Rechtbank Amsterdam, 31-01-2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:825, C/13/718942 / HA ZA 22-478
Rechtbank Amsterdam, 31-01-2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:825, C/13/718942 / HA ZA 22-478
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Amsterdam
- Datum uitspraak
- 31 januari 2024
- Datum publicatie
- 23 februari 2024
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2024:825
- Zaaknummer
- C/13/718942 / HA ZA 22-478
Inhoudsindicatie
Door een beroepsfout van een advocaat heeft een fusie later plaatsgevonden. De vraag is aan de orde of als fusie op het beoogde tijdstip had plaatsgevonden, of dat wel een belastingvoordeel zou hebben opgeleverd (recht op aftrek van rente). Rechtbank oordeelt van niet. Gevorderde vermogensschade wordt daarom afgewezen. Overige gevorderde schade wordt gedeeltelijk toegewezen.
Uitspraak
vonnis
Afdeling privaatrecht
zaaknummer / rolnummer: C/13/718942 / HA ZA 22-478
Vonnis van 31 januari 2024
in de zaak van
1. de rechtspersoon naar buitenlands recht
INNOPHOS HOLDINGS, INC.,
gevestigd te Cranbury, New Jersey, Verenigde Staten van Amerika,
2. de rechtspersoon naar buitenlands recht
INNOPHOS, INC.,
gevestigd te Cranbury, New Jersey, Verenigde Staten van Amerika,
3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
INNOPHOS INTERNATIONAL HOLDINGS B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
eiseressen
advocaat: mr. G.C. Endedijk te Amsterdam.
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde] B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde,
advocaat mr. P.J. de Jong Schouwenburg te Amsterdam.
Partijen zullen hierna Innophos c.s. en [gedaagde] worden genoemd.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de (schadestaat-) dagvaarding van 18 mei 2022, met de daarin genoemde producties,
- de conclusie van antwoord in schadestaat,
- het tussenvonnis van 28 september 2022, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,
- het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 8 november 2023, met de daarin genoemde processtukken.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
De onderhavige procedure betreft een schadestaatprocedure volgend op een eerder tussen partijen onder zaaknummer / rolnummer C/13/670122 / HA ZA 19-832 bij deze rechtbank en vervolgens onder zaaknummer 200.307.751/01 bij het gerechtshof Amsterdam (hierna: het hof) gevoerde procedure (de hoofdzaak). De rechtbank heeft in de hoofdzaak op 3 maart 2021 vonnis gewezen en het hof in hoger beroep op 31 oktober 2023 (hierna: het hofarrest).
In de hoofdzaak is tussen partijen niet in geschil dat [gedaagde] in het najaar van 2018 een beroepsfout heeft gemaakt door het niet tijdig bij het handelsregister neerleggen van fusiedocumentatie. Hierdoor kon de beoogde juridische fusie tussen Innophos Netherlands Holdings B.V. (hierna: BV1) en Innophos International Holdings B.V. (hierna: BV2) niet meer met terugwerkende kracht tot 1 januari 2018 plaatsvinden. Het geschil in de hoofdzaak gaat over de vraag of Innophos c.s. daardoor schade hebben geleden. Partijen verschillen daarbij van mening of Innophos en haar groep zonder de beroepsfout in 2018 met recht rente over de zogenoemde ‘Mexico Lening 2’ in aftrek had kunnen brengen voor de vennootschapsbelasting. Mexico Lening 2 is een lening van een moedervennootschap aan BV1. De moedervennootschap heeft haar vordering op BV1 overgedragen aan een andere groepsentiteit, aangeduid als US LLC 2.
