Home

Rechtbank Den Haag, 08-04-2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:3000, C-09-574329-HA ZA 19-568

Rechtbank Den Haag, 08-04-2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:3000, C-09-574329-HA ZA 19-568

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
8 april 2020
Datum publicatie
8 april 2020
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2020:3000
Zaaknummer
C-09-574329-HA ZA 19-568

Inhoudsindicatie

Tussenvonnis. Geschillenregeling, vordering tot uittreding, 2:343 BW tegen medeaandeelhouders en de BV. De norm voor toewijzing van de vordering. Toewijzing, tegen BV voorwaardelijk.Beroep op uitkeringstest, 2:207 lid 2 BW door BV.

Uitspraak

vonnis

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/574329 / HA ZA 19-568

Vonnis van 8 april 2020

in de zaak van

[DPB] B.V., te [plaats 1] ,

eiseres,

advocaat mr. M.C. Schepel te Den Haag,

tegen

1 [MNP] B.V., te [plaats 1] ,

2. [PP Beheer] B.V., te [plaats 1] ,

3. [ACP Beheer] B.V., te [plaats 1] ,

4. [gedaagde sub 4], te [plaats 1] ,

gedaagden,

advocaat: voorheen mr. J.M. Pol, thans mr. P.J.Ph. Dietz de Loos te Wassenaar.

Eiseres wordt hierna DPB genoemd en gedaagden worden hierna respectievelijk MNP, PP Beheer, ACP Beheer en [gedaagde sub 4] genoemd. Gedaagden zullen tezamen worden aangeduid met MNP c.s.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

-

de dagvaarding van 7 mei 2019, met producties;

-

de conclusie van antwoord, met producties;

-

het tussenvonnis van 21 augustus 2019 waarin een comparitie van partijen is bevolen;

-

het proces-verbaal van comparitie van 19 januari 2020.

1.2.

Partijen zijn in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op het proces-verbaal van comparitie dat, met hun instemming, buiten hun aanwezigheid is opgemaakt. DPB heeft bij brief van 10 februari 2020 van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Deze brief maakt deel uit van het procesdossier en het vonnis wordt gewezen met inachtneming van deze brief, voor zover het correcties van feitelijke aard betreft.

1.3.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De [PP] -groep is een familiebedrijf, waarin een onderneming wordt gedreven die actief is in de visserij en visverwerking. Het bedrijf bestaat uit verschillende werkmaatschappijen. De aandelen in de werkmaatschappijen worden gehouden door [de Holding] B.V. (hierna: de Holding). De aandelen in de Holding worden gehouden door de [STAK] van aandelen in [de Holding] (hierna: de STAK). De STAK heeft certificaten uitgegeven (hierna: de certificaten).

2.2.

De certificaten zijn verdeeld over vier staken, waarbij iedere staak bestaat uit 25% van het totale aantal certificaten. Twee staken worden gehouden door (beheermaatschappijen van) de [familie I] . Zij houden de certificaten J en A. De andere twee staken worden gehouden door (beheermaatschappijen van) de [familie II] . Zij houden de certificaten N en D. De D-certificaten vormen de staak van (de familie van) [X] . De N-certificaten vormen de staak van (de familie van) [Y] en werden gehouden door MNP.

2.3.

In 2014 heeft (de familie van) [Y] onderhandeld met de (familie van) [X] over de verkoop van de N-certificaten tegen een koopprijs van € 122.500.000,-. Tussen MNP en (de familie van) [X] bestaat een geschil over de vraag of tussen hen in december 2014 een koopovereenkomst tot stand is gekomen. Zij hebben hierover verschillende procedures gevoerd. Op grond van een vonnis van de voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft MNP de N-certificaten in 2017 geleverd aan (de familie van) [X] . Ten tijde van de levering heeft (de familie van) [X] beslag gelegd onder de notaris, dit voor het geval mocht komen vast te staan dat de koop ongeldig is en de koopsom aan (de familie van) [X] terugbetaald moet worden.

2.4.

In haar (eind)vonnis van 13 maart 2019 heeft de rechtbank Den Haag voor recht verklaard dat de koopovereenkomst rechtsgeldig tot stand is gekomen en voor partijen afdwingbare rechten en verplichtingen in het leven heeft geroepen. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat de (familie van) [X] de eigendom van de N-Certificaten rechtsgeldig heeft verkregen door middel van een notariële overdracht. MNP is in hoger beroep gekomen van dit vonnis. Deze procedure loopt nog.

De N-staak

2.5.

[Y] (hierna: [Y] ) is de vader van [A] (hierna: [A] ), [B] (hierna: [B] ), [C] (hierna: [C] ) en [gedaagde sub 4] .

2.6.

