Rechtbank Den Haag, 14-11-2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:13289, C-09-539800-KG ZA 17-1258
Rechtbank Den Haag, 14-11-2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:13289, C-09-539800-KG ZA 17-1258
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 14 november 2017
- Datum publicatie
- 16 november 2017
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2017:13289
- Zaaknummer
- C-09-539800-KG ZA 17-1258
Inhoudsindicatie
Kort geding. Europese aanbesteding. Opdracht onder raamovereenkomst. Inschrijving “winnaar” moet als ongeldig terzijde worden gelegd. Deze partij heeft het inschrijvingsbiljet niet correct ondertekend. Alle tot de combinatie behorende ondernemingen hadden op dat biljet moeten worden vermeld en zij hadden het biljet ook allemaal moeten ondertekenen.
Uitspraak
Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/539800 / KG ZA 17/1258
Vonnis in kort geding van 14 november 2017
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
Antea Nederland B.V.,
statutair gevestigd en kantoorhoudende te Heerenveen,
eiseres,
advocaat mr. D.R. Versteeg te Amsterdam,
tegen:
de publiekrechtelijke rechtspersoon
de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Infrastructuur en Milieu, Rijkswaterstaat),
zetelende te Den Haag,
gedaagde,
advocaat mr. A.C.M. Remmé te Utrecht.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘Antea’ en ‘Rijkswaterstaat’.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met de daarbij en nadien overgelegde producties;
- de akte houdende een wijziging van eis met producties;
- de door Rijkswaterstaat overgelegde producties;
- de op 31 oktober 2017 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.
Ter zitting is vonnis bepaald op heden.
2 De feiten
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
Antea is contractpartij bij de Raamovereenkomst Projectbeheersing die Rijkswaterstaat met diverse partijen heeft gesloten (hierna: de Raamovereenkomst). Blijkens de gunningsbeslissing uit 2015 is een van de andere contractpartijen “Combinatie [X] B.V. / Bekwaam Interim Management B.V. / Cratos Risk B.V. / Concreet Projectmanagement B.V. / Nedmobiel B.V. / Pijlhove Bouwmanagement B.V. / Tauw B.V.” (hierna: de Combinatie).
In de raamovereenkomst zijn de voorwaarden vastgelegd voor alle door Rijkswaterstaat gedurende de looptijd van die overeenkomst te verstrekken opdrachten tot het verrichten van projectbeheersingsdiensten. Op grond van de raamovereenkomst heeft Rijkswaterstaat op 8 juni 2017 een uitnodiging verstuurd aan alle gecontracteerden om in te schrijven op de nadere overeenkomst ten behoeve van “Projectbeheersing Rotterdam 3, met zaaknummer 31126624” (hierna: de opdracht). In deze uitnodiging staat onder meer vermeld:
“Op de Uitnodiging tot inschrijving is de meervoudig onderhandse procedure, hoofdstuk 7 van het ARW 2012 van toepassing.”
en
“ Alle bij de Inschrijving te verstrekken documenten dienen te zijn ondertekend door een bevoegd vertegenwoordiger van de inschrijver.”
Inschrijvers op de opdracht dienden een prijs te bieden en een kwalitatief document te verstrekken, waarin invulling wordt gegeven aan twee EMVI-criteria. Met de score op die criteria kon elke aanbieder zijn inschrijfprijs fictief verlagen met een maximale aftrek van € 1.100.000,- (twee keer € 550.000,-). Met een score van 2 of 4 op de beide criteria behoorde ook een verhoging tot de mogelijkheden.
Er hebben twee partijen ingeschreven op de opdracht, te weten Antea en ‘DHM Infra BV (namens ‘Partners in Projectbeheersing)’.
