Rechtbank Amsterdam, 31-12-2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:8361, 11364512
Rechtbank Amsterdam, 31-12-2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:8361, 11364512
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Amsterdam
- Datum uitspraak
- 31 december 2024
- Datum publicatie
- 10 januari 2025
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2024:8361
- Zaaknummer
- 11364512
Inhoudsindicatie
Huurrecht woonruimte. De vordering tot betaling van de huurachterstand wordt toegewezen. De vordering tot ontbinding/ontruiming wordt afgewezen, ondanks de huurachterstand van meer dan 3 maanden. De tekortkoming rechtvaardigt de ontbinding niet, nu rekening wordt gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de huurders en het feit dat de huurachterstand sinds het uitbrengen van de dagvaarding is verminderd.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11364512 \ CV EXPL 24-13393
fno.: 64443
Vonnis van 31 december 2024 (bij vervroeging)
in de zaak van
de besloten vennootschap Custodian Vesteda Fund I B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
eiseres,
hierna te noemen: Vesteda,
gemachtigde: Janssen & Janssen c.s. Gerechtsdeurwaarders,
tegen
1 [gedaagde 1] ,
wonende te [woonplaats] ,2. [gedaagde 2],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagden,
hierna te noemen: [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ,
procederend in persoon.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
-
de dagvaarding van 8 oktober 2024 met producties;
- -
-
het antwoord van 24 oktober 2024;
- -
-
het tussenvonnis van 12 november 2024 waarbij de mondelinge behandeling is bepaald;
- -
-
de akte van [gedaagde 1] van 7 november 2024 met bijlagen.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 9 december 2024. Namens Vesteda is verschenen [naam] , werkzaam bij de gemachtigde. Namens gedaagden is [gedaagde 1] verschenen. Partijen zijn gehoord en hebben vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft aantekeningen van de mondelinge behandeling gemaakt.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
Als gesteld en niet, althans onvoldoende, weersproken staat het volgende vast:
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn in 2017 in de woning aan het adres [adres] (hierna: de woning) komen wonen, samen met de moeder van [gedaagde 1] . Er is toen een huurovereenkomst gesloten tussen Vesteda en de moeder van [gedaagde 1] . [gedaagde 1] en [gedaagde 2] werden niet als (mede-)huurders op die huurovereenkomst vermeld.
In augustus 2022 is de moeder van [gedaagde 1] overleden.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn ook daarna in de woning blijven wonen. Door Vesteda is in 2023 een nieuwe huurovereenkomst d.d. 1 september 2023 (hierna: de huurovereenkomst) opgesteld. Op de huurovereenkomst staan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] als huurders vermeld. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben de huurovereenkomst niet ondertekend, omdat zij het niet eens waren met de nieuwe huurprijs, die circa € 300,00 hoger was dan de huurprijs die gold op basis van de huurovereenkomst met de moeder van [gedaagde 1] .
[gedaagde 2] lijdt al ruim vijftien jaar aan drie auto-immuunziektes. Daarnaast is zij vanaf november 2023 zodanig ziek geworden, dat zij tussen januari 2024 en juni 2024 in totaal zes operaties heeft moeten ondergaan.
Op 21 augustus 2024 heeft [gedaagde 1] een bedrijfsongeval gekregen.
Vanwege een huurachterstand over de maanden november 2023 tot en met maart 2024 is Vesteda in april 2024 een gerechtelijke procedure tegen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gestart. Deze procedure is ingetrokken na algehele betaling door [gedaagde 1] .
Nadien is weer een betalingsachterstand ontstaan. Op 3 juni 2024 heeft Vesteda een melding van die huurachterstand gedaan bij de gemeente Amsterdam in het kader van de vroegsignalering.