verzoeken tot het horen van de kroongetuige opnemen.
Beslissingen
In de zaken van alle verdachten
Voeging bij de processtukken en scenario
Inleiding
13. De rechtbank heeft in haar e-mailbericht aan procespartijen van 19 januari 2024 laten weten dat een van de scenario’s waar de rechtbank aan denkt het scenario is waarbij de nieuwe stukken – gelet op het late moment van voeging – in de eerste aanleg niet meer worden toegelaten als potentieel bewijsmiddel. In dat scenario zijn deze stukken alleen te gebruiken als hieruit ontlastende informatie kan worden gehaald of anderszins ter onderbouwing van een van de standpunten van de verdediging.
14. Het Openbaar Ministerie heeft bij e-mailbericht van 20 januari 2024 laten weten dat het zich in dit geschetste scenario kan vinden.
15. Dit scenario is ter zitting van 6 februari 2024 besproken met procespartijen. Enkele raadslieden hebben over dit scenario vragen gesteld, waaronder de vragen of de aanvullende stukken gevoegd zijn bij de processtukken, hoe de rechtbank de aanvullende stukken weegt voor het bewijs en of de rechtbank op voorhand kan laten weten welke stukken zij als belastend en welke zij als ontlastend beoordeelt.
Oordeel van de rechtbank
16. De rechtbank stelt vast dat de aanvullende stukken door het Openbaar Ministerie ter voeging aan de rechtbank zijn gestuurd. De aanvullende stukken zijn relevant en daarom aan te merken als processtukken. Dat betekent dat de rechtbank deze stukken voegt bij de processtukken. Echter, nu de voeging zo kort voor de geplande vonnisdatum plaatsvindt, zal de rechtbank deze nieuwe stukken in eerste aanleg niet gebruiken als bewijsmiddel. In reactie op vragen van de verdediging geldt dat dit (dus) betekent dat de rechtbank de aanvullende stukken niet in belastende zin gebruikt. De rechtbank weegt de aanvullende stukken uitsluitend – ambtshalve dan wel op aangeven van de verdediging of het Openbaar Ministerie – in ontlastende zin mee. Als de verdediging de rechtbank wijst op onderdelen in de aanvullende stukken die haar standpunten kunnen ondersteunen, dan zal de rechtbank dat ook meewegen. De rechtbank zal niet op voorhand laten weten of, en zo ja, welke (delen uit die) stukken zij als ontlastend ziet maar daarover pas bij vonnis oordelen als zij daaraan toekomt. De door enkele raadslieden ingenomen stellingen dat deze werkwijze in strijd is met artikel 6 EVRM en/of dat verdachte hierdoor ‘een instantie’ mist om onderzoek te verzoeken en te laten uitvoeren naar potentiële bewijsmiddelen, volgt de rechtbank niet. Door de stukken in eerste aanleg alleen in ontlastende zin te gebruiken worden verdachten niet in hun verdedigingsrechten geschaad.
In de zaak van verdachte [verdachte 2]
Verzoek tot hervertaling van de Marokkaanse uitvoeringsstukken
Verzoek van de verdediging
17. De verdediging heeft verzocht om de uitvoeringsstukken uit Marokko opnieuw te laten vertalen. Daartoe is aangevoerd dat getwijfeld wordt aan de algehele betrouwbaarheid ervan vanwege de vele tekstuele onjuistheden, terwijl het gaat om een belastende verklaring van een medeverdachte. Gewezen wordt op de vermelding “de heer” in plaats van “mevrouw”, op “de Nederlandse RHV”, “voor zaak betreffende deelname aan een criminele organisatie”, “pardon en monitoring van misdrijven”, “originele rechtshulpverzoek”, “proces-verbalen van de uitvoering”, “de Nederlandse rechtshulpverzoek”, “nemen wij contact met de directeuren ervan” en “Over-Fert”.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
18. Het Openbaar Ministerie stelt zich op het standpunt dat het verzoek moet worden afgewezen. Het verhoor is in het Marokkaans genoteerd en daarna vertaald. Dat er taalfouten in voorkomen heeft te maken met de fonetische wijze waarop instanties, juridische termen, namen van personen en plaatsen in het Marokkaans door de Marokkaanse griffier zijn genoteerd. Dat heeft dus niet te maken met de vertaling van die aantekeningen. Er is geen reden om te twijfelen aan de kwaliteit van de vertaling.