[A] houdt alle ‘gewone’ aandelen in DPB, [B] houdt alle ‘gewone’ aandelen in PP Beheer en [C] houdt alle ‘gewone’ aandelen in ACP Beheer. Deze drie vennootschappen en [gedaagde sub 4] (in privé) houden ieder 25% van de aandelen in MNP, die tot maart 2018 houder was van de N-certificaten.

MNP

2.7.

Vanaf haar oprichting was [Y] bestuurder van MNP. Vanaf 31 december 2018 is [B] dat. [gedaagde sub 4] houdt (alle) prioriteitsaandelen in MNP.

2.8.

De statuten van MNP schrijven onder meer voor dat bestuurders worden benoemd door de algemene vergadering van aandeelhouders, op bindende voordracht van de vergadering van houders van prioriteitsaandelen. Bestuurders kunnen worden geschorst en ontslagen door de algemene vergadering (artikel 12 leden 4, 5 en 7). De vergadering van houders van prioriteitsaandelen stelt de beloning en de verdere arbeidsvoorwaarden van de bestuurders vast (artikel 12 lid 3). Artikel 13 lid 5 bevat een opsomming van bestuursbesluiten waarvoor het bestuur goedkeuring van de vergadering van prioriteitsaandeelhouders behoeft, waaronder (sub a) het verrichten van rechtshandelingen waarvan de waarde of het bedrag een door de vergadering van houders van prioriteitsaandelen te bepalen bedrag te boven gaat. Het bestuur is volgens artikel 14 van de statuten verplicht een algemene vergadering van aandeelhouders bijeen te roepen indien een aandeelhouder dit schriftelijk verzoekt onder opgave van de te behandelen onderwerpen; indien het bestuur daaraan niet voldoet, is de verzoekende aandeelhouder zelf gerechtigd tot het bijeenroepen van een algemene vergadering van aandeelhouders. In artikel 16 lid 3 van de statuten staat onder meer dat de notulen van de vergadering ten kantore ter inzage liggen van de aandeelhouders en de certificaathouders, aan wie desgevraagd een afschrift of uittreksel van deze notulen tegen ten hoogste de kostprijs wordt verstrekt. Verder is de vergadering van prioriteitsaandeelhouders bevoegd een bedrag van de winst dat uit de jaarrekening blijkt te reserveren; het winstbedrag dat resteert na die eventuele reservering staat ter beschikking van de algemene vergadering van aandeelhouders (artikel 21 lid 1 en 2).

2.9.

In de jaarrekening 2017 van MNP is opgenomen dat het eigen vermogen van MNP per 31 december 2017 € 31.472.793,- bedroeg (€ 4.800.460 + € 16.551.209 + € 11.271.112 -/- € 1.149.988). In de toelichting is vermeld dat de vermeende verkoop van de N-certificaten niet in de cijfers is opgenomen omdat hierop nog niet definitief is beslist.

DPB

2.10.

DPB, de vennootschap waarvan [A] de aandelen houdt, is gedurende een lange periode bestuurd door [gedaagde sub 4] . In november 2016 zijn op initiatief van [A] twee aandeelhoudersvergaderingen gehouden waarin telkens het besluit is genomen [bestuurder 1] (hierna [bestuurder 1] ) als bestuurder te benoemen en [gedaagde sub 4] als bestuurder te ontslaan. Bij de eerste vergadering was [Y] als prioriteitsaandeelhouder opgeroepen en bij de tweede vergadering PP Beheer. Per 23 november 2016 staat [bestuurder 1] als enig bestuurder van DPB ingeschreven.

2.11.

Vanaf haar oprichting werden de prioriteitsaandelen in DPB gehouden door PP Beheer. Bij de oprichting van DPB waren haar statuten inhoudelijk gelijk aan die van MNP (zie 2.8) en had de prioriteitsaandeelhouder een vergaande zeggenschap in de vennootschap.

Procedure Ondernemingskamer DPB

2.12.

Bij verzoekschrift van 5 oktober 2016 heeft [A] de Ondernemingskamer verzocht een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken bij MNP en DPB. Daarbij heeft hij ook verzocht [gedaagde sub 4] te schorsen als bestuurder van DPB en de prioriteitsaandelen in het kapitaal van DPB over te dragen aan een door de Ondernemingskamer te benoemen beheerder, dan wel de daaraan verbonden bijzondere rechten op te schorten. Verder heeft [A] verzocht [Y] te schorsen als bestuurder van MNP (en een derde persoon te benoemen) en de prioriteitsaandelen in het kapitaal van MNP over te dragen aan een door de Ondernemingskamer te benoemen beheerder, dan wel de daaraan verbonden bijzondere rechten op te schorten.

2.13.

