Rechtbank Amsterdam, 15-01-2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:338, 746249
Rechtbank Amsterdam, 15-01-2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:338, 746249
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Amsterdam
- Datum uitspraak
- 15 januari 2025
- Datum publicatie
- 21 januari 2025
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2025:338
- Zaaknummer
- 746249
Inhoudsindicatie
Reikwijdte regresverbod artikel 370 lid 2 Fw.
Uitspraak
Civiel recht
Zaaknummer: C/13/746249 / HA ZA 24-133
Vonnis van 15 januari 2025
in de zaak van
1 [eiser 1] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,2. [eiser 2] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,3. [eiser 3] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
advocaat: mr. K.C. Mensink,
tegen
ABN AMRO BANK N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: ABN AMRO,
advocaat: mr. A.M. Mennens.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 1 februari 2024, met producties,
- de conclusie van antwoord, met een productie,
- het tussenvonnis van 5 juni 2024, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 21 november 2024.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
[eisers] maken onderdeel uit van hetzelfde concern en exploiteren elk een restaurant. Daarvoor huren zij ieder een bedrijfsruimte in [vestigingsplaats] .
ABN AMRO heeft ten behoeve van de verhuurders van [eisers] aan iedere verhuurder een bankgarantie afgegeven. In verband daarmee hebben [eisers] contragaranties afgegeven aan ABN AMRO. [eisers] hebben tot zekerheid van hun betalingsverplichtingen onder deze contragaranties depotbedragen gestort op geblokkeerde rekeningen bij ABN AMRO en deze creditsaldi verpand aan ABN AMRO. Het gaat in totaal om € 162.495,08 (hierna: geblokkeerde creditsaldo).
Op enig moment zijn [eisers] door onder meer de lockdowns gedurende de coronacrisis in financiële moeilijkheden geraakt, waardoor zij hun schuldeisers niet langer konden betalen. Samen met andere vennootschappen uit het concern zijn [eisers] een akkoord-traject gestart als bedoeld in de Wet Homologatie Onderhands Akkoord (hierna: WHOA). In dat kader hebben [eisers] in een aspectenverzoek als bedoeld in van artikel 378 Faillissementswet (hierna: Fw) vragen gesteld aan de rechtbank Amsterdam over aspecten van de aan te bieden akkoorden. Één van de vragen in het verzoekschrift van 15 december 2022 was of ABN AMRO zich al dan niet op grond van artikel 370 lid 2 Fw mocht verhalen op het geblokkeerde creditsaldo na totstandkoming van de akkoorden. ABN AMRO heeft in die procedure een zienswijze ingediend en heeft ook tijdens de mondelinge behandeling op 18 januari 2023 aan de hand van spreekaantekeningen haar standpunt toegelicht, net als [eisers]
Bij beschikking van 1 februari 2023 (hierna: de aspectenbeschikking) heeft de rechtbank Amsterdam het volgende bepaald:
“(...) 10.14 Met betrekking tot de positie van de ABN inzake haar regresvordering stelt de rechtbank bij haar beoordeling voorop dat de wettekst van artikel 370 lid 2 Fw ruim is geformuleerd. In genoemd artikel is bepaald dat de derde, waaronder een borg of een medeschuldenaar, voor het bedrag dat hij na homologatie van het akkoord aan de schuldeiser voldoet, geen verhaal kan halen op de schuldenaar. De bepaling van het artikel luidt als volgt:
“Als een derde, waaronder een borg en een medeschuldenaar, aansprakelijk is voor een schuld van de schuldenaar aan een schuldeiser als bedoeld in het eerste lid of op enigerlei wijze zekerheid heeft gesteld voor de betaling van die schuld, is artikel 160 Fw van overeenkomstige toepassing, behoudens voor zover het een akkoord betreft als bedoeld in artikel 372, eerste lid. De derde kan voor het bedrag dat hij na de homologatie van het akkoord voldoet aan de schuldeiser geen verhaal nemen op de schuldenaar (...)”
