Rechtbank Den Haag, 06-06-2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:6086, C-09-523194-HA RK 16-606
Rechtbank Den Haag, 06-06-2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:6086, C-09-523194-HA RK 16-606
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 6 juni 2017
- Datum publicatie
- 9 juni 2017
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2017:6086
- Zaaknummer
- C-09-523194-HA RK 16-606
- Relevante informatie
- Burgerlijk Wetboek Boek 6 [Tekst geldig vanaf 04-02-2025 tot 28-06-2025], Burgerlijk Wetboek Boek 6 [Tekst geldig vanaf 04-02-2025 tot 28-06-2025] art. 95, Burgerlijk Wetboek Boek 6 [Tekst geldig vanaf 04-02-2025 tot 28-06-2025] art. 96, Burgerlijk Wetboek Boek 6 [Tekst geldig vanaf 04-02-2025 tot 28-06-2025] art. 101, Burgerlijk Wetboek Boek 6 [Tekst geldig vanaf 04-02-2025 tot 28-06-2025] art. 106, Burgerlijk Wetboek Boek 6 [Tekst geldig vanaf 04-02-2025 tot 28-06-2025] art. 162
Inhoudsindicatie
Letselschade. Deelgeschil. Kosten in verband met hulp derde exploitatie boerderij na ongeval vermogensschade of immateriële schadevergoeding? Geen feitelijk herstel mogelijk. Boerderij is levensdoel, niet economisch rendabel, anders dan voor eigen gebruik. Kosten aangemerkt als kosten ter beperking immateriële schade. Hoogte gezien aard van de schade begrensd door immateriële schadevergoeding. Totaal begroot op € 50.000, aanvullend € 22.000 te voldoen.
Uitspraak
beschikking
Team handel
zaaknummer / rolnummer: C/09/523194/HA RK 16-606
Beschikking van 6 juni 2017
in de zaak van
[verzoekster] ,
wonende te [woonplaats] (gemeente [gemeente] ),
verzoekster,
advocaat mr. M.P. de Witte te Den Haag,
tegen
De naamloze vennootschap N.V. UNIVÉ SCHADE,
gevestigd te Zwolle,
advocaat mr. G. Loman te Assen.
Verzoekster wordt hierna [verzoekster] en verweerster Univé genoemd.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
-
het verzoekschrift, ingekomen 8 december 2016,
- -
-
het verweerschrift, tevens houdende zelfstandig verzoek, ingekomen 10 maart 2017,
- -
-
het verweerschrift zelfstandig verzoek, ingekomen 15 maart 2017,
- -
-
het buiten aanwezigheid van partijen opgemaakte proces-verbaal van de mondelinge behandeling verzoekschrift van 21 maart 2017.
Ten slotte is een datum voor het wijzen van een beschikking bepaald.
[verzoekster] heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld, gereageerd op het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij brief van 2 mei 2017. De rechtbank leest het proces-verbaal met inachtneming van deze opmerkingen.
2 De feiten
[verzoekster] is geboren op [geboortedatum] . Zij is alleenstaand en heeft geen kinderen. Zij is geboren en getogen en woonachtig op een boerderij in [plaats] , die zij zelfstandig exploiteert. Het gaat om een boerderij van 6 hectare weiland met gebouwen, 8 koeien, 35 geiten, 7 schapen, 50 kippen, 40 Kaapse loopeenden en een groentetuin. De boerderij heeft geen economische opbrengst, behoudens voor eigen gebruik.
Op 24 juni 2013 is [verzoekster] , als fietser en in de nabijheid van haar woning, aangereden door een bij Univé verzekerde auto met aanhangwagen. [verzoekster] heeft blijvend letsel als gevolg van dit ongeval. Er is sprake van een medische eindtoestand.
Univé heeft aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval erkend.
