Rechtbank Den Haag, 21-02-2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:2154, C-09-545210-KG ZA 17-1629
Rechtbank Den Haag, 21-02-2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:2154, C-09-545210-KG ZA 17-1629
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 21 februari 2018
- Datum publicatie
- 26 februari 2018
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2018:2154
- Zaaknummer
- C-09-545210-KG ZA 17-1629
Inhoudsindicatie
Aanbesteding. Twee inschrijvers, waaronder eiser, zijn gelijk geëindigd, waardoor loting heeft plaatsgevonden. Eiser is niet op de hoogte gesteld van datum en tijdstip van de loting en is daar dus niet bij aanwezig geweest. Daarmee heeft de aanbestedende dienst niet de door het ARW 2016 voorgeschreven procedure gevolgd. De loting moet opnieuw.
Uitspraak
Team Handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/545210 / KG ZA 17/1629
Vonnis in kort geding van 21 februari 2018
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiseres] ,
gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,
eiseres,
advocaat mr. S.P. Dalmolen te Amsterdam,
tegen:
de rechtspersoon naar publiek recht
Gemeente Den Haag (dienst Stadsbeheer),
gevestigd te Den Haag,
gedaagde,
in persoon verschenen, vertegenwoordigd door D.J. Bakker,
waarin is tussengekomen:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[B.V. I] ,
statutair gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,
advocaat mr. D.R. Versteeg te Amsterdam.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiseres] ’, ‘de gemeente’ en ‘ [B.V. I] ’.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties;
- de door de gemeente overgelegde producties;
- de incidentele conclusie tot tussenkomst c.q. voeging;
- de bij de mondelinge behandeling door alle partijen overgelegde pleitnotities.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 7 februari 2018. Ter zitting is vonnis bepaald op heden.
2 Het incident tot tussenkomst c.q. voeging
[B.V. I] heeft (primair) gevorderd te mogen tussenkomen in de procedure tussen [eiseres] en de Staat. Ter zitting hebben [eiseres] en de Staat verklaard geen bezwaar te hebben tegen de tussenkomst. [B.V. I] is vervolgens toegelaten als tussenkomende partij, aangezien zij aannemelijk heeft gemaakt dat zij daarbij voldoende belang heeft. Voorts is niet gebleken dat de toewijzing van de gevorderde tussenkomst in de weg staat aan de vereiste spoed bij dit kort geding en de goede procesorde in het algemeen.
3 De feiten
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
De gemeente heeft een aanbesteding gehouden voor de herinrichting en vervanging van de riolering in een deel van de wijk Bezuidenhout. In de Aanbestedingsleidraad van 21 november 2017 staat vermeld:
“ 2.2 Aanbestedingsvorm
De opdracht wordt aanbesteed volgens de meervoudig onderhandse aanbestedingsprocedure, conform de ARW 2016, hoofdstuk 7, (...)
Ter invulling en bepaling van de Economisch Meest Voordelige Inschrijving wordt gehanteerd:
“Laagste prijs””
Vier partijen hebben – op uitnodiging van de gemeente – een inschrijving ingediend, waaronder [eiseres] en [B.V. I] . Bij de beoordeling van de inschrijvingen bleek dat [eiseres] en [B.V. I] beide met dezelfde inschrijfsom hadden ingeschreven, namelijk € 772.000,--, en dat dit een lagere inschrijfsom was dan waarmee de andere inschrijvers hadden ingeschreven.
De heer [A] , inkoopadviseur van de gemeente en contactpersoon in de aanbesteding (hierna: [A] ), heeft [eiseres] hiervan op 15 december 2017 telefonisch op de hoogte gesteld. Over dit telefoongesprek heeft [A] schriftelijk op 2 februari 2018 verklaard:
“Op 15 december jl. heb ik omstreeks 10.18 uur gebeld met de heer [X] van [eiseres] . Ik heb [de heer X] verteld dat [eiseres] met de laagste prijs had ingeschreven, dat een andere aannemer met dezelfde prijs had ingeschreven en dat om die reden een loting zou plaatsvinden. Op dat moment had ik de notaris nog niet gesproken. (...)
[de heer X] vroeg wanneer de loting zou plaatsvinden. Aangezien ik dat nog niet kon zeggen omdat ik nog geen tijdstip met de notaris had afgesproken, heb ik geantwoord dat de gemeente ernaar streefde de loting nog dezelfde dag te laten plaatsvinden, waaraan ik heb toegevoegd dat de mogelijkheid bestond dat de loting binnen een uur zou plaatsvinden.
[de heer X] vroeg voorts welke andere aannemer met dezelfde prijs had ingeschreven. Ik wilde op die vraag geen antwoord geven, maar ik heb wel geantwoord dat, indien [de heer X] dat graag wilde weten, hij bij de loting aanwezig kon en mocht zijn.
[de heer X] heeft daarop niet aangegeven, dat hij bij de loting aanwezig wilde zijn. Hij zei slechts: “Ik hoor het wel.” Daaruit heb ik opgemaakt dat [de heer X] afzag van de mogelijkheid om bij de loting aanwezig te zijn en dat hij de uitslag zou afwachten.”
De heer [X] , directeur van [eiseres] (hierna: [de heer X] ), heeft op 6 februari 2018 schriftelijk over het telefoongesprek verklaard:
“Wij namen kennis van de verklaring(...) van de heer [A] (...).
Juist is dat de heer [A] [eiseres] heeft ingelicht over het feit dat er geloot moest worden en dat hij niet heeft verteld wie de andere inschrijver was. Er is niet gezegd waar, wanneer en door wie de loting zou plaatsvinden. De heer [X] heeft inderdaad “Ik hoor het wel” gezegd. Deze woorden heeft hij gebruikt om aan te geven dat hij wel zou horen waar, wanneer en door wie de loting zou plaatsvinden, aangezien de gemeente dat op dat moment nog niet kon zeggen.”
Op 15 december 2017 heeft een notaris de loting verricht in aanwezigheid van de heer [A] van de gemeente en een afgevaardigde van [B.V. I] . [eiseres] was niet aanwezig. Van de loting is een proces-verbaal opgemaakt.
Bij brief van 19 december 2017 heeft de gemeente aan [eiseres] bericht:
“Ik deel u mee dat wij het voornemen hebben de uitvoering van het bovengenoemde werk te gunnen aan de firma:
[B.V. I] te [vestigingsplaats 2] .
Reden van de gunning: Twee partijen hebben met een laagste prijs ingeschreven. Derhalve heeft loting door de notaris plaatsgevonden. Als eerste is het lot van [B.V. I] getrokken waarmee [B.V. I] als winnaar van deze aanbesteding wordt aangemerkt.”