Home

Rechtbank Amsterdam, 05-12-2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:7539, C/13/759152 FT RK 24.1022 en 759854 FT RK 24.1077

Rechtbank Amsterdam, 05-12-2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:7539, C/13/759152 FT RK 24.1022 en 759854 FT RK 24.1077

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
5 december 2024
Datum publicatie
6 december 2024
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2024:7539
Zaaknummer
C/13/759152 FT RK 24.1022 en 759854 FT RK 24.1077

Inhoudsindicatie

Verlenging afkoelingsperiode met twee maanden, vanaf 30 november 2024

Uitspraak

Afdeling Privaatrecht

verzoeken opheffing dan wel verlenging afkoelingsperiode

rekestnummers: C/13/759152 FT RK 24.1022 en 759854 FT RK 24.1077

uitspraakdatum: 5 december 2024

beschikking op het ingekomen verzoekschrift met bijlagen, met rekestnummer C/13/759152 FT RK 24.1022, van:

de rechtspersoon naar buitenlands recht

[rechtspersoon 1] ,

gevestigd te [plaats] ,

hierna te noemen: het investeringsfonds,

advocaten: mrs. L.P. Kortmann, A.J.C.M. Meijs en C.M.A. Knoben,

strekkende tot opheffing van de afgekondigde afkoelingsperiode ex artikel 376 lid 11 Fw ten aanzien van:

de besloten vennootschap

[rechtspersoon 2] ,

statutair gevestigd te [plaats] ,

ingeschreven bij de Kamer van Koophandel onder nummer [nummer] ,

advocaten: mrs. F.J.M. Hengst, R.G.A. Elkerbout-Kok, C.D. Veldman en P. van der Veen,

en op het ingekomen verzoekschrift strekkende tot verlenging van de afkoelingsperiode ex artikel 376 lid 5 Fw, met bijlagen en rekestnummer C/13/759854 FT RK 24.1077, van:

de besloten vennootschap

[rechtspersoon 2] ,

statutair gevestigd te [plaats] ,

ingeschreven bij de Kamer van Koophandel onder nummer [nummer] ,

hierna te noemen: [rechtspersoon 2] ,

advocaten: mrs. F.J.M. Hengst, R.G.A. Elkerbout-Kok, C.D. Veldman en P. van der Veen.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende processtukken:

- de beschikking van de rechtbank van 31 juli 2024, waarbij een afkoelingsperiode is gelast ten aanzien van [rechtspersoon 2] voor de duur van vier maanden en [observator] als observator (hierna: de observator) is aangesteld;

- het verzoekschrift van het investeringsfonds, met bijlagen, tot opheffing van de afkoelingsperiode, van 1 november 2024;

- de zienswijze van het bestuur van [rechtspersoon 2] , met bijlagen, van 18 november 2024;

- de zienswijze van [rechtspersoon 1] , [bedrijf 1] (hierna: de [groep] ), met bijlagen, van 18 november 2024;

- de zienswijze van [trustee] (hierna: de Trustee), met bijlage, van 18 november 2024;

- de zienswijze tevens houdende verzoek tot verlenging van de afkoelingsperiode, met bijlagen, van [rechtspersoon 2] van 18 november 2024;

- de zienswijze van de observator, met bijlagen, van 19 november 2024;

- de spreekaantekeningen van mr. Meijs zijdens het investeringsfonds;

- de spreekaantekeningen van mrs. F.J.M. Hengst, R.G.A. Elkerbout-Kok, C.D. Veldman en P. van der Veen zijdens [rechtspersoon 2] .

- de spreekaantekeningen van mr. N.B. Pannevis zijdens de [groep] ;

- de spreekaantekeningen van mrs. V.R. Vroom, B. Kemp en A.J. Dunki Jacobs zijdens het bestuur van [rechtspersoon 2] ;

- de spreekaantekeningen van mr. T. Elseman zijdens de Trustee.

1.2.

De verzoeken zijn gelijktijdig behandeld ter openbare zitting van 21 november 2024. Via een videoverbinding hebben - anders dan louter als toehoorder, zoals de Braziliaanse, Spaanse en Amerikaanse counsel van de [rechtspersoon 2] groep - aan de zitting deelgenomen:

van de zijde van het investeringsfonds en de [groep] :

-

mevrouw [naam 1] ,

-

mrs. L.P. Kortmann, A.J.C.M. Meijs, C.M.A. Knoben, advocaten te Amsterdam, namens het investeringsfonds,

-

mrs. N.B. Pannevis en D.M. van de Loo, namens de [groep] ,

van de zijde van (het bestuur van) [rechtspersoon 2] :

-

[naam 2] ,

-

[naam 3] ,

-

[naam 4] ,

-

[naam 5] ,

-

[naam 6] ,

-

mrs. R.G.A. Elkerbout-Kok, P. van der Veen, F.J.M. Hengst, C.D. Veldman, advocaten te Amsterdam, namens [rechtspersoon 2] ,

-

mrs. B. Kemp en A.J. Dunki Jacobs, advocaten te Amsterdam, namens het bestuur van [rechtspersoon 2] ,

-

[naam 7] , [naam 8] en [naam 9] , vertegenwoordigers van de [rechtspersoon 3] ,

-

A. Burrough, tolk,

van de zijde van de observator:

-

[observator] , observator,

-

[kantoorgenoot 1] , [kantoorgenoot 2] , en [kantoorgenoot 3] , kantoorgenoten van de observator,

van de zijde van [trustee] :

- mr. T. Elseman, advocaat te Amsterdam,

2 Het verzoek en de zienswijze van het investeringsfonds

2.1.