De Ondernemingskamer heeft bij beschikking van 16 mei 2017 het verzoek tot het gelasten van een enquête naar het beleid en de gang van zaken in MNP afgewezen. In diezelfde beschikking is wel een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van DPB bevolen. Verder heeft de Ondernemingskamer enkele onmiddellijke voorzieningen getroffen. Zo is [gedaagde sub 4] (voor zover niet al rechtsgeldig ontslagen in november 2016) geschorst als bestuurder van DPB en is de [bestuurder 2] (hierna: [bestuurder 2] ) voor de duur van de procedure als bestuurder van DPB benoemd. [bestuurder 2] was zelfstandig bevoegd, met beslissende stem voor zover [bestuurder 1] rechtsgeldig als bestuurder was benoemd. Tot slot heeft de Ondernemingskamer bepaald dat de bijzondere rechten verbonden aan de prioriteitsaandelen in DPB met ingang van 16 mei 2017 zijn geschorst. De Ondernemingskamer heeft onder meer overwogen dat voor de toewijsbaarheid van het enquêteverzoek ten aanzien van DPB van belang is dat, zoals onder meer ter zitting tot uiting is gekomen, de verhoudingen tussen [A] enerzijds en [gedaagde sub 4] , [Y] en [B] anderzijds zo zeer verstoord zijn dat normaal overleg tussen hen niet mogelijk is.

2.14.

In het verslag van 20 november 2017 van het onderzoek dat door de [de onderzoeker] (hierna: [de onderzoeker] ) is verricht naar aanleiding van voornoemde beschikking van de Ondernemingskamer staat onder meer het volgende:

“(...)

4.6

Maar wat daarvan zij; de relatie tussen [A] en zijn vader en [gedaagde sub 4] lijkt in ieder geval voor nu onoverkomelijk beschadigd. [A] wil zich losweken van de door hem gevoelde oncontroleerbare macht van zijn vader en [gedaagde sub 4] binnen “zijn” BV en wil zakelijk gezien onafhankelijk geadviseerd kunnen worden: “Het punt op de horizon voor [A] is dat hij uiteindelijk zelf in de vennootschap de zeggenschap wil hebben/krijgen over wat hij voelt als zijn aandeel in het vermogen dat nu nog in MNP Beheer zit.”

4.7

[Y] en [gedaagde sub 4] willen het liefst [A] weer terug in het reguliere familieverband brengen waarin alles onderling en gezamenlijk wordt besproken en besloten, zonder, even geparafraseerd, pottenkijkers van buiten. Zij begrijpen ook niet waarom het zo moet en wat [A] nu echt wil.

(...)

5.14 (...)

De rechten van de vergadering van houders van prioriteitsaandelen zijn zodanig dat de prioriteit feitelijk de macht heeft in DPB. Hoewel [A] als aandeelhouder bestuurders kan benoemen en ontslaan (...), heeft de door [A] benoemde bestuurder zonder medewerking van de prioriteit verder weinig te zeggen. (...)

5.15

Partijen verschillen van mening over de vraag of het nu wel of niet de bedoeling is geweest dat de prioriteitsaandelen van de vennootschappen van de derde generatie na volwassenwording van de betrokken kinderen gehandhaafd zouden blijven. [A] is van mening dat het altijd de bedoeling is geweest dat de derde generatie kinderen uiteindelijk de vrije beschikking zouden krijgen over “hun” BV’s, niet beperkt door rechten op prioriteitsaandelen. (...)

(...)

5.20 (...)

Wat [Y] in de kern betoogt, is dat de prioriteit voorkomt dat de kinderen vrijelijk over het in “hun” BV opgebouwde vermogen kunnen beschikken. (...) Ook zou met de prioriteit voorkomen kunnen worden dat DPB de aandelen in MNB vervreemdt. Alles is gericht op instandhouding van het familiekapitaal voor opvolgende generaties.

7.1 (...)

[Y] heeft formeel gezien bij DPB wel geen positie meer, maar het beeld dat opkomt is dat hij wel degelijk aan de touwtjes trekt. [A] heeft dat met zoveel woorden ook zo ervaren. Feitelijk had [Y] die positie ook. Hij was gemachtigd door [gedaagde sub 4] om beslissingen te nemen namens DPB. Voorts was hij gemachtigd om betalingen namens DPB te doen.

(...)

7.7

Door de verstoorde verhoudingen en de gehanteerde governance is er van een werkzame situatie binnen DPB, waarbij op een evenwichtige wijze met de belangen van [A] rekening wordt gehouden, geen sprake. De pijn zit duidelijk in de controlerende macht die de prioriteit heeft en de wijze waarop deze macht is uitgeoefend. De door [Y] en [gedaagde sub 4] binnen een besloten familieverband gewenste besluitvorming over alle onderwerpen en op informele wijze, botst met het feit dat [A] daar geen deel meer van wil uitmaken. Hij wil zijn eigen belangen op onafhankelijke wijze kunnen nastreven. (...)

