Rechtbank Den Haag, 01-02-2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:3915, 5339395 CV EXPL 16-4891
Rechtbank Den Haag, 01-02-2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:3915, 5339395 CV EXPL 16-4891
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 1 februari 2017
- Datum publicatie
- 8 mei 2017
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2017:3915
- Formele relaties
- Prejudiciële vraag aan: ECLI:NL:HR:2017:2907
- Zaaknummer
- 5339395 CV EXPL 16-4891
- Relevante informatie
- Werkloosheidswet [Tekst geldig vanaf 01-01-2024], Werkloosheidswet [Tekst geldig vanaf 01-01-2024] art. 61, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering [Tekst geldig vanaf 01-07-2025 tot 01-01-2026], Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering [Tekst geldig vanaf 01-07-2025 tot 01-01-2026] art. 392, Burgerlijk Wetboek Boek 3 [Tekst geldig vanaf 01-07-2025], Burgerlijk Wetboek Boek 3 [Tekst geldig vanaf 01-07-2025] art. 228, Burgerlijk Wetboek Boek 7 [Tekst geldig vanaf 18-07-2025 tot 01-05-2029], Burgerlijk Wetboek Boek 7 [Tekst geldig vanaf 18-07-2025 tot 01-05-2029] art. 616, Burgerlijk Wetboek Boek 7 [Tekst geldig vanaf 18-07-2025 tot 01-05-2029] art. 625, Faillissementswet [Tekst geldig vanaf 01-01-2025 tot 15-11-2027], Faillissementswet [Tekst geldig vanaf 01-01-2025 tot 15-11-2027] art. 40
Inhoudsindicatie
Is een aanspraak op uitkering in geld voor (niet-genoten) vakantiedagen boedelschuld in het kader van een faillissement ?
Uitspraak
Zittingsplaats Leiden
EJM
Rolnr.: 5339395 CV EXPL 16-4891
Datum: 1 februari 2017 (bij vervroeging)
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
de publiekrechtelijke rechtspersoon zelfstandig bestuursorgaan Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, tevens handelend onder de naam UWV,
zetelend te Amsterdam,
eisende partij,
gemachtigde: mr. M.A.L.M. Willems,
tegen
mr. Mark Aukema, handelend in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van Scholte Transport Distributie B.V.,
kantoorhoudende te Leiden,
gedaagde partij,
gemachtigde: mr. K.E. Beerlage.
Partijen worden aangeduid als “UWV” en “de Curator”.
1 Procedure
De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken:
- -
-
de dagvaarding van 1 juli 2016 met producties;
- -
-
de conclusie van antwoord met producties.
Vervolgens is een comparitie bepaald, welke op 15 december 2016 heeft plaatsgevonden. De gemachtigden van partijen hebben aantekeningen overgelegd van wat zij ter zitting naar voren hebben gebracht. Van wat is besproken is aantekening gehouden. In overleg met partijen is de zaak na de comparitie aangehouden en hebben beide partijen op 18 januari 2017 een akte genomen. Vervolgens is vonnis bepaald.
2 Feiten
Op grond van de onweersproken inhoud van de stukken gaat de kantonrechter van het volgende uit.
De besloten vennootschap Scholte Transport Distributie B.V. te Leiden is bij vonnis van de rechtbank Den Haag van 24 april 2014 failliet verklaard. De Curator is tot curator benoemd.
Het UWV heeft bij brieven van 21 juli, 7 september en 26 november 2014 haar vorderingen bij de Curator ingediend.
Een gedeelte van deze vorderingen, te weten (iets minder dan) € 163.310,79 heeft betrekking op betalingen die zijn gedaan uit hoofde van vergoeding wegens - in hoofdzaak - vóór faillissement niet genoten vakantiedagen van werknemers van de failliet. Het UWV is in de vorderingen van de werknemers gesubrogeerd op grond van de loongarantieregeling (artikel 61 e.v. Werkloosheidswet).
De curator betwist dat sprake is van een boedelvordering, voor zover het de vergoeding niet genoten vakantiegeld betreft van verlof dat is opgebouwd voor datum faillissement.
3 Vordering
UWV vordert, kort samengevat, na wijziging van eis, dat de kantonrechter alvorens te beslissen aan de Hoge Raad prejudiciële vragen zal stellen, te weten:
Gelden, na het arrest Koot Beheer/Tideman q.q., nog steeds de oordelen van de
Hoge Raad als verwoord in zijn arrest LISV/Wilderink q.q. dat
a. a) de aan het einde van de dienstbetrekking voor het recht op vakantie in de plaats
komende aanspraak op een uitkering in geld als loon in de zin van de art. 7A:1638 en
art. 7A:1638q (oud) BW (thans art. 7:616 onderscheidenlijk 7:625) behoort te worden
aangemerkt;
b) het begrip loon in de zin van art. 40 lid 2 Fw (art. 40 lid 4 (oud)), getuige ook dc
geschiedenis van deze wet, niet afwijkt van het begrip loon in de zin van (art. 7:616 en
7:625 van) het Burgerlijk Wetboek;
c) ingevolge art. 40 lid 2 Fw (art. 40 lid 4 (oud)) een zodanige aanspraak van de dag
der faillietverklaring af een boedelschuld vormt, zowel indien deze betrekking heeft
op vakantiedagen opgebouwd vóór de dag der faillietverklaring als op nadien
opgebouwde vakantiedagen?
UWV vordert voorts dat de kantonrechter vervolgens bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor recht zal verklaren dat de door UWV in het faillissement van Scholte Transport Distributie B.V. ingediende vordering in verband met vergoeding in geld van niet genoten vakantiedagen óók voor zover betrekking hebbend op de periode vóór de
faillietverklaring dient te worden aangemerkt als boedelvordering, met veroordeling
van de Curator in dc kosten van de procedure.
De Curator voert verweer. Hij stelt zich op het standpunt dat, op basis van het thans geldende recht en meer in het bijzonder sinds het arrest Koot Beheer/Tideman q.q., de vordering van UWV ten aanzien van de vergoeding niet genoten vakantiedagen voor het gedeelte van voor de datum faillissement opgebouwde dagen een bevoorrechte verifieerbare vordering is als bedoeld in artikel 3:288 onder e BW en dat alleen wat is opgebouwd na datum faillissement is aan te merken als boedelvordering.