Rechtbank Den Haag, 07-08-2013, ECLI:NL:RBDHA:2013:11075, C-09-427465 - HA ZA 12-1125
Rechtbank Den Haag, 07-08-2013, ECLI:NL:RBDHA:2013:11075, C-09-427465 - HA ZA 12-1125
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 7 augustus 2013
- Datum publicatie
- 9 oktober 2013
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2013:11075
- Zaaknummer
- C-09-427465 - HA ZA 12-1125
- Relevante informatie
- Burgerlijk Wetboek Boek 6 [Tekst geldig vanaf 04-02-2025 tot 28-06-2025], Burgerlijk Wetboek Boek 6 [Tekst geldig vanaf 04-02-2025 tot 28-06-2025] art. 2, Burgerlijk Wetboek Boek 6 [Tekst geldig vanaf 04-02-2025 tot 28-06-2025] art. 265, Burgerlijk Wetboek Boek 6 [Tekst geldig vanaf 04-02-2025 tot 28-06-2025] art. 266, Burgerlijk Wetboek Boek 6 [Tekst geldig vanaf 04-02-2025 tot 28-06-2025] art. 267, Burgerlijk Wetboek Boek 6 [Tekst geldig vanaf 04-02-2025 tot 28-06-2025] art. 268, Burgerlijk Wetboek Boek 6 [Tekst geldig vanaf 04-02-2025 tot 28-06-2025] art. 269, Burgerlijk Wetboek Boek 6 [Tekst geldig vanaf 04-02-2025 tot 28-06-2025] art. 270, Burgerlijk Wetboek Boek 6 [Tekst geldig vanaf 04-02-2025 tot 28-06-2025] art. 271, Burgerlijk Wetboek Boek 6 [Tekst geldig vanaf 04-02-2025 tot 28-06-2025] art. 272, Burgerlijk Wetboek Boek 6 [Tekst geldig vanaf 04-02-2025 tot 28-06-2025] art. 273, Burgerlijk Wetboek Boek 6 [Tekst geldig vanaf 04-02-2025 tot 28-06-2025] art. 274, Burgerlijk Wetboek Boek 6 [Tekst geldig vanaf 04-02-2025 tot 28-06-2025] art. 275, Burgerlijk Wetboek Boek 6 [Tekst geldig vanaf 04-02-2025 tot 28-06-2025] art. 276, Burgerlijk Wetboek Boek 6 [Tekst geldig vanaf 04-02-2025 tot 28-06-2025] art. 277, Burgerlijk Wetboek Boek 6 [Tekst geldig vanaf 04-02-2025 tot 28-06-2025] art. 278, Burgerlijk Wetboek Boek 6 [Tekst geldig vanaf 04-02-2025 tot 28-06-2025] art. 279
Inhoudsindicatie
Beroep op ontbindingsclausule in koopovereenkomst vanwege bodemverontreiniging gerechtvaardigd? Voorgenomen deskundigenonderzoek ter beoordeling van overgelegde rapporten.
Uitspraak
vonnis
Team handel
zaaknummer / rolnummer: C/09/427465 / HA ZA 12-1125
Vonnis van 7 augustus 2013
in de zaak van
1 [X],
wonende te [woonplaats],
2. [Y],
wonende te [woonplaats],
eisers,
advocaat mr. J.J. van der Gouw te Den Haag,
tegen
de publiekrechtelijke rechtspersoon
BUREAU BEHEER LANDBOUWGRONDEN,
gevestigd te Tilburg,
gedaagde,
advocaat eerst mr. A.J. Poortvliet, thans mr. W.T. Braams te Den Haag.
Partijen zullen hierna [X] c.s. (in mannelijk enkelvoud) en BBL genoemd worden.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
-
de dagvaarding van 19 juni 2012;
- -
-
de akte overlegging producties van [X] c.s., met producties;
- -
-
de conclusie van antwoord, met producties;
- -
-
het tussenvonnis van 14 november 2012, waarbij de rechtbank een comparitie van partijen heeft gelast;
- -
-
het proces-verbaal van comparitie van 14 maart 2013;
- -
-
de brief van mr. Van Poortvliet van 22 maart 2013;
- -
-
de brief van mr. Braams van 4 april 2013, met bijlagen;
- -
-
de brief van de rechtbank aan mr. Van der Gouw van 10 juni 2013;
- -
-
de brief van mr. Braams van 12 juni 2013;
- -
-
de brief van mr. Van der Gouw van 17 juni 2013;
- -
-
de brief van de rechtbank aan mr. Braams van 17 juni 2013.