Het investeringsfonds verzoekt om opheffing van de afkoelingsperiode die van toepassing is op [rechtspersoon 2] en, voor het geval om verlenging wordt verzocht, om de afkoelingsperiode niet te verlengen.

2.2.

Het investeringsfonds voert daartoe – kort zakelijk weergegeven en voorzover van belang – het volgende aan:

i) [rechtspersoon 2] is niet begonnen met de voorbereidingen of onderhandelingen met schuldeisers voor een WHOA-akkoord dat voor homologatie in aanmerking zal komen;

ii) de afkoelingsperiode is niet noodzakelijk om de onderneming van [rechtspersoon 2] voort te zetten;

iii) de belangen van de schuldeisers zijn niet gediend bij de afkoelingsperiode, maar worden momenteel geschaad door de afkoelingsperiode en de handelingen die [rechtspersoon 2] tijdens de afkoelingsperiode verricht ten aanzien van haar actief.

2.3.

Op 16 september 2024 heeft [rechtspersoon 2] besloten – zonder voorafgaand overleg met of informatieverstrekking aan haar schuldeisers en zonder de Braziliaanse rechter te informeren over het lopende WHOA-traject – in Brazilië onderdeel te worden van een geconsolideerde insolventieprocedure (hierna: EJ-Procedure) en in dat kader is een EJ Plan ingediend. Gebleken is dat (de afkoelingsperiode onder) de WHOA-procedure alleen wordt ingezet om de schuldeisers van [rechtspersoon 2] afzijdig te houden van het debat over de herstructurering van de Groep dat in Brazilië plaatsvindt. Tegelijkertijd weigert [rechtspersoon 2] iedere vorm van informatieverstrekking aan haar schuldeisers en meent zij dat het informeren van de observator voldoende is. Het investeringsfonds is van mening dat [rechtspersoon 2] probeert haar schuldeisers hun rechten te ontnemen, althans schade toe te brengen en heeft gelijktijdig met het onderhavige verzoek een verzoekschrift tot faillietverklaring van [rechtspersoon 2] ingediend.

2.4.

[rechtspersoon 2] wil niet tot een homologeerbaar WHOA-akkoord komen. [rechtspersoon 2] heeft verklaard dat zij slechts een financieringsvehikel is en geen onderneming drijft, voor welke situatie een afkoelingsperiode niet is bedoeld. Bovendien probeert [rechtspersoon 2] het Nederlandse recht te omzeilen door in de diverse internationale gerechtelijke procedures tegenstrijdige verklaringen af te leggen over haar centrum van de voornaamste belangen. Doordat [rechtspersoon 2] heeft ingestemd met deelname aan de geconsolideerde Braziliaanse procedure kan zij haar verplichtingen onder de WHOA niet nakomen. Op 11 oktober 2024 heeft [rechtspersoon 2] een memorandum verstrekt met daarin een voorlopig overzicht van de voorwaarden van een toekomstig WHOA-akkoord, echter dit bevat geen enkele financiële details en de informatie die wel wordt verstrekt maakt duidelijk dat de (beoogde) inhoud ervan geen WHOA-akkoord is dat door de rechtbank zou kunnen worden gehomologeerd.

2.5.

[rechtspersoon 2] heeft aangegeven dat zij geheel afhankelijk is van het welslagen van een koopovereenkomst met [bedrijf 2] op groepsniveau, maar heeft dit op geen enkele manier aan haar schuldeisers inzichtelijk gemaakt. [rechtspersoon 2] stelt wel dat een WHOA-akkoord een voorwaarde zou zijn voor [bedrijf 2] om de transactie te doen plaatsvinden. Bewijs daarvan wordt niet geleverd. [rechtspersoon 2] gebruikt de afkoelingsperiode alleen maar om haar schuldeisers weg te houden van de onderhandelingstafel. Onder deze omstandigheden is [rechtspersoon 2] niet in staat om tijdig een WHOA-akkoord tot stand te brengen en wordt niet langer voldaan aan de criteria van artikel 376 lid 1 Fw.

3 Het verzoek en de zienswijze van [rechtspersoon 2]

3.1.

heeft verzocht de afkoelingsperiode te verlengen met vier maanden, tot 31 maart 2025. Zij heeft haar standpunten ter zitting nader toegelicht. Deze komen – samengevat en voor zover relevant – op het volgende neer.

3.2.