De rechtbank heeft in een vonnis van 3 maart 2021 in rechtsoverweging 4.6.2. geoordeeld dat zij ervan uitgaat dat in het geval de fusiestukken tijdig waren gedeponeerd, BV1 en BV2 in 2018 met terugwerkende kracht tot 1 januari 2018 geruisloos waren gefuseerd en dat de fiscale eenheid in dat geval met goedkeuring van de inspecteur van de Belastingdienst (hierna: de inspecteur) geacht werd per die datum te zijn verbroken. Verder is geoordeeld dat Innophos c.s. in elk geval de mogelijkheid van schade als gevolg van de beroepsfout voldoende aannemelijk hebben gemaakt. De rechtbank heeft vervolgens voor recht verklaard dat [gedaagde] aansprakelijk is jegens Innophos c.s. voor vergoeding van alle vermogensschade die Innophos c.s. hebben geleden en zullen lijden ten gevolge van de beroepsfout van [gedaagde] en de zaak verwezen naar de schadestaatprocedure ter vaststelling van de schade die Innophos c.s. hebben geleden en zullen lijden en de winst die zij zullen derven ten gevolge van de beroepsfout van [gedaagde] . Verder zijn Innophos c.s. in randnummer 5.3 veroordeeld in de proceskosten en in randnummer 5.4 in de nakosten.
Het hof heeft in het hofarrest de veroordeling van Innophos c.s. in de proceskosten en de nakosten vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de kosten in eerste aanleg gecompenseerd, in die zin dat ieder van partijen de eigen proceskosten draagt. Voor het overige heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd, onder verbetering van de gronden waarop het rust. Het hof heeft daartoe, voor zover hier van belang, het volgende overwogen.
In deze zaak, en dat is tussen partijen ook niet in geschil, is zonder meer sprake van
een (toerekenbare) tekortkoming, althans toerekenbare onrechtmatige daad van [gedaagde] nu
ten gevolge van een administratieve fout de fusiedocumentatie door [gedaagde] niet (tijdig) bij het handelsregister is neergelegd, waardoor de fusie tussen BV1 en BV2 niet meer in 2018 kon plaatsvinden.
Naast deze beroepsfout is condicio sine qua non-verband vereist tussen de beroepsfout
en de door Innophos c.s. gestelde schade. Dat ligt besloten in de woorden ‘daardoor’ in artikel 6:74 lid 1 BW en ‘dientengevolge’ in artikel 6:162 lid 1 BW. De toets voor dit causaal verband is of de werkelijke situatie en de hypothetische situatie zonder beroepsfout verschillen. Of dat zo is, moet worden vastgesteld door een vergelijking te maken tussen
enerzijds de situatie zoals die zich in werkelijkheid heeft voorgedaan en anderzijds de
hypothetische situatie die zich zou hebben voorgedaan als de beroepsfout achterwege was
gebleven.
In dit geval is het voor de vestiging van aansprakelijkheid vereiste causaal verband
zonder meer aanwezig. Zonder de beroepsfout was er in 2018 (onbetwist) een juridische fusie geweest tussen BV1 en BV2. Anders dan door Innophos c.s. in 2018 werd beoogd, is het in de werkelijke situatie echter pas in 2019 tot een fusie gekomen. De hypothetische situatie zonder en de werkelijke situatie met beroepsfout verschillen dus van elkaar, in het nadeel van Innophos c.s. Dat is voor de vestiging van aansprakelijkheid voldoende.
(...)
Het is voor het hof echter niet mogelijk de schade in de onderhavige uitspraak te
begroten, omdat het debat daarover nog onvoldoende is uitgekristalliseerd. Daartoe moeten
eerst de scenario’s met en zonder beroepsfout door partijen nog - zo feitelijk mogelijk en waar nodig onderbouwd met bewijsstukken - in beeld worden gebracht, met inachtneming van alle omstandigheden van het geval. Dat kan in de schadestaatprocedure gebeuren. Daarbij kan ook per schadepost worden onderzocht in hoeverre de individuele schadeposten in zodanig verband staan met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van [gedaagde] berust, dat deze schade haar, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend (als bedoeld in artikel 6:98 BW).
Ter verduidelijking merkt het hof daarbij op dat ook het debat over de kosten nog niet voldragen is. Naast het feit dat (ook) op deze kosten artikel 6:98 BW van toepassing is, is voor toewijzing van deze kosten immers vereist dat het redelijk was om de kosten te maken en dat de gemaakte kosten redelijk zijn. De beslissing hierover hangt samen met het debat dat in de schadestaatprocedure nog moet plaatsvinden
(...)
