Home

Rechtbank Den Haag, 13-12-2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:13444, C/09/574422 / HA RK 19-368

Rechtbank Den Haag, 13-12-2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:13444, C/09/574422 / HA RK 19-368

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13 december 2019
Datum publicatie
10 januari 2020
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2019:13444
Zaaknummer
C/09/574422 / HA RK 19-368

Inhoudsindicatie

Verzoek verwijdering BKR-registratie afgewezen. Belangenafweging ogv art. 21 AVG.

Uitspraak

beschikking

Team handel

Zittingsplaats Den Haag

zaaknummer / rekestnummer: C/09/574422 / HA RK 19-368

Beschikking van 13 december 2019

in de zaak van

[verzoeker] , te [plaats],

verzoeker,

advocaat mr. K.J. Zomer te Oosterhout (Noord-Brabant),

tegen

de rechtspersoon naar buitenlands recht

HOIST FINANCE AB, te Amsterdam,

verweerster,

advocaat mr. H.A.P. Pijnacker te Tilburg.

Partijen worden hierna ‘[verzoeker]’ en ‘Hoist’ genoemd.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

-

het verzoekschrift van 22 mei 209, met producties 1 tot en met 39,

-

het verweerschrift, met producties 1 tot en met 5,

-

de akte overlegging producties van [verzoeker], met producties 40 en 41.

-

de mondelinge behandeling van 1 november 2019.

2 De feiten

2.1.

[verzoeker] heeft in 1998 een geldlening van ongeveer fl. 2.000,- (gulden) afgesloten bij Primeline voor de aanschaf van een alarminstallatie voor zijn toenmalige woning. De lening is vervolgens een aantal malen verhoogd, onder meer voor de kosten van de verbouwing van de woning die [verzoeker] in 2004 met zijn toenmalige partner heeft gekocht. De geldlening bij Primeline is later overgesloten door een geldlening bij de Nederlandse Voorschotbank (‘de Voorschotbank’). De Voorschotbank heeft op 12 maart 2007 een hoofdelijke doorlopende kredietfaciliteit van € 35.000,- aan [verzoeker] en zijn toenmalige echtgenote verstrekt, tegen een effectief kredietvergoedingspercentage van 8,1% per jaar.

2.2.

Bij beschikking van 31 maart 2009 is de echtscheiding tussen [verzoeker] en zijn toenmalige echtgenote uitgesproken. Tijdens de echtscheidingsprocedure is onenigheid ontstaan over de omgang en de alimentatieregeling voor de kinderen. [verzoeker] heeft in verband met de echtscheidingsprocedure in totaal ongeveer € 17.000,- aan advocaatkosten betaald. [verzoeker] heeft destijds ook de rentelasten van het krediet bij de Voorschotbank en de hypothecaire lasten voor de toenmalige gemeenschappelijke echtelijke woning voor zijn rekening genomen. De toenmalige gezamenlijke woning is vanaf maart 2012 enige tijd verhuurd. De woning is uiteindelijk met een restschuld verkocht. De restschuld is op 25 oktober 2016 op grond van de kwijtscheldingsregeling van de Nationale Hypotheek Garantie kwijtgescholden.

2.3.

[verzoeker] heeft op 1 november 2012 samen met zijn huidige partner, mw. [A] (‘[A]’) zijn huidige woning aan de [adres] in [plaats] gehuurd. De huurprijs was destijds € 814,- en is meest recent, per 1 juli 2019, verhoogd naar € 1.114,47.

2.4.

Op 14 februari 2014 is [verzoeker], op zijn aanvraag, door de [de Gemeente] toegelaten tot een schuldhulpverleningstraject voor de duur van tien maanden. Het traject bestond volgens het plan uit een stabilisatiefase van vier maanden (waarin het budget van [verzoeker] nader bekeken wordt om de afloscapaciteit te berekenen), gevolgd door een schuldbemiddelingstraject van vier maanden. Indiende schuldbemiddeling niet slaagt, zal een aanvraag worden gedaan voor toelating tot schuldsanering op grond van de Wet schuldsanering natuurlijke personen (WSNP). De Voorschotbank heeft op 29 april 2014 haar vordering aangemeld voor de schuldbemiddeling. Bij brief van 20 mei 2014 heeft de Voorschotbank onder meer het volgende aan [verzoeker] bericht:

“(...) Als u zich aanmeldt bij een schuldhulpinstantie, moet u nog steeds uw termijnbedragen blijven betalen aan De Nederlandse Voorschotbank. Al u niet betaalt, kunnen wij de totale kredietsom opeisen. (...)”

2.5.

Op 8 juli 2014 heeft de Voorschotbank in het Centraal Krediet Informatiesysteem (‘CKI’) van de Stichting Bureau Kredietregistratie (‘BKR’) door middel van registratie van een Code ‘A’ opgenomen dat een achterstand is ontstaan op de betaling van het krediet. Op 25 augustus 2008 is in het CKI opgenomen dat het krediet per die datum is opgeëist (‘Code 2 (restant)vordering geheel opeisbaar’).

2.6.

De vordering van de Voorschotbank uit hoofde van het krediet is op enig moment in 2014 overgenomen door Hoist.

2.7.

Eind 2014 is [verzoeker] toegelaten tot de WSNP. Op crediteurenlijst van 3 november 2014 staat Hoist als schuldeiser vermeld met een totale (erkende) vordering van € 38.244,74 (inclusief btw). Naast Hoist staat ook de advocaat van [verzoeker] vermeld als schuldeiser, met een (erkende) vordering van € 881,03.

2.8.

[verzoeker] heeft gedurende het schuldsaneringstraject een bedrag van ongeveer € 16.000,- gespaard voor de aflossing van de schuld aan Hoist. Op 5 februari 2018 is de schuldsaneringsregeling geëindigd met een schone lei. Na betaling van de vergoeding van de bewindvoerder, heeft Hoist een bedrag van € 12.254,43 als slotuitkering ontvangen, zodat Hoist op de ingediende vordering een bedrag van € 25.990,31 heeft moeten afboeken.

2.9.

Hoist heeft in het CKI opgenomen dat het krediet op 2 januari 2018 is geëindigd. Ook heeft Hoist met ingang van 2 januari 2018 een code 3 geplaatst (‘Bedrag van 250 Euro of meer is afgeboekt’). In het CKI is eveneens opgenomen dat de gegevens over het krediet in januari 2023 (vijf jaar na de geregistreerde werkelijke einddatum) worden verwijderd.

2.10.

Bij brief van 27 juli 2018 is namens [verzoeker] verzocht om verwijdering van de BKR-registratie. Als belang voor de verwijdering voert [verzoeker] aan dat hij samen met [A] hun huidige huurwoning wil kopen, maar dat hij als gevolg van de BKR-registratie geen hypothecaire geldlening kan krijgen. Hoist heeft dit verzoek op 27 augustus 2018 afgewezen.

2.11.

Bij brief van 11 maart 2019 heeft [verzoeker] opnieuw om verwijdering van de BKR-registratie verzocht. In het nieuwe verwijderingsverzoek meldt [verzoeker] dat zich, naast de eerdergenoemde wens om de huurwoning te kopen, een nieuw feit heeft voorgedaan. Het nieuwe feit bestaat er volgens [verzoeker] in dat zijn huidige auto, die noodzakelijk is voor woon-werkverkeer, moet worden vervangen, maar dat hij vanwege de negatieve BKR-registratie hiervoor geen financiering van een leasemaatschappij kan krijgen. Hoist heeft het verzoek op 1 april 2019 afgewezen. In het afwijzende bericht stelt Hoist onder meer dat [verzoeker] heeft nagelaten te bewijzen dat zijn huidige auto aan vervanging toe is en dat het niet mogelijk is om met het openbaar vervoer naar het werk te gaan.

2.12.

Bij e-mail van 9 april 2018 heeft [verzoeker] bezwaar gemaakt tegen de afwijzing. Bij dit bezwaar heeft [verzoeker] onder andere het meest recente keuringsrapport van zijn huidige auto en een overzicht van de woon-werkafstand overgelegd, uit welke stukken volgens [verzoeker] blijkt dat de huidige auto aan vervanging toe is en dat een auto noodzakelijk is om de werkplek van [verzoeker] te bereiken. Hoist heeft bij e-mail van 11 april 2019 op het bezwaar en de nadere stukken geantwoord. In de e-mail van 11 april 2019 heeft Hoist het standpunt gehandhaafd dat niet tot verwijdering van de BKR-registratie (vóór het verstrijken van de vijfjaarstermijn, in januari 2023) zal worden overgegaan.

2.13.

Op 22 mei 2019 heeft [verzoeker] het onderhavige verzoekschrift bij de rechtbank ingediend.

3 Het verzoek

3.1.

[verzoeker] verzoekt – samengevat – dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking Hoist beveelt om de BKR-registraties op naam van [verzoeker] binnen 48 uur na betekening van deze beschikking te verwijderen, op straffe van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere dag dat Hoist dit nalaat, met een maximum van € 100.000,-en met veroordeling van Hoist in de proceskosten.

3.2.

[verzoeker] beroept zich voor de verwijdering onder meer de op de artikelen 17 lid 1 sub c en 21 lid 1 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (EU) 2016/679 (‘AVG’). [verzoeker] stelt kort gezegd dat, toetsend naar de huidige situatie, Hoist niet heeft aangetoond dat aan haar kant gerechtvaardigde belangen bij handhaving van de BKR-registratie bestaan die zwaarder wegen dan het belangen van [verzoeker] bij verwijdering van de registratie.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

5 De beslissing