Met name uit de woorden ‘waaronder’ en ‘op enigerlei zekerheid’ moet worden afgeleid dat deze bepaling ook heeft te gelden voor bankgaranties die na de homologatie van een akkoord worden ingeroepen. De wettekst, noch de memorie van toelichting bevat aanknopingspunten voor het standpunt dat voor de regresvordering van de bank, nadat zij is aangesproken en heeft betaald op grond van een door haar verstrekte bankgarantie, een uitzondering op deze algemene regel zou gelden. De wetgever heeft immers geen enkele uitzondering willen maken, blijkens de duidelijke wettekst. Met deze bepaling is expliciet beoogd te voorkomen dat de schuldenaar, nadat het akkoord is gehomologeerd en de schuldenaar zijn schulden heeft gesaneerd, alsnog insolvent raakt door het niet kunnen voldoen van regresvorderingen die na het akkoord ontstaan. Het door de bank gestelde en door verzoekers niet weersproken openbare pandrecht op de creditsaldi maakt dit oordeel niet anders. Op grond van de wet kan de schuldeiser na homologatie van het akkoord geen verhaal nemen op de schuldenaar. Het feit dat de bank zekerheden heeft gevestigd voor deze regresvordering doet hier niet aan af. Het maakt niet uit op welke wijze verhaal op de boedel wordt gezocht, de aard van de vordering staat eraan in de weg1.
ABN heeft voorts nog op een beroep gedaan op het fair balance-vereiste van artikel 1 Eerste Protocol EVRM en in het bijzonder dat, in het geval artikel 370 lid 2 Fw het nemen van regres na homologatie in de weg zou staan, dit een inbreuk op het eigendomsrecht oplevert. De wetgever heeft de inbreuk op het recht van (in dit geval) de bank, zoals vastgelegd in artikel 370 lid 2 Fw, noodzakelijk geacht voor het algemeen belang; voorkomen dat de schuldenaar na homologatie alsnog insolvent raakt door uitwinning van regresvorderingen. Het ligt dan op de weg van ABN aannemelijk te maken dat, vanwege de concrete omstandigheden van dit specifieke geval een disproportionele inbreuk dreigt. Dergelijke concrete omstandigheden zijn niet gesteld, noch gebleken, zodat het beroep op artikel 1 Eerste Protocol EVRM niet slaagt.
De rechtbank is derhalve van oordeel dat, indien ABN bedragen die zij uit hoofde van de verstrekte bankgaranties na de homologatie uitkeert, haar regresvordering valt onder het regresverbod van artikel 370 lid 2 Fw. De vraag onder (ii) wordt bevestigend beantwoord. (...)”.
Tegen de aspectenbeschikking staat op grond van artikel 369 lid 10 Fw geen rechtsmiddel open.
[eisers] hebben op 9 maart 2023 WHOA-akkoorden aangeboden aan hun schuldeisers en de akkoorden zijn aangenomen door alle stemgerechtigde belanghebbenden. Op 22 maart 2023 hebben [eisers] de stemverslagen ex artikel 382 lid 2 Fw opgemaakt en gedeponeerd ter griffie van de rechtbank Amsterdam.
Er zijn geen verzoeken tot homologatie van de akkoorden gedaan zodat de akkoorden niet overeenkomstig artikel 384 Fw zijn gehomologeerd door de rechtbank.
Na de definitieve totstandkoming van de akkoorden hebben de drie verhuurders van [eisers] ABN AMRO verzocht de bankgaranties uit te betalen. ABN AMRO heeft dat gedaan. [eisers] hebben vervolgens op 21 december 2023 aan ABN AMRO verzocht het geblokkeerde creditsaldo, binnen veertien dagen, aan hen uit te keren. ABN AMRO heeft dat geweigerd en heeft zich verhaald op het geblokkeerde creditsaldo.