Verbetering van de gronden waarop de beslissing rust
Het hof overweegt ter verduidelijking van de omvang van de rechtsstrijd in de
schadestaatprocedure nog als volgt. De rechtbank heeft in rov. 4.6.2, samengevat, overwogen dat naar haar oordeel kan worden aangenomen dat de Belastingdienst positief had beschikt op het verzoek het fusietijdstip en het ontvoegingstijdstip te stellen op januari 2018 in het geval de fusiestukken wel tijdig waren gedeponeerd en BV1 en BV2 in 2018 waren gefuseerd.
Het hof heeft niet in zijn beoordeling betrokken (ook niet veronderstellenderwijs) of
bij uitblijven van de beroepsfout de terugwerkende kracht van de fusie in 2018 zou zijn
goedgekeurd. Het hof heeft ongeacht het antwoord op die vraag geoordeeld dat de beslissingen onder 5.1 en 5.2 van het bestreden vonnis dienen te worden bekrachtigd. Verder geldt het volgende. In de schadestaatprocedure dient de hypothetische situatie zonder beroepsfout te worden achterhaald. Het geschilpunt of zonder de beroepsfout de terugwerkende kracht van de fusie in 2018 had kunnen gelden, maakt daarvan onderdeel uit. Deze kwestie is naar het oordeel van het hof nog onvoldoende uitgekristalliseerd. Daarom is het voor het hof niet mogelijk in dit arrest al daarover te beslissen (zie ook 5.12 en 5.13 hiervoor). Het oordeel van de rechtbank houdt op dezelfde grond thans geen stand. In de schadestaatprocedure is de rechter dus niet aan rov. 4.6.2 van het bestreden vonnis gebonden.
3 Het geschil
Innophos c.s. vorderen dat [gedaagde] bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad – samengevat – wordt veroordeeld tot betaling van schadevergoeding ter hoogte van:
(i) € 466.510,69, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 1 januari 2020 tot aan de algehele voldoening,
(ii) € 25.840,00, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 1 januari 2021 tot aan de algehele voldoening,
(iii) € 111.072,53, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 1 januari 2022 tot aan de algehele voldoening,
(iv) € 31.339,63, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 18 mei 2022 tot aan de algehele voldoening,
(v) € 5.064.989,00, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 22 november 2020 tot aan de algehele voldoening,
(vi) € 23.773,00, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 18 mei 2022 tot aan algehele voldoening,
(vii) de proceskosten, alsmede de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
De vorderingen onder (i) tot en met (iv) zien op kosten die Innophos c.s. hebben gemaakt als gevolg van de beroepsfout. Innophos c.s.hebben in dat kader aangevoerd dat zij (1) een fiscaal adviseur hebben moeten inschakelen om de fiscale gevolgen van de beroepsfout in kaart te brengen en om maatregelen te nemen om de schade te beperken, (2) dat zij juridisch advies hebben moeten inwinnen om de schade en aansprakelijkheid voor de beroepsfout vast te stellen en, (3) dat zij notariële kosten hebben moeten maken om de fusie die in 2018 door toedoen van [gedaagde] niet was uitgevoerd, in 2019 alsnog te laten uitvoeren.Innophos c.s. stellen dat die kosten als in redelijkheid gemaakte buitengerechtelijke kosten op grond van artikel 6:96, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) voor vergoeding in aanmerking komen. Vordering (i) ziet op de kosten die Innophos c.s. in 2018 en 2019 hebben gemaakt. De vorderingen onder (ii) tot en met (iv) zien op de kosten in 2020, 2021 en 2022 tot aan het uitbrengen van de dagvaarding in deze schadestaatprocedure. De rente over al die kosten wordt steeds gevorderd vanaf 1 januari van het volgende kalenderjaar. Vordering (v) ziet op de fiscale schade die BV2 heeft geleden doordat de rente als gevolg van de beroepsfout niet aftrekbaar was.
Innophos c.s. hebben toegelicht de vordering tegen de 3 eiseressen in te stellen omdat de vordering van, oorspronkelijk, BV1 (Innophos Netherlands Holdings B.V.) door de in 2019 gerealiseerde fusie is overgegaan op BV2 (eiseres sub 3). En verder omdat Innophos Holdings inc (eiseres sub 1) opdrachtgever was van [gedaagde] en Innophos Inc (eiseres sub 2) alle facturen heeft betaald.
[gedaagde] voert verweer, waarop hierna, voor zover van belang, nader zal worden ingegaan.