Home

Rechtbank Den Haag, 05-11-2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:13326, C/09/18/329 F

Rechtbank Den Haag, 05-11-2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:13326, C/09/18/329 F

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
5 november 2018
Datum publicatie
9 november 2018
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2018:13326
Zaaknummer
C/09/18/329 F
Relevante informatie
Faillissementswet [Tekst geldig vanaf 01-01-2025 tot 15-11-2025] art. 176

Inhoudsindicatie

Weigering toestemming onderhandse verkoop door rechter-commissaris. Reikwijdte art. 176 Fw.

Uitspraak

Rechtbank Den Haag

Sector civiel recht

Insolventienummer: C/09/18/[000] F

Uitspraak: 5 november 2018

Beschikking van de enkelvoudige kamer op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[appellante] B.V.

appellante,

advocaat: mr. E.P. Pandelitschka,

ingesteld inzake het faillissement van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [schuldenares] B.V.,

tegen de beschikking van de rechter-commissaris, mr. H.W. Vogels (hierna: de rechter-commissaris) van 19 oktober 2018.

Appellante zal verder worden aangeduid als ‘ [appellante] ’.

1 Het verloop van de procedure

1.1

De rechtbank heeft kennis genomen van de volgende processtukken:

-

de beschikking van 19 oktober 2018 van de rechter-commissaris;

-

het beroepschrift ex artikel 67 Faillissementswet (hierna: Fw) van 23 oktober 2018 van [appellante], met producties;

-

de zienswijze van de rechter-commissaris van 25 oktober 2018.

1.2

De mondelinge behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2018. Bij deze behandeling zijn verschenen en gehoord [appellante], - vertegenwoordigd door [A] en bijgestaan door zijn advocaat - en de curator mr. M. Spaa.

1.3

De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2 De feiten

In deze procedure wordt uitgegaan van de volgende feiten:

2.1

Bij vonnis van deze rechtbank van 2 oktober 2018 is [schuldenares] B.V. in staat van faillissement verklaard, met benoeming van de rechter-commissaris en de curator als zodanig.

2.2

De curator is in het kader van het te gelde maken van de activa van [schuldenares] B.V. een biedingsproces gestart. [appellante] heeft op 18 oktober 2018 een bod uitgebracht op activa. Op 19 oktober 2018 om 14:03 uur heeft de curator [appellante] geschreven: “Hierbij bericht ik u uw bieding van € 407.000,00 plus BTW te accepteren, onder de opschortende voorwaarde van goedkeuring rechter-commissaris, waar ik zojuist om heb verzocht.

2.3

De rechter-commissaris heeft de verzochte goedkeuring geweigerd, zo heeft de curator op 19 oktober om 17:16 per e-mail aan [appellante] bericht. In dat e-mailbericht schrijft de curator onder meer: “Verder speelt dat een andere partij zich op het standpunt stelt dat zij nog niet in de gelegenheid is gesteld om een schriftelijk bod uit te brengen, hetwelk vandaag zou gebeuren. [...]. Ik had daarvoor het tijdstip van 12:00 uur vandaag in mijn hoofd, maar deze partij meent dat dit tijdstip niet genoemd is in het overleg gevoerd ter plaatse. Die gebleken onduidelijkheid acht de rechter-commissaris ongelukkig maar laat zich wel eenvoudig herstellen door aan alle bieders een nieuwe termijn te stellen voor een uiterst bod.” Er is een nieuwe termijn gesteld en een derde partij heeft een hoger bod uitgebracht dan [appellante] .

3 Het beroep en de standpunten van partijen

3.1

Het beroep van [appellante] strekt ertoe (1) dat de bestreden beschikking wordt vernietigd en (2) te beslissen dat het oorspronkelijke verzoek van de curator om de activa van [schuldenares] B.V. aan [appellante] te verkopen voor een bedrag van € 407.500,00 ex BTW, alsnog wordt toegewezen.

3.2

[appellante] legt - naast voormelde feiten - het volgende aan het beroep ten grondslag. Nadat tussen partijen wilsovereenstemming is bereikt, stond het de curator niet vrij de activa aan een derde te verkopen, behoudens in geval de rechter-commissaris toestemming aan de verkoop zou onthouden. [appellante] hoefde evenwel niet te verwachten dat de curator na het sluiten van de overeenkomst opgekomen biedingen zou mogen doorgeleiden voor toestemming en zou mogen voorleggen aan de rechter-commissaris. Zonder enig voorbehoud heeft de curator de bieding van [appellante] voorgelegd aan de rechter-commissaris en [appellante] mocht verwachten dat zij vanaf dat moment de enige bieder was. Zij meent dat het de curator niet meer vrijstond het bod van een derde in behandeling te nemen. [appellante] stelt zich op het standpunt dat het middel van het weigeren van toestemming door de rechter-commissaris wordt gebruikt om onder een met [appellante] gesloten overeenkomst uit te komen.

3.3

De curator stelt zich op het standpunt dat [appellante] niet-ontvankelijk is in het door haar ingestelde beroep, omdat hoger beroep tegen de afwijzende beslissing van de rechter-commissaris ex art. 176 lid 1 Fw jo. art. 101 Fw is uitgesloten in art. 67 lid 1, derde zin Fw. Voorts is [appellante] niet-ontvankelijk omdat zij niet kwalificeert als degene tot wie de onderhavige beschikking is gericht. Voor zover [appellante] wel ontvankelijk is in haar hoger beroep, geldt dat [appellante] persoonlijke aanspraken jegens de boedel geldend probeert te maken. Art. 67 Fw is daarvoor niet geschreven, omdat het artikel slechts van toepassing is op geschillen over het beheer van de boedel. De curator concludeert tenslotte dat, in geval een inhoudelijke beoordeling plaatsvindt, de rechter-commissaris het verzoek kon en mocht afwijzen.

4 De beoordeling

5 De beslissing