7.8 (...)

geen stukken gekregen waaruit zou blijken dat (...) er rechtens afdwingbare toezeggingen zijn gedaan ten aanzien van het ontmantelen van de prioriteit bij DBP. Dat andere staken het anders doen, maakt naar mijn oordeel dan ook niet dat de staak van [Y] de structuur (...) om die reden zou moeten aanpassen. Dit laat onverlet dat er wel moet worden gehandeld met inachtneming van de wet, statuten en de redelijkheid en billijkheid die artikel 2:8 BW voorschrijft. Daar zijn gegeven de geschetste feiten de nodige gaten gevallen.

2.15.

Op 12 april 2018 heeft een mondelinge behandeling bij de Ondernemingskamer plaatsgevonden. Na de inhoudelijke behandeling van de zaak hebben partijen verklaard dat zij een regeling wilden treffen en hebben zij de Ondernemingskamer verzocht de hoofdlijnen van deze regeling vast te leggen. [Y] was op dat moment niet meer aanwezig.

In het proces-verbaal van de zitting is onder meer opgenomen dat MNP een dividenduitkering zal doen van € 1,5 miljoen per aandeelhouder, dat het vermogen bestaande uit (de opbrengst van) de N-certificaten binnen MNP blijft teneinde het familievermogen bijeen te houden en dat partijen zullen streven naar het bereiken van overeenstemming over de wijze waarop het vermogen van MNP zal worden belegd en beheerd. Bedoeling was dat partijen deze regeling op korte termijn in onderling overleg zouden uitwerken. Partijen zijn hier uiteindelijk niet in geslaagd, zodat geen uitgewerkte en daarmee afdwingbare regeling tot stand is gekomen.

2.16.

Vervolgens heeft de Ondernemingskamer bij beschikking van 20 december 2018 geoordeeld dat uit het onderzoek van [de onderzoeker] blijkt van wanbeleid van DPB. Aan haar oordeel heeft de Ondernemingskamer onder meer het volgende ten grondslag gelegd:

“4.7 (...) De Ondernemingskamer acht, evenals de onderzoeker, van groter gewicht de wijze waarop de prioriteitsaandeelhouder PPB [noot rechtbank: PP Beheer] in strijd met wet en statuten heeft beoogd de bevoegdheid van de bestuurder tot nihil te reduceren, het handelen van de bestuurder aan volledige controle te onderwerpen en bepaalde niet aan de prioriteitsaandeelhouder toekomende bevoegdheden – zoals de bevoegdheid tot ontslag van bestuurders – naar zich toe te trekken. (...)”

2.17.

Verder heeft de Ondernemingskamer (onder meer) overwogen dat door [gedaagde sub 4] is geweigerd om aan [A] de door hem verzochte informatie te verstrekken en heeft de Ondernemingskamer opgemerkt dat de familie het [A] heeft kwalijk genomen dat hij zijn eigen weg heeft willen kiezen, dat zij hem terug willen doen keren in het familieverband en dat zij daarmee niet accepteren en respecteren dat [A] een andere keuze heeft gemaakt.

2.18.

De Ondernemingskamer heeft in haar beschikking onder meer de bijzondere rechten verbonden aan de prioriteitsaandelen in DPB gedurende een jaar buiten werking gesteld, daartoe het volgende overwegende:

“Ten slotte zal de Ondernemingskamer een voorziening treffen die tot doel heeft DPB gelegenheid te bieden een einde te maken aan de overwegende invloed van de houder van prioriteitsaandelen. Zoals de onderzoeker ook heeft geconstateerd, brengt dit niet mee dat het familievermogen onbeschermd raakt (dat zit in MPB [noot rechtbank: MNP], die een eigen prioriteitsregeling kent), maar zal dit wel tot gevolg hebben dat [A] zeggenschap krijgt over de fondsen waarover DPB de beschikking heeft of krijgt.”

2.19.

Op 12 december 2018 heeft MNP de stukken ten behoeve van de te houden algemene vergadering van aandeelhouders van MNP aan DPB gezonden, waaronder een agenda en een concept jaarrekening 2017. Op 17 december heeft [bestuurder 2] het bestuur van MNP een vragenlijst gestuurd met zeventien vragen over de stukken. Eén van de vragen betrof het agendapunt “voorstel dividend”. De betreffende algemene vergadering van aandeelhouders heeft vervolgens op 31 december 2018 buiten aanwezigheid van [bestuurder 2] en [bestuurder 1] plaatsgevonden.

3 Het geschil

4 De beoordeling

5 De beslissing