[rechtspersoon 2] bevindt zich – als onderdeel van de [rechtspersoon 3] – in een complexe financiële herstructurering waarin zij op meerdere (internationale) borden tegelijk schaakt om een maximale opbrengst voor haar schuldeisers te realiseren.

3.3.

Sinds de beschikking van 31 juli 2024 waarin de rechtbank een afkoelingsperiode heeft afgekondigd, hebben [rechtspersoon 2] en de [rechtspersoon 3] belangrijke vooruitgang geboekt. Het best mogelijke resultaat voor de Groep en haar schuldeisers kan worden behaald door verkoop van de Groep aan [bedrijf 2] , als onderdeel van het Braziliaanse herstructureringsproces. Inmiddels zijn de voorwaarden van de verkoop van de Groep aan [bedrijf 2] uitonderhandeld en is sprake van een zo goed als finale share purchase agreement (hierna: SPA) tussen [bedrijf 3] en [bedrijf 2] . Voorts heeft de Groep een op de verkoop gebaseerd herstructureringsakkoord voorbereid in de EJ-Procedure, dat kort na ondertekening van de SPA zal worden ingediend voor homologatie binnen de Braziliaanse procedure. Vervolgens kan [rechtspersoon 2] een parallel akkoord aanbieden in de onderhavige WHOA-procedure. Dit betekent dat ook (vooruitgang ten aanzien van) een akkoord onder de WHOA wordt gerealiseerd. Het WHOA-akkoord is immers een weerspiegeling van EJ plan. Het is in het belang van [rechtspersoon 2] en dat van haar gezamenlijke schuldeisers, dat de tijdslijnen van de onderhavige WHOA-procedure zoveel mogelijk aansluiten bij het proces in Brazilië en de andere relevante jurisdicties. [rechtspersoon 2] genereert als financieringsvehikel zelf geen inkomsten. Het belangrijkste actief van [rechtspersoon 2] is een vordering met een nominale waarde van circa USD 1,2 miljard op haar groepsmaatschappij [groepsmaatschappij] , waarop zij geen noemenswaardige uitkering kan verwachten in een liquidatiescenario. [rechtspersoon 2] is daarom voor elk akkoord dat zij aan haar schuldeisers kan aanbieden afhankelijk van een oplossing op groepsniveau. [rechtspersoon 2] acht een verlenging van de afkoelingsperiode daarom noodzakelijk en gerechtvaardigd. De doorlopende pogingen van de [groep] , waarvan het investeringsfonds deel uitmaakt, om meer gedetailleerde informatie te verkrijgen dan waarop zij recht heeft en om het stabiele platform voor de herstructurering aan te tasten, zijn er slechts op gericht de eigen onderhandelingspositie te verbeteren ten koste van de onderneming en de gezamenlijke schuldeisers. Net als het onderhavige opheffingsverzoek en de faillissementsaanvraag, bemoeilijkt en vertraagt dit de verkoop van de Groep aan [bedrijf 2] en het presenteren van een herstructureringsakkoord.

3.4.

Ten aanzien van het opheffingsverzoek stelt [rechtspersoon 2] het navolgende. Het investeringsfonds en de overige leden van de [groep] zijn regelmatig en voldoende door de Groep geïnformeerd over de wereldwijde herstructurering en zijn daarom goed op de hoogte van de door [rechtspersoon 2] en de Groep geboekte vooruitgang. De [rechtspersoon 3] heeft op 16 september 2024 een concept EJ Plan voorgelegd aan haar schuldeisers. De adviseurs van [rechtspersoon 3] en de adviseurs van de [groep] , waarvan het investeringsfonds onderdeel uitmaakt, hebben op regelmatige basis contact om de [groep] inzicht te bieden in de voortgang met betrekking tot de beoogde transactie met [bedrijf 2] en de contouren van het daarop gebaseerde herstructureringsplan. De afkoelingsperiode is bovendien noodzakelijk om de door [rechtspersoon 2] gedreven onderneming voort te kunnen zetten. De belangen van de gezamenlijke schuldeisers zijn gediend bij verlenging van de afkoelingsperiode en derden worden daardoor niet wezenlijk in hun belangen geschaad. De Trustee vertegenwoordigt niet alle houders van Notes; zo worden ‘interne’ houders van Notes niet door de Trustee gerepresenteerd. De aanvraag van het faillissement van [rechtspersoon 2] door de [groep] toont reeds aan dat verlenging van de afkoelingsperiode noodzakelijk is om het faillissement van [rechtspersoon 2] danwel andere verhaalsacties te voorkomen. Tevens is er geen reden om aan te nemen, zoals het investeringsfonds stelt, dat het (beoogde) WHOA plan niet voor homologatie in aanmerking zal komen.

3.5.

Op de door [rechtspersoon 2] aangevoerde gronden zal de rechtbank hierna – voor zover van belang – verder ingaan.

4 Zienswijze van het bestuur van [rechtspersoon 2]

5 Zienswijzen van de [groep] en de Trustee

6 Zienswijze van de observator

7 De beoordeling

8 De beslissing