Op gezamenlijk verzoek van partijen heeft [A], orthopaedisch chirurg, een orthopaedische expertise verricht, waarvan hij op 30 november 2015 rapport heeft uitgebracht. Hij heeft de diagnose gesteld op een status na laterale patellafractuur linkerknie met laterale verwonding. De patella is, aldus de orthopaedisch chirurg, anatomisch genezen met nog restklachten aan de laterale zijde van de patella en de laterale zijde van de knie ter plaatse van het litteken. Hij merkt in zijn beschouwing op: “Betrokkene is met de knie direct tegen de aanhangwagen van de auto aangekomen waardoor de lapwond en de patellafractuur zijn te verklaren. De fractuur is behandeld met schroefosteosynthese met een röntgenologisch goed resultaat. De restklachten aan de laterale zijde van de knie in het litteken van de verwonding zijn als zodanig ook te verklaren.De beperkingen die betrokkene heeft voor wat betreft de belasting van haar linkerbeen zijn te verklaren als gevolg van het letsel dat haar is overkomen bij het ongeval van 24-06-2013.” Bij de beantwoording van de vragen heeft de orthopaedisch chirurg verder onder meer opgemerkt: “In het ADL wordt betrokkene beperkt met hurken en knielen vanwege de pijn aan de linkerpatella. In haar loonvormende arbeid wordt ze beperkt met kniebelastende werkzaamheden waardoor zij in het werk slecht kan hurken en knielen dan wel zwaar werk kan verrichten verrichten zoals zwaar tillen dan wel dragen en sjouwen. In haar vrijetijdsbesteding wordt zij ook beperkt bijvoorbeeld met tuinieren, zij heeft zowel in haar boerderij als in haar tuin hulp nodig.” Hij heeft de beperkingen van [verzoekster] als volgt beschreven aan de hand van de medische beperkingenlijst van de NOV, waarbij conform deze lijst alleen beperkingen zijn toegerekend op basis van anatomische afwijkingen: “Zitten is licht beperkt, betrokkene kan niet langdurig in dezelfde houding zitten vanwege de pijnlijke patella.Staan is niet beperkt.Lopen is licht beperkt.Lopen op ongelijk terrein is licht tot matig beperkt. Traplopen is matig beperkt.Beklimmen van en staan op een ladder is matig beperkt. Zeker het met de linker knieschrijf aanraken van een laddersport is erg pijnlijk.Fietsen is licht beperkt.Autorijden is licht beperkt.Knielen, kruipen en hurken zijn matig beperkt door het maximale buigen van de linkerknie.Bukken en torderen zijn niet beperkt.Licht gebogen werken is niet beperkt.Tillen van de grond vanuit bukkende houding is niet beperkt. Tillen vanuit hurkende houding is matig beperkt.Duwen en trekken zijn licht beperkt.Dragen en sjouwen zijn door haar linkerknie matig beperkt.Vibratiebelasting is niet beperkt.”De orthopaedisch chirurg heeft de blijvende invaliditeit van [verzoekster] gesteld op 6% voor de onderste extremiteit en op 2% voor de gehele mens. Hij heeft tevens opgemerkt dat het mogelijk is dat in de toekomst verergering gaat optreden, namelijk dat op termijn, langer dan 10 jaar, artrose gaat optreden. Hoewel hij de kans op het ontstaan van artrose minder acht vanwege de anatomische genezing van de fractuur, kan hij daaromtrent geen zekerheid geven.
[verzoekster] is sinds het ongeval gelet op haar beperkingen niet meer in staat zelfstandig de boerderij te exploiteren. De koeien zijn sinds het ongeval om die reden “drooggelegd”. Zij heeft verder hulp ingeschakeld van een bekende uit haar netwerk, de heer [X], 78 jaar oud, die haar ongeveer 20 uur per week helpt tegen een vergoeding van € 8,50 per uur (ongeveer € 8.000 per jaar).
Univé heeft de kosten in verband met de inschakeling van [X] tot en met eind 2016 voldaan ten titel van voorschot op de schadevergoeding. Univé heeft een bedrag van in totaal € 55.000 voldaan.
Partijen hebben gezamenlijk arbeidsdeskundige de heer [B] van BSH Arbeidsdeskundig advies B.V. ingeschakeld om een arbeidsdeskundig onderzoek te verrichten. Over de vraagstelling/opdracht is in het rapport onder meer opgemerkt: “(...)Partijen zijn nu in overleg om tot een afwikkeling van de schade te komen. De boerderij is daarbij een fors discussiepunt. Voor betrokkene is het niet bespreekbaar dat zij de boerderij, of een deel daarvan, opgeeft. Zij staat op het standpunt dat Univé, als aansprakelijke verzekeraar de noodzakelijke hulp dient te (blijven) betalen, nu en in de toekomst. Univé, aan de andere kant voelt er - in principe - niets voor te moeten (blijven) betalen voor een hobby-boerderij, en stelt zich op het standpunt dat de betrokkene de schade zoveel mogelijk dient te beperken en de boerderij eigenlijk maar moet afbouwen. Alvorens hier nader op in te gaan, hebben partijen besloten dat eerst de schade in kaart gebracht moet worden. (...).” De arbeidsdeskundige heeft de volgende vragen beantwoord: “1. Welke werkzaamheden verrichte mevrouw [verzoekster] voor het ongeval in en om het boerenbedrijf? 2. Welke van deze werkzaamheden kan zij nu niet meer verrichten gelet op de beperkingen beschreven in het expertiserapport van de medisch specialist, waarbij tevens rekening dient te worden gehouden met de mogelijke verslechtering in de toekomst zoals beschreven in het rapport? 3. Welke redelijke arbeidskosten (op jaarbasis) zijn gemoeid met het uitvoeren door derden van de werkzaamheden die de cliënt niet meer kan verrichten? 4. Tot welke leeftijd acht u cliënt in staat, met de hulp genoemd onder vraag 3 haar boerenbedrijf voort te zetten? 5. Welke van de werkzaamheden die de cliënt niet meer kan verrichten zijn cruciaal voor het voortbestaan van het (boeren)bedrijf in de huidige omvang? 6. Hoe kunnen deze werkzaamheden worden beperkt? en 7. Kunnen deze werkzaamheden door aanpassingen binnen het bedrijf worden opgevangen en zo ja, hoeveel bedragen de eenmalige kosten van deze (noodzakelijke) werkzaamheden?”
De arbeidsdeskundige heeft de redelijke arbeidskosten van derden op jaarbasis berekend op € 24.128 (uitgaande van de inschakeling van een professionele hulpkracht à 32,50 per uur). Het rapport bevat het volgende staatje:
|
Voorziening |
Jaarlijkse kosten |
|
arbeidsloon agrarische bedrijfshulp |
*) 23.660 |
|
loonwerk |
426,00 |
|
schaapsscheren |
42,00 |
|
totaal |
24.128 |
Hij acht [verzoekster] in staat om, met hulp, de boerderij tot haar 67e levensjaar voort te zetten. Daaraan heeft hij toegevoegd: “Gezien de staat van de boerderij verwacht ik dat de werkzaamheden en het onderhouden van het perceel en de panden langzaamaan teveel wordt voor betrokkene”. De benoemde taken die [verzoekster] blijkens het rapport zonder hulp gezien haar beperkingen niet kan uitvoeren, bijvoorbeeld het helpen lossen van hooibalen, grasmaaien, slootkanten afsteken, bomen inkorten, mest kruien en omspitten, stallen uitmesten, stro opruimen, koeien vast zetten op de winterstal en hoeven van geiten en schapen bekappen, zijn volgens de arbeidsdeskundige “veelal cruciaal voor het voortbestaan van het boerenbedrijf”.
Het advies en planning van de arbeidsdeskundige is als volgt: ”- Besteed werk uit aan een loonwerker- Besteed het schapenscheren uit aan een schaapsscheerder;- Investeer in een weidesleep- Investeer in een zitmaaier. Bespreek met betrokkene de mogelijkheden voor efficiëntere bedrijfsvoering waardoor ze minder belast wordt.”
Univé is bereid tot vergoeding van de aanschaf van een weidesleep en een zitmaaier.
3 Het geschil
[verzoekster] verzoekt de rechtbank voor recht te verklaren en te bepalen, primair, dat Univé gehouden is de volledige schade te vergoeden die [verzoekster] lijdt en nog zal lijden als gevolg van het ongeval van 24 juni 2013, met betrekking tot de arbeidshulp die zij tot aan haar 67e nodig heeft om haar boerderij te exploiteren op dezelfde wijze als tot aan de datum van het ongeval, waarbij het rapport van arbeidsdeskundige [B] van 1 september 2016 als leidraad moet dienen en, subsidiair, in goede justitie te bepalen welk bedrag aan schade Univé aan [verzoekster] dient te vergoeden met betrekking tot de hulp die zij van 1 januari 2017 tot aan 31 maart 2031 nodig heeft om haar boerderij te exploiteren en Univé te veroordelen dit bedrag aan [verzoekster] te betalen, alsmede om Univé te veroordelen in de kosten van de procedure, te bepalen op 12 uur à € 220 te vermeerderen met omzetbelasting.
Univé heeft verweer gevoerd en de rechtbank zelfstandig verzocht om, primair, voor recht te verklaren dat het feit dat [verzoekster] deels niet meer in staat is om, als gevolg van het ongeval van 24 juni 2013, haar activiteiten op of om de boerderij te kunnen uitoefenen, vergoed moet worden via een immateriële schadevergoeding, dan wel, subsidiair, voor het geval de rechtbank van oordeel is dat [verzoekster] ter zake een materiële schadevergoeding toekomt, zij haar medewerking dient te verlenen aan een nader onderzoek door deskundige [B] conform de door Univé in het geding gebrachte vraagstelling.
[verzoekster] heeft verweer gevoerd tegen het zelfstandig verzoek van Univé.