Home

Rechtbank Den Haag, 18-01-2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:2107, C/09/564256 / KG ZA 18/1261

Rechtbank Den Haag, 18-01-2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:2107, C/09/564256 / KG ZA 18/1261

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18 januari 2019
Datum publicatie
7 maart 2019
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2019:2107
Zaaknummer
C/09/564256 / KG ZA 18/1261

Inhoudsindicatie

Kort geding. Europese aanbesteding. Betreft beoordeling kwalitatieve criteria. Afwijzing van de gevorderde heraanbesteding dan wel herbeoordeling.

Uitspraak

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/564256 / KG ZA 18/1261

Vonnis in kort geding van 18 januari 2019

in de zaak van

Maas & Hagoort Lampen B.V. te Kapelle,

eiseres,

advocaat mr. J.B. de Meester te Middelburg,

tegen:

De Staat der Nederlanden (Ministerie van Buitenlandse Zaken) te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. I. van Drongelen te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘MH’ en ‘de Staat’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties;

- de akte houdende een wijziging van eis, met een productie;

- de op 4 januari 2019 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

De Staat heeft een aanbestedingsprocedure georganiseerd met als doel het komen tot een contract met een leverancier voor de levering van verlichtingsarmaturen en lichtbronnen, het maken van lichtplannen, lichtberekeningen en advisering ten aanzien van de verlichting ten behoeve van de Nederlandse vertegenwoordigingen in het buitenland.

2.2.

In het Beschrijvend document (hierna: BD) staat vermeld dat de opdracht wordt gegund op basis van de beste prijs-kwaliteitverhouding. Het subgunningscriterium kwaliteit bestaat uit drie onderdelen, te wetende de casus verlichtingsplan en incidentafhandeling en social return.

2.3.

Voor de casus verlichtingsplan is in de bijlage bij het BD een fictief kantoorproject in Singapore opgenomen. Hiervan dienden inschrijvers een uitwerking te verschaffen op basis van een door het ministerie aangeleverde DWG. Daarbij is nader omschreven hoe het lichtplan/-ontwerp diende te worden uitgewerkt en waarop de casus wordt beoordeeld. Voor de casus incidentafhandeling dienden inschrijvers hun aanpak in drie casussen te beschrijven, te weten “de door u geleverde armaturen werken niet, de door u geleverde lichtbronnen zijn verkeerd en passen niet bij de geleverde armaturen en u heeft geen rekening gehouden met de lokale voltage en lokale aansluitingen”. Daarbij diende volgens het BD op detailniveau te worden ingegaan op hoe de inschrijver de Staat ontzorgt, hoe deze ervoor zorgt dat de doorlooptijd zo kort mogelijk is en hoe deze met de Staat communiceert. Ook hierbij is beschreven waarop de aanpak wordt beoordeeld.

2.4.

Het BD bepaalt ten aanzien van de beoordeling van de inschrijving dat, kort gezegd, deze met een (even) cijfer wordt bepaald, te weten een 10 indien een uitstekend antwoord wordt gegeven op de vragen bij het betreffende onderdeel van het subgunningscriterium, een 8 indien dat antwoord goed is, een 6 indien dat antwoord voldoende is, een 4 indien dat antwoord onvoldoende is, een 2 indien dat antwoord slecht is en een 0 indien niet wordt ingegaan op het betreffende onderdeel van het subgunningscriterium of het is overgeslagen.

2.5.

Twee ondernemingen hebben ingeschreven op de aanbesteding, te weten MH en QC Light Factory B.V. (hierna: QC).

2.6.

De Staat heeft in een brief van 8 november 2018 aan MH meegedeeld dat haar inschrijving niet de economisch meest voordelige inschrijving is en dat hij voornemens is de opdracht te gunnen aan QC. Daarbij zijn de scores van beide inschrijvers vermeld. In de bijlage zijn de motiveringsgronden vermeld van het subgunningscriterium kwaliteit (hierna: de eerste gunningsbeslissing).

2.7.

Op verzoek van MH heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen haar en (vertegenwoordigers van) de Staat over de bezwaren van MH betreffende de motivering van de eerste gunnningsbeslissing. De Staat heeft na dat gesprek aan MH meegedeeld geen reden te zien om tot herbeoordeling over te gaan en hij heeft de scores van QC op het subgunningscriterium kwaliteit aan MH verstrekt. MH heeft daarna (met de dagvaarding van 3 december 2018) dit kort geding aanhangig gemaakt.

2.8.

De Staat heeft bij brief van 11 december 2018 aan MH meegedeeld dat hij de eerste gunningsbeslissing intrekt en een nieuwe gunningsbeslissing neemt (hierna: de nieuwe gunningsbeslissing). De beslissing om te gunnen aan QC blijft daarbij ongewijzigd. In de brief worden de scores van zowel MH als QC vermeld. In de bijlage bij de brief zijn de motiveringsgronden anders verwoord dan in de bijlage bij de eerste gunningsbeslissing. In de bijlage staat vermeld (afgezien van een toelichting op het onderdeel social return) dat de inschrijving van MH op beide casus als voldoende is beoordeeld en dat daaraan 6 punten zijn toegekend. De beschrijving van de winnaar is in beide casus als goed beoordeeld en daaraan zijn 8 punten toegekend. De vier beoordelingen (twee maal 6 voor MH en twee maal 8 voor QC) gaan alle vergezeld van een motivering. Er wordt in de brief een termijn gegeven van 20 dagen voor het starten van een nieuw kort geding. Tevens wordt als mogelijkheid gegeven om dit kort geding door te laten gaan.

2.9.

HM heeft dit kort geding gehandhaafd, maar wel haar eis gewijzigd, onder meer in die zin dat zij intrekking van de nieuwe gunningsbeslissing vordert.

3 Het geschil

3.1.

MH vordert, na wijziging van eis, zakelijk weergegeven, primair om de Staat te gebieden de nieuwe gunningsbeslissing in te trekken en over te gaan tot heraanbesteding, subsidiair om naast voornoemde intrekking over te gaan tot herbeoordeling en meer subsidiair om de aanbestedingsprocedure niet te continueren dan nadat de appeltermijn is verstreken en (in voorkomend geval) in spoedappel op de vorderingen zal zijn beslist, op straffe van verbeurte van een dwangsom en met veroordeling van de Staat in de proceskosten.

3.2.

Daartoe voert MH – samengevat – het volgende aan. De Staat heeft diverse processuele aanbestedingsregels geschonden. Voorts is MH het niet eens met de wijze waarop de Staat de inschrijvingen heeft beoordeeld en is de door de Staat gegeven motivering ondeugdelijk. De Staat heeft daarmee gehandeld in strijd met de aanbestedingsrechtelijke beginselen van transparantie en gelijke behandeling.

3.3.

De Staat voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

5 De beslissing