Home

Rechtbank Den Haag, 14-09-2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:11682, C/09/613515 KG ZA 21-561

Rechtbank Den Haag, 14-09-2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:11682, C/09/613515 KG ZA 21-561

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14 september 2021
Datum publicatie
2 november 2021
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2021:11682
Zaaknummer
C/09/613515 KG ZA 21-561

Inhoudsindicatie

Kort geding. Aanbesteding. De eisende partij stelt zich op het standpunt dat de aanbestedende dienst onvoldoende heeft onderzocht of de onderneming aan wie de aanbestedende dienst voornemens is de opdracht te gunnen, heeft voldaan aan de eis dat alle bedragen realistisch dienen te zijn en in redelijke verhouding dienen te staan tot de aard en omvang van de te verrichten werkzaamheden. De voorzieningenrechter volgt eiseres daar niet in. De vorderingen worden afgewezen.

Uitspraak

Team Handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/613515 / KG ZA 21-561

Vonnis in kort geding van 14 september 2021

in de zaak van

1 [eiseres 1] te [plaats 1],

2. [eiseres 2] te [plaats 2],

eiseressen,

advocaat mr. J.F. van Nouhuys te Rotterdam,

tegen:

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, Rijkswaterstaat) te Den Haag,

gedaagde,

advocaten mrs. A.C.M. Remmé en I. van der Hoeven te Den Haag,

waarin is tussengekomen:

[tussenkomende pij] te [plaats 3],

advocaten mrs. J. Haest en R.D. Chee te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘Via Optimum’, ‘Rijkswaterstaat’ en ‘[tussenkomende pij]’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met de daarbij en nadien overgelegde producties;

- de conclusie van antwoord met een productie;

- de incidentele conclusie tot tussenkomst dan wel voeging;

- de op 31 augustus 2021 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door alle partijen pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 Het incident tot tussenkomst dan wel voeging

2.1.

[tussenkomende pij] heeft gevorderd te mogen tussenkomen in de procedure tussen Via Optimum en Rijkswaterstaat dan wel zich te mogen voegen aan de zijde van Rijkswaterstaat. Ter zitting hebben Via Optimum en Rijkswaterstaat verklaard geen bezwaar te hebben tegen de tussenkomst. [tussenkomende pij] is vervolgens toegelaten als tussenkomende partij, aangezien zij aannemelijk heeft gemaakt dat zij daarbij voldoende belang heeft. Voorts is niet gebleken dat de tussenkomst aan een voortvarende afdoening van dit kort geding in de weg staat. Hierdoor ontstaat er ook geen strijd met de goede procesorde in het algemeen.

3 De feiten

4 Het geschil

5 De beoordeling van het geschil

6 De beslissing