Oordeel van de rechtbank
19. De rechtbank constateert dat de door de raadsman genoemde tekstuele onjuistheden overwegend ( kleine ) taalfouten betreffen. Voor het overige gaat het om een (kennelijk) fonetisch opgenomen Nederlandse plaatsnaam (“Over Fert”), die vanuit het Marokkaans weer naar het Nederlands is vertaald. Duidelijk is wat daarmee wordt bedoeld. Niet gezegd kan worden dat hierdoor de vertaling niet betrouwbaar kan worden geacht. Het verzoek wordt afgewezen omdat er geen noodzaak is de vertaling opnieuw te laten doen.
Verzoeken tot het horen van getuigen
Verzoek van de verdediging
20. De verdediging heeft verzocht om het horen als getuige van [naam 1] , verdachte [verdachte 10] , verdachte [verdachte 8] , [verdachte 11] (de rechtbank begrijpt: verdachte [verdachte 11] ), [naam 2] (de rechtbank begrijpt: [naam 2] ), verdachte [verdachte 12] , [naam 3] en ‘ [naam 4] ’.
21. Ten aanzien van [naam 1] heeft de verdediging aangevoerd dat zij hem wenst te confronteren met zijn verklaringen. [naam 1] heeft het namelijk in zijn oktober verklaring over een zekere ‘ [verdachte 2] ’ die net als hij in [woonplaats] zou wonen, maar aan de andere kant dat hij zijn volledige naam niet kent, maar hem ook kent als [bijnaam 1] . Deze namen en omschrijvingen passen niet bij verdachte [verdachte 2] en indien [naam 1] dit ten overstaan van de rechter-commissaris bevestigt, kan dat dus als ontlastend worden beschouwd. Daarnaast wenst de verdediging [naam 1] te confronteren met de berichten uit zijn telefoon waaruit volgt dat hij als enige betrokken was bij het volgen van de [naam 5] ’s en verdachte [verdachte 2] geen rol heeft gespeeld bij de liquidatie van [slachtoffer] . Het is een evident belang om hem hierover te bevragen nu die resultaten zeer mogelijk als ontlastend kunnen worden beschouwd. De verdediging wijst erop dat de rechter-commissaris in oktober 2022 heeft laten weten dat het horen van [naam 1] binnen 9 tot 12 maanden zou kunnen plaatsvinden, maar dat de rechtbank daar niets mee heeft gedaan. Dit is zonde omdat hij inmiddels wel had kunnen worden gehoord.
22. Ten aanzien van de overige getuigen heeft de verdediging aangevoerd dat deze personen voorkomen in de berichten die verkregen zijn uit de telefoons van [naam 1] en vermeend verdachte [verdachte 2] en de verdediging hen wenst te bevragen over wie de ‘ [naam 6] ’ betreft waarmee ze contact hebben gehad. Als zij zeggen dat ‘ [naam 6] ’ niet verdachte [verdachte 2] betreft, dan kan dit op vele vlakken als ontlastend worden beschouwd. In het rechtshulpverzoek dat ten behoeve van het horen van [naam 1] uit zal gaan kan het verzoek met betrekking tot de eveneens in Marokko gedetineerde [naam 3] worden meegenomen. Ten aanzien van de identiteit van ‘ [naam 4] ’ heeft de verdediging gesteld dat het zeer onwaarschijnlijk is dat het Openbaar Ministerie niet weet wie deze persoon is. Door dit bewust te verzwijgen, ontneemt het Openbaar Ministerie de verdediging de mogelijkheid hem te ondervragen, wat in strijd is met artikel 6 EVRM.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
23. Het Openbaar Ministerie stelt zich op het standpunt dat de verzoeken tot het horen van de getuigen moet worden afgewezen. Ten aanzien van het horen van [naam 1] als getuige heeft het gewezen op de afwijzende beslissing van de rechtbank van 15 december 2022, waarin is overwogen dat een verhoor pas zinvol is als [naam 1] in Nederland zou zijn. Uit recente navraag bij het LIRC is het Openbaar Ministerie gebleken dat deze situatie nog niet veranderd is. Ten aanzien van het horen van de overige getuigen over de vraag of ‘ [naam 6] ’ verdachte [verdachte 2] is, geldt dat dit niet nieuw is. Het Openbaar Ministerie heeft dit in het requisitoir al betoogd en niet eerder is gevraagd om een verhoor van medeverdachten hierover.
Oordeel van de rechtbank