In de aanbiedingsbrief van laatstgenoemde inschrijver van 24 juli 2017, waarmee zij haar inschrijving heeft verzonden, staat onder meer vermeld:
“(...) Wij bieden u de kennis en expertise aan van de combinatie ‘Partners in Projectbeheersing’. Deze combinatie bestaat uit de partijen DHM Infra BV, Bekwaam InterimManagement B.V., Cratos Risk B.V, Concreet Projectmanagement B.V., Nedmobiel B.V., Pijlhove Bouwmanagement B.V. en Tauw B.V. (...)
(...)
Projectcoördinator
Namens onze combinatie is de heer (...) vanuit Cratos Risk.
(...)
Alle eerder vermelde combinanten hebben middels een machtiging de penvoerder i.c. DHM Infra BV gemachtigd om als penvoerder de inschrijvingsstaat van elke Nadere Overeenkomst rechtsgeldig te ondertekenen. Deze machtiging is als bijlage toegevoegd.”
Het inschrijvingsbiljet van de Combinatie vermeldt als inschrijver:
“A) naam DHM Infra B.V. (namens Partners in Projectbeheersing”
Op het inschrijvingsbiljet staat verder vermeld:
“De Inschrijvers wijzen als gemachtigde om hen voor alle zaken te vertegenwoordigen aan, de hierboven onder A) genoemde inschrijver.
De inschrijvers verklaren dat onderstaande deelnemers(s) in het samenwerkingsverband van ondernemers (combinant(en)) voor minder dan 10% van het bedrag van de inschrijving deelneemt (deelnemen) in het uitvoeren van de opdracht. De inschrijvers vermelden daarbij tevens het deelnemingspercentage.
......
......
De inschrijver(s) verklaart (verklaren) deze inschrijving te doen overeenkomstig de bepalingen van het Aanbestedingsreglement Werken 2012 en met inachtneming van de bepalingen en de gegevens zoals deze zijn omschreven in de aanbestedingsdocumenten.
Ondertekening
Dit inschrijvingsbiljet dient door de inschrijver en in geval van meerdere inschrijvers, alle inschrijvers, digitaal te worden ondertekend met beveiligingsniveau (...) conform uitnodiging tot inschrijving.”
Het inschrijvingsbiljet is onder A) ondertekend door
“De heer (...), directeur DHM infra b.v. en gemachtigd penvoerder”.
Bij de inschrijving is een machtiging van juli 2016 gevoegd, waarop staat vermeld dat de zeven ondergetekende partijen (zijnde de partijen die ook in het citaat onder 2.5 staan vermeld), die gezamenlijk ook worden aangeduid als Partners in Projectbeheersing, verklaren te zijn overeengekomen dat:
“DHM Infra bv als penvoerder van Partners in Projectbeheersing optreedt en door al haar combinatieleden wordt gemachtigd, door ondertekening van deze mandaatregeling, om als penvoerder de offerte van elke Nadere Overeenkomsten te ondertekenen welke worden uitgevraagd onder de raamovereenkomst Projectbeheersing met zaaknummer 31108831;
en
De leadpartij, de partij die namens de combinatie optreedt voor de Nadere Overeenkomsten onder de Raamovereenkomst Projectbeheersing met zaaknummer 31108831, tevens haar handtekening onder de offerte van de desbetreffende Nadere Overeenkomsten dient te plaatsen.”
Rijkswaterstaat heeft op 12 september 2017 zijn gunningsbeslissing kenbaar gemaakt. Hierin staat, voor zover thans relevant en verkort weergegeven, vermeld dat in totaal twee inschrijvingen zijn ontvangen en dat Rijkswaterstaat voornemens is de opdracht te gunnen aan “Combinatie DHM in Vinkeveen”, omdat haar scores op de gunningscriteria in combinatie met de door haar aangeboden prijs tot gevolg hebben dat haar inschrijving de economisch meest voordelige is.
In het bijgevoegde overzicht zijn als inschrijvers genoemd Antea Nederland B.V. en “DHM Infra B.V.” Uit dit overzicht blijkt dat Antea een lagere prijs heeft geboden dan DHM Infra B.V., maar dat zij geen score heeft behaald op de EMVI-waarde. DHM Infra B.V. heeft op de EMVI-waarde een score behaald van € 275.000,-, hetgeen voor de bepaling van de fictieve inschrijfprijs wordt afgetrokken van de aangeboden prijs, waardoor haar fictieve inschrijfprijs op een lager bedrag dan die van Antea uitkomt.
3 Het geschil
Antea vordert, na wijziging van eis, zakelijk weergegeven:
primair: Rijkswaterstaat te gebieden de inschrijving van de Combinatie als ongeldig terzijde te leggen en een nieuwe gunningsbeslissing ten gunste van Antea te nemen, voor zover Rijkswaterstaat de opdracht nog wenst te gunnen, op straffe van verbeurte van een dwangsom;
subsidiair: Rijkswaterstaat te gebieden de inschrijving van Antea door een nieuw beoordelingsteam te laten herbeoordelen, met inachtneming van hetgeen in de aanbestedingsdocumenten staat vermeld en van het bepaalde in dit vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom;
meer subsidiair: Rijkswaterstaat te gebieden de aanbestedingsprocedure te beëindigen en niet tot gunning aan een of meer partijen over te gaan en Rijkswaterstaat te gebieden om, voor zover hij de opdracht nog wenst te gunnen, over te gaan tot heraanbesteding met uitnodiging van Antea, op straffe van verbeurte van een dwangsom;
uiterst subsidiair: Rijkswaterstaat te gebieden om niet tot gunning van de opdracht over te gaan en de opschortende termijn te verlengen tot nadat de appeltermijn is verstreken en – in voorkomend geval – het Gerechtshof een beslissing heeft genomen over het verzoek tot het treffen van voorlopige maatregelen in appel, op straffe van verbeurte van een dwangsom;
met veroordeling van Rijkswaterstaat in de proceskosten.
Daartoe voert Antea – samengevat – het volgende aan. In de gunningsbeslissing schrijft Rijkswaterstaat dat hij voornemens is de opdracht te gunnen aan Combinatie DHM in Vinkeveen. In de bijlage wordt gerefereerd aan DHM Infra B.V. als zijnde de winnaar. Uit het inschrijvingsbiljet blijkt dat DHM Infra B.V. een inschrijving heeft gedaan namens de Combinatie Partners in Projectbeheersing. Nog daargelaten dat telkens een andere naam wordt vermeld, heeft te gelden dat ingevolge de gunningsbeslissing van de Raamovereenkomst geen van deze partijen partij is bij die raamovereenkomst. Een inschrijving van een dergelijke partij dient als ongeldig terzijde te worden gelegd. Nog afgezien daarvan heeft te gelden dat bij een inschrijving door een samenwerkingsverband alle combinanten het inschrijvingsbiljet moeten invullen en ondertekenen. Dat is hier niet geschied. Dat geldt ook voor de verplichte vermelding welke combinanten bij de uitvoering van de opdracht voor minder dan 10% van het inschrijvingsbedrag deelnemen. Dat veld is ten onrechte leeggelaten. Voorts geldt nog dat uit het machtigingsformulier volgt dat DHM Infra B.V. niet zelfstandig bevoegd was om de Combinatie te vertegenwoordigen. Zij was hiertoe uitsluitend bevoegd samen met een van de andere Combinanten, in dit geval Cratos Risk. Die partij heeft echter het inschrijvingsbiljet noch de aanbiedingsbrief mede ondertekend. Vanwege voormelde omstandigheden dient de inschrijving van de Combinatie terzijde te worden gelegd als zijnde ongeldig, dan wel feitelijk niet gedaan. Als daar niet toe wordt overgegaan dan heeft te gelden dat Rijkswaterstaat bij de beoordeling van het criterium Raakvlakbeheersing niet het juiste beoordelingskader in acht heeft genomen, doordat zij de bij dit criterium vermelde doelstellingen volledig buiten beschouwing heeft gelaten.
Rijkswaterstaat voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.