Ten slotte is (opnieuw) een datum voor vonnis bepaald.
De rechtbank leest het proces-verbaal van de comparitie met inachtneming van de opmerkingen van mr. Poortvliet in zijn brief van 22 maart 2013.
2 De feiten
BBL heeft geen personeel. Haar werkzaamheden worden uitgevoerd door ambtenaren van de Dienst Landelijk Gebied (DLG), een agentschap van (thans) het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie. DLG en BBL worden daarom hierna beide aangeduid als BBL.
Eind 2008 heeft [X] c.s. zijn akkerbouwbedrijf te [woonplaats] inclusief woning en bedrijfsgebouwen met bijna 150 hectare grond verkocht aan BBL voor een koopprijs van € 10.500.000,-. [X] c.s. heeft de door BBL opgestelde schriftelijke koopovereenkomst ondertekend op 3 december 2008 en BBL op haar beurt op 23 december 2008. Van de koopovereenkomst maken deel uit een aantal algemene en bijzondere voorwaarden. De beoogde leveringsdatum was 16 maart 2009 of zoveel eerder of later als partijen nader zouden overeenkomen.
Artikel 3 lid 2 van de algemene voorwaarden bepaalt dat de feitelijke levering van het verkochte aan BBL zal geschieden in de staat waarin het zich bij het ondertekenen van de overeenkomst door de verkoper bevindt en dat verkoper zich verplicht voor het verkochte zorg te dragen als een zorgvuldig schuldenaar tot aan het tijdstip van feitelijke levering.
Artikel 7 van de algemene voorwaarden luidt onder meer als volgt:
“Met betrekking tot het risico van bodemverontreiniging in de onroerende zaak wordt het volgende bepaald.
1. Van bodemverontreiniging is sprake indien zich op en/of in de bodem van de onroerende zaak hogere concentraties van schadelijke stoffen bevinden dan op grond van natuurlijk voorkomen is te verwachten gelet op de streefwaarden vastgelegd in de circulaire van 4 februari 2000 (kenmerk DBO/1999226863) behorende bij de Wet bodembescherming, de stand van de wetenschap, dan wel daarvoor in de plaats tredende of aanvullende algemeen gangbare kwaliteitseisen.
2. Er zal een vooronderzoek worden verricht naar de aanwezigheid van bodemverontreiniging in de onroerende zaak conform NVN 5725. De resultaten van dit onderzoek zullen worden vastgelegd in een rapportage die aan partijen ter beschikking zal worden gesteld en waarvan een gewaarmerkt exemplaar aan de akte zal worden gehecht.
3. Het bureau (lees: BBL, rechtbank) kan verlangen dat vóór de aktepassering een verkennend onderzoek (conform NEN 5740) en zonodig nader onderzoek wordt uitgevoerd. Het verkennend onderzoek zal zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen twee maanden na de ondertekening door verkoper van de koopovereenkomst, op kosten van het bureau worden uitgevoerd. De resultaten van het bodemonderzoek worden vastgelegd in één of meerdere rapportages die aan partijen ter beschikking worden gesteld en waarvan (een) gewaarmerkt(e) exempla(a)r(en) aan de akte zal (zulen) worden gehecht. De aktepassering vindt niet plaats voordat de resultaten van het bodemonderzoek bekend zijn. Mochten de resultaten van het bodemonderzoek op de geplande datum van aktepassering niet bekend zijn, dan wordt de aktepassering uitgesteld zonder dat partijen aanspraak kunnen maken op verrekening van wettelijke rente of welke schadevergoeding dan ook.
(...)
6. Indien uit de resultaten van de in lid 2 en 3 bedoelde onderzoeken blijkt dat zich één van de navolgende situaties voordoet, dan is de overeenkomst van rechtswege ontbonden:
a. De bodem van de onroerende zaak is geheel of gedeeltelijk verontreinigd na 1 januari 1987 ;
b. In de bodem van de onroerende zaak bevindt zich een verontreiniging welke is ontstaan vóór 1 januari 1987 en die als een ernstig geval van bodemverontreiniging als bedoeld in de Wet bodembescherming moet worden aangemerkt;
c. In de bodem van de onroerende zaak bevindt zich een niet ernstige verontreiniging welke is ontstaan vóór 1 januari 1987 en die gebruiksbeperkingen met zich brengt voor het gebruik van de onroerende zaak zoals in de koopovereenkomst is vermeld;
(...)”
Artikel 16 van de bijzondere voorwaarden luidt als volgt:
“Indien blijkt dat drie maand na ondertekening van deze koopovereenkomst de resultaten van het in artikel 7 lid 3 van de algemene voorwaarden genoemd verkennend bodemonderzoek nog niet beschikbaar zijn kan koper deze koopovereenkomst niet meer op grond van artikel 7 van de algemene voorwaarden ontbinden en zal de aktepassering op de geplande datum plaatsvinden (16 maart 2009).
Dit artikel geldt niet voor aanvullend cq nader onderzoeken die naar aanleiding van het verkennend onderzoek noodzakelijk mochten zijn. ”
De circulaire van 4 februari 2000 (hierna: de circulaire 2000) als bedoeld onder artikel 7 lid van de algemene voorwaarden bevat geen streefwaarde (d.w.z. de waarde tot welk niveau verontreiniging van (vaste) grond moet worden gesaneerd) voor asbest. In dit verband vermeldt de circulaire 2000 onder meer het volgende:
“Voor het omgaan met stoffen waarvoor in deze circulaire geen interventiewaarden of indicatieve niveaus voor ernstige verontreiniging zijn gegeven, geeft voorliggende circulaire aanwijzingen in de vorm van een richtlijn voor niet-genormeerde stoffen. In deze richtlijn wordt onder andere ingegaan op asbest.
(...)
Bij onderzoek naar een geval van verontreiniging worden regelmatig stoffen aangetroffen, waarvoor in deze circulaire geen streefwaarden en/of interventiewaarden zijn opgenomen.
Een bekend voorbeeld hiervan is asbest. Dergelijke stoffen worden in dit kader aangeduid als ‘niet-genormeerde stoffen’. Indien dergelijke stoffen worden aangetroffen en men wil beoordelen of er sprake is van verontreiniging, of indien men voor deze stoffen een beschikking over de ernst en urgentie van het geval van verontreiniging wil afgeven, dan kan deze niet worden onderbouwd met een verwijzing naar de streefwaarden, interventiewaarden of indicatieve niveaus voor ernstige verontreiniging.”
Ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst was van kracht de Circulaire bodemsanering 2006, zoals gewijzigd per 1 oktober 2008 (hierna: de circulaire 2006/2008).
In bijlage 3 van deze circulaire is een “Milieuhygiënisch Saneringscriterium Bodem, Protocol Asbest” opgenomen. Volgens dit protocol dient eerst vooronderzoek en verkennend onderzoek plaats te vinden om te bepalen of sprake is van ernstige verontreiniging met asbest in de bodem. Daarvan is sprake als de gemiddelde concentratie binnen een ruimtelijke eenheid hoger is dan de interventiewaarde van 100 mg/kg d.s. (gewogen). Het vaststellen van deze concentratie dient te worden uitgevoerd overeenkomstig de NEN 5707 (landbodem) of NTA 5727 (waterbodem/baggerspecie).
Op 4 december 2008 heeft BBL opdracht verstrekt aan AquaTerra-KuiperBurger (hierna: ATKB) tot het uitvoeren van het in artikel 7 leden 2 en 3 van de algemene voorwaarden bedoelde voor- en verkennend bodemonderzoek op het verkochte.
Op 28 januari 2009 is ATKB gestart met het vooronderzoek door het uitvoeren van een terreininspectie, waarbij onder meer asbestverdacht materiaal werd aangetroffen.
Op 30 januari 2009 heeft ATKB met een handboor een aantal gaten in de verhardingen op de locatie Hogenakker 25 geboord, teneinde de onderliggende bodem te onderzoeken. Vanwege de aanwezigheid van puin in de ondergrond kon handmatig niet dieper worden geboord. ATKB heeft [X] c.s. toen gemeld dat zij op 3 februari 2009 machinale diepteboringen zou gaan uitvoeren.
Op 3 februari 2009 heeft [X] c.s. te kennen gegeven geen toestemming voor de diepteboringen te geven, omdat hij eerst een garantstelling van BBL wenste voor eventuele opstalschade tengevolge van deze werkzaamheden. Daarover is vervolgens tussen partijen overleg gevoerd.
Bij brief van 13 februari 2009 heeft BBL aan [X] c.s. een plan van aanpak van te verrichten bodem- en asbestonderzoek verstrekt.
Op 17 februari 2009 heeft [X] c.s. toestemming gegeven de werkzaamheden ter plaatse te hervatten, nadat BBL bij brief van 16 februari 2009 de door [X] c.s. verlangde garantstelling had verstrekt.
Op 18 februari 2009 heeft ATKB haar werkzaamheden hervat, waarbij ook een visuele maaiveldinspectie op asbest heeft plaatsgevonden.
Bij brief van 23 februari 2009 heeft BBL [X] c.s. onder meer het volgende medegedeeld:
“Ik wil u erop wijzen dat als gevolg van het tijdelijk niet kunnen uitvoeren van de noodzakelijke veldwerkzaamheden voor het bodemonderzoek, dit een opschortende werking heeft op artikel 16 van de bijzondere voorwaarden. Concreet betekent dit dat de genoemde datum in artikel 16 van de bijzondere voorwaarden, gewijzigd moet worden naar 6 april 2009.”
In maart 2009 heeft ATKB onder meer de volgende rapporten uitgebracht:
a. a) “Vooronderzoek volgens NVN 5725 en Verkennend onderzoek volgens NEN 5740, [straat 1] ong. te [woonplaats], Perceel [woonplaats], [sectie], [nummer 1]” d.d. 10 maart 2009;
b) “Vooronderzoek volgens NVN 5725 en Verkennend onderzoek volgens NEN 5740, [straat 2] ong. te [woonplaats], Percelen [woonplaats], [sectie], nummers 1618 en 1359” d.d. 11 maart 2009.
Bij brief van 18 maart 2009 heeft BBL aan de heer [A], de rentmeester van [X] c.s., met kopie aan laatstgenoemde onder meer het volgende medegedeeld:
“De resultaten van het historisch en verkennend bodemonderzoek met betrekking tot de aan te kopen bedrijfslocaties en de gronden van de heer [X] en mevrouw [Y] zijn ons digitaal aangereikt op dinsdag 10 maart en vrijdag 13 maart. De resultaten zijn op de dag van binnenkomst telefonisch met u besproken.
Aan de hand van bovengenoemde resultaten is nader onderzoek noodzakelijk. Onduidelijk op dit moment is, wanneer de nadere onderzoeksresultaten bekend zijn en wat daarvan de eventuele consequenties zijn.”
Op 7 mei 2009 heeft ATKB de volgende rapporten uitgebracht:
a. a) “Nader onderzoek asbest in bodem conform NEN 5707, Perceel [woonplaats] [nummer 1] gelegen aan de [straat 1] te [woonplaats]”;
b) “Nader onderzoek asbest in bodem conform NEN 5707, Twee landbouwpercelen gelegen aan de [straat 2] te [woonplaats], [sectie], [nummer 2 en 3]”.
Op 8 mei 2009 heeft BBL [X] c.s. op de hoogte gesteld van de resultaten van de onder 2.18 bedoelde onderzoeken.
Bij brief van 18 mei 2009 heeft BBL aan [X] c.s. bericht dat op drie percelen (O 1359, O 1618 en [nummer 1]) sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging met asbest en dat gelet hierop de koopovereenkomst op grond van artikel 7 lid 6 van de algemene voorwaarden van rechtswege is ontbonden.
Bij brief van 1 september 2009 heeft de toenmalige advocaat van [X] c.s., mr. R.A.A. Maat, aan BBL onder meer het volgende geschreven:
“Ter nadere onderbouwing van de dezerzijds ingenomen stellingen zal cliënt, de komende tijd onderzoek laten verrichten naar de veronderstellingen in het uwerzijds geproduceerde bodemonderzoek.
Mijn mogelijke stilzwijgen de komende tijd, vindt dan ook slechts zijn oorzaak in de tijd die daarmee gemoeid gaat.
onder voorbehoud van alle rechten,”
Bij brief van 19 november 2009 heeft BBL aan [X] c.s. het volgende geschreven:
“In navolging van de brief van d.d. 30 juli ‘09 van DLG met kenmerk DLG-9520 en de reactie daarop in brief d.d. 1 september’09 met kenmerk [X], VAN/STAAT van uw advocaat mr. Drs. J. Wouters het volgende.
In bedoelde brief geeft uw advocaat mr. Drs. J. Wouters aan dat u de onderzoeksrapporten die beschikbaar zijn gekomen in het kader van het uitgevoerde bodemonderzoek nader wil (laten) toetsen. Gelet het feit dit gepaard gaat met enige tijdbeslag, vraagt u begrip hiervoor en wordt aangekondigd dat op vrij korte termijn een nadere (uitgebreide) reactie zal worden toegezonden.
Helaas moet ik constateren dat na 30 juli inmiddels bijna vier maanden zijn verstreken en
dat ik nog geen nadere reactie van u heb mogen ontvangen.
Voor wat betreft het onderzoeken van mogelijkheden om de overeenkomst in gewijzigde vorm doorgang te laten vinden, heeft de heer [B] van DLG op 13 oktober ‘09 j.l. een telefonisch onderhoud gehad met de heer [A] (...)
In dit onderhoud is onderwerp van gesprek geweest:
- welke wijzigingsvoorstellen van de koopovereenkomst mogelijk zijn. Dit in de context van artikel 7 lid 7, waarin partijen gehouden zijn om met elkaar in overleg te treden over een mogelijke wijziging van de koopovereenkomst. Door de heer [B] hierbij met name genoemd die delen die in het verleden zijn aangemerkt als NCW-B gronden.
- een tweede aspect dat aan de orde kwam is de vraag door wie wordt u op dit moment vertegenwoordigd, de heer [A] of uw advocaat mr. Drs. J. Wouters?
De heer [A] gaf aan dat u in verband met drukke oogstwerkzaamheden de eerste 2 á 3 weken geen tijd zou hebben om op bovengenoemde onderwerpen te reageren. Zodra de heer [A] bovenstaande punten met u had besproken zou hij onze dienst daarover informeren.
Aangezien deze periode ruimschoots is verstreken, ga ik er vanuit dat u geen verdere behandeling/ overleg op prijs stelt. Ik maak u er op attent dat indien ik geen reactie van u ontvang voor 1 december 2009, ik onze inspanning om verder te onderhandelen staak en dit dossier als gesloten beschouw.”
Bij brief van 24 augustus 2010 heeft de opvolgende advocaat van [X] c.s., mr. J.B. Bierma, met een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur BBL gevraagd om toezending van bepaalde gegevens uit de bodemonderzoeken omdat “cliënten het onderzoek dat BBL heeft laten verrichten, opnieuw willen laten beoordelen door een deskundige.”
Bij brief van 23 september 2010 heeft BBL de gevraagde gegevens aan mr. Bierma verstrekt.
Bij brief van 28 februari 2011 heeft de huidige advocaat van [X] c.s.
zich op het standpunt gesteld dat de koopovereenkomst niet van rechtswege is ontbonden en dat BBL in verzuim is met de nakoming van de koopovereenkomst. Ter onderbouwing hiervan heeft mr. Van der Gouw onder meer verwezen naar het bijgevoegde rapport “Second opinion bodemverontreinigingssituatie zaak [X] versus DLG”, van februari 2011, uitgebracht door DHV (hierna: de Second opinion).
In reactie op deze brief heeft BBL zich bij brief van 1 april 2011 onder meer een beroep gedaan op rechtsverwerking aan de zijde van [X] c.s.
Bij brief van 20 april 2012 heeft mr. Van der Gouw aan BBL een concept-dagvaarding gezonden.