Rechtbank Den Haag, 08-02-2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:10391, C/09/544287 / KG ZA 17-1549
Rechtbank Den Haag, 08-02-2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:10391, C/09/544287 / KG ZA 17-1549
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 8 februari 2018
- Datum publicatie
- 30 augustus 2018
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2018:10391
- Zaaknummer
- C/09/544287 / KG ZA 17-1549
Inhoudsindicatie
aanbestedingsprocedure uitvoering fysische metingen in Nederlandse Rijkswateren; aangekondigde herbeoordeling van de inschrijvingen op kwalitatieve subgunningscriteria betreft ook inschrijving IGL; niet gebleken dat IGL met niet-marktconforme prijs heeft ingeschreven.
Uitspraak
Team Handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/544287 / KG ZA 17-1549
Vonnis in kort geding van 8 februari 2018
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AQUA VISION B.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te Utrecht,
eiseres,
advocaten mr. I. Harms en mr. M.C. van Kamp te Amsterdam,
tegen:
de publiekrechtelijke rechtspersoon
DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Infrastructuur en Rijkswaterstaat, Rijkswaterstaat),
zetelende te Den Haag,
gedaagde,
advocaat mr. A.L.M. de Graaf te Den Haag,
waarin is tussengekomen:
de besloten vennootschap
IGL B.V.,
statutair gevestigd te Roermond,
advocaat mr. L.W.J.P.F. Einig te Eindhoven.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘Aqua Vision’, ‘RWS’ en ‘IGL’.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 7 december 2017, met producties;
- de akte houdende wijziging van eis;
- de incidentele conclusie tot primair tussenkomst en subsidiair voeging;
- de brief van mr. Harms van 22 januari 2018, met productie;
- de brief van mr. Einig van 24 januari 2018, met producties;
- de brief van mr. De Graaf van 24 januari 2018, met producties;
- de op 25 januari 2018 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door alle partijen pleitnotities en door mr. Harms tevens producties zijn overgelegd.
Ter zitting is vonnis bepaald op heden.
2 Het incident tot tussenkomst/voeging
IGL heeft primair gevorderd te mogen tussenkomen in de procedure tussen Aqua Vision en RWS. Ter zitting hebben Aqua Vision en RWS verklaard geen bezwaar te hebben tegen de tussenkomst. IGL is vervolgens toegelaten als tussenkomende partij, aangezien zij aannemelijk heeft gemaakt dat zij daarbij voldoende belang heeft. Voorts is niet gebleken dat de toewijzing van de gevorderde tussenkomst in de weg staat aan de vereiste spoed bij dit kort geding en de goede procesorde in het algemeen.
3 De feiten
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
RWS heeft een Europese niet-openbare aanbestedingsprocedure georganiseerd voor de uitvoering van fysische metingen in de Nederlandse Rijkswateren. Tot deze Rijkswateren behoren onder meer de kust- en binnenwateren. Deze fysische metingen hebben onder meer als doel het verzamelen van hydrografische-, stromings- en zoutgegevens betreffende deze wateren.
Blijkens het Selectiedocument van 3 april 2017 is bovengenoemde opdracht opgesplitst in zeven percelen. In deze procedure staat centraal perceel 3, de ‘Dienstverleningsovereenkomst Binnenwateren’. Voor wat betreft perceel 3 beoogt RWS met de aanbestedingsprocedure te komen tot het sluiten van een dienstverleningsovereenkomst voor de duur van twee jaar, met de optie op tweemaal een verlenging voor de duur van twee jaar. De geschatte waarde van perceel 3 is in paragraaf 1.3 van het Selectiedocument geschat op € 0,3 - € 0,5 miljoen per jaar.
Het gunningscriterium in de onderhavige aanbestedingsprocedure is blijkens het ‘Beschrijvend document Fysische Metingen’ van 28 juli 2017 de beste prijs-kwaliteitverhouding (BKPV). De gunningscriteria Kwaliteit en Prijs hebben voor elk perceel een wegingsfactor van respectievelijk 70% en 30%. Het gunningscriterium Kwaliteit valt uiteen in de volgende vijf subgunningscriteria met elk een wegingsfactor:

Een inschrijver dient om voor gunning in aanmerking te komen op alle subgunningscriteria een gemiddelde score te behalen van minimaal 1,75. Daarnaast is het niet toegestaan dat een inschrijver op één of meerdere subgunningscriteria een nul scoort.
Bij de beoordeling van het gunningscriterium Kwaliteit wordt onderstaande puntenschaal gehanteerd:

In het Beschrijvend document is ten aanzien van het gunningscriterium Prijs onder meer het volgende bepaald:
“• In de prijzen zijn inbegrepen alle kosten om de opdracht te kunnen realiseren denkende aan de Dienstbeschrijvingen inclusief scope en producten, Vraagspecificatie eisen en Vraagspecificatie proces. Dit betreft onder meer de kosten per gebied en de kosten voor projectmanagement, verpakkingskosten, transportkosten, verzekeringen, reis- en verblijfkosten en alle administratie- en kantoorkosten;
• Er zullen geen toeslagen toegepast worden voor werkzaamheden buiten kantooruren;
• Alle prijzen zijn marktconform ten opzichte van de inspanning en de kosten die inschrijver moet leveren voor het voltooien van de diensten en de levering van producten;”
Bij de beoordeling op het gunningscriterium Prijs geldt dat de inschrijver met de laagste inschrijvingsprijs 300 punten krijgt. Voor de overige inschrijvers wordt het aantal punten als volgt berekend:
“300 X (laagste inschrijvingsprijs) / (inschrijvingsprijs van de inschrijver)”
Na door RWS te zijn geselecteerd voor de gunningsfase heeft zowel Aqua Vision als IGL op perceel 3 ingeschreven. RWS heeft bij brief van 17 november 2017 aan Aqua Vision bericht dat hij voornemens is de dienstverleningsovereenkomst voor wat betreft perceel 3 te gunnen aan IGL.
Als motivering bevat deze brief de navolgende tabel met door de inschrijvers op de (sub)gunningscriteria behaalde eindscores:

met daarbij de volgende toelichting:





De advocaat van Aqua Vision heeft RWS bij brief van 24 november 2017 bericht dat perceel 3 in de visie van Aqua Vision niet aan IGL gegund kan worden, nu IGL heeft ingeschreven met een abnormaal lage prijs c.q. een niet-marktconforme prijs en haar inschrijving om die reden ongeldig is en terzijde dient te worden gelegd. In deze brief stelt Aqua Vision onder meer het volgende:
“Aqua Vision (...) komt tot de conclusie dat er tussen de door haar ingeschreven prijs en die van IGL een verschil zit van maar liefst 6.488.510,22 euro. IGL heeft dus 69% lager ingeschreven dan Aqua Vision.
Dit is naar het oordeel van Aqua Vision een niet uit te leggen verschil. Door haar jarenlange expertise op het gebied van o.a. stromingsmetingen is Aqua Vision namelijk goed op de hoogte van de in de markt geldende prijzen. Dit komt tot uitdrukking in de door haar geoffreerde prijs, die in alle opzichten marktconform genoemd kan worden. Een prijs die daar 69% van afwijkt, lees 69% lager is, kan dan niet geacht worden in een redelijke verhouding te staan met de te verrichten opdracht en als marktconform aangemerkt worden.
(...)
Bepalend voor de vaste aanneemsom is het aantal metingen dat gedurende de looptijd van de opdracht uitgevoerd dient te worden. Hoeveel metingen dit moeten zijn, is gedurende de aanbestedingsprocedure naar aanleiding van vragen gesteld door Aqua Vision steeds bijgesteld. Alleen al met betrekking tot de stromingsmetingen is de omvang van de opdracht aangepast van 1275 metingen (initiële selectiedocument Fysische Metingen met zaaknummer 3113892, d.d. 3-4-2017) tot 2369 metingen, zoals is af te leiden van het overzicht opD03II VSE Bijlage B Scope_20170921_v1.1.xlsx. (...) Bij inschrijving diende van dit laatste aantal te moeten worden uitgegaan.
Voor de inschrijving van Aqua Vision betekent dit per meting een marktconforme prijs heeft aangehouden (...) Belangrijk is dat Aqua Vision – mocht zij de aanbesteding hebben gewonnen – uit de gehanteerde aanneemsom alle kosten had kunnen voldoen en dus de opdracht in financieel opzicht betrouwbaar had kunnen uitvoeren. Daarbij is een gegeven dat het nagenoeg altijd om spoedmetingen gaat omdat de metingen waterstandsafhankelijk zijn. (...) Dit is van invloed op de prijsvorming omdat de scheeps capaciteit en het overige materieel en materiaal continue beschikbaar moet worden gehouden. Het is niet mogelijk om de schepen etc op andere projecten in te zetten om zodoende kosten te besparen.
Met betrekking tot de inschrijving van IGL heeft Aqua Vision het vermoeden dat deze niet is uitgegaan van een juist aantal metingen danwel dat deze zich geen rekenschap heeft gegeven van bovenstaande omstandigheid.
(...)
Aqua Vision wenst te vernemen of RWS of zij een toelichting op de inschrijfprijs van IGL als bedoeld in artikel 2.11 Aw heeft gevraagd. Als dit het geval is, dan verzoekt Aqua Vision te vernemen wat het resultaat van dat verzoek was en op welke gronden RWS meent dat de opdracht toch aan IGL te kunnen gunnen. Indien een dergelijke toelichting niet is gevraagd dan meent Aqua Vision dat het nu ingediende bezwaar voor RWS aanleiding moet zijn om deze toelichting alsnog te vragen en op basis van de resultaten daarvan te handelen.”
RWS heeft bij e-mail van 27 november 2017 aan de advocaat van Aqua Vision bericht dat de brief van 24 november 2017 noch een bezwaar, noch een klacht, noch een verzoek om een toelichting behelst en dat hij daarom deze brief binnen de vastgestelde procedures niet in behandeling kan nemen.
RWS heeft bij brief van 27 december 2017 aan Aqua Vision bericht dat hij de gunningsbeslissingen ten aanzien van alle percelen intrekt en over zal gaan tot een kwalitatieve herbeoordeling van de ingediende inschrijvingen, zulks vanwege het feit dat in strijd met de vooraf bekendgemaakte beoordelingssystematiek geen hele punten door de beoordelaars zijn toegekend en in zoverre de beoordeling en motivering strijdig is met het transparantiebeginsel. In reactie op de stelling van Aqua Vision dat IGL een abnormaal lage of niet-marktconforme prijs heeft aangeboden, heeft RWS het volgende aan Aqua Vision bericht:
“Wat betreft uw primaire standpunt dat de inschrijver IGL een abnormaal lage of niet marktconforme prijs zou hebben aangeboden deel ik u mee dat Rijkswaterstaat geen enkele aanleiding heeft om te veronderstellen dat de prijsstelling van IGL abnormaal laag of niet marktconform is. In de selectiefase is reeds meegegeven dat Rijkswaterstaat de waarde van perceel 3 raamt tussen de 0,3 en 0,5 miljoen per jaar. Voor de totale looptijd van 6 jaar komt dit dus uit op een raming tussen de 1,8 en 3 miljoen euro. Deze raming is gebaseerd op prijzen die Rijkswaterstaat in de afgelopen periode heeft betaald voor soortgelijke diensten. De prijsstelling van IGL B.V. ligt in lijn met dezer raming. Rijkswaterstaat zal de inschrijving van IGL dan ook gewoon in deze herbeoordeling meenemen.
Uw prijsstelling ligt echter vele malen boven de raming van Rijkswaterstaat. Uw vaste aanneemsom bedraagt € 8.903.691,-. Daarmee ligt uw aanneemsom bijna 6 miljoen hoger dan het door Rijkswaterstaat (maximaal) geraamde bedrag. Dit maakt uw inschrijving in de optiek van Rijkswaterstaat abnormaal hoog en derhalve niet-marktconform. Er is in ieder geval geen budgettaire ruimte om perceel 3 aan uw onderneming te gunnen. Dit vormde eerder geen probleem omdat uw inschrijving ook niet als inschrijving met de Beste Prijs Kwaliteitverhouding was geëindigd. Bij een eventuele herbeoordeling heeft u echter geen belang. Dit zou er hoogstens toe kunnen leiden dat uw inschrijving alsnog als abnormaal hoge en niet marktconforme inschrijving terzijde zal worden gelegd.
Rijkswaterstaat zal uw inschrijving niettemin ten behoeve van de voortgang nu wel (pro forma en ook om u een beeld te geven bij de kwalitatieve waardering van uw inschrijving) in deze herbeoordeling betrekken.”