Home

Rechtbank Den Haag, 01-02-2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:1251, C/09/601779 / KG ZA 20-1036

Rechtbank Den Haag, 01-02-2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:1251, C/09/601779 / KG ZA 20-1036

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
1 februari 2021
Datum publicatie
22 februari 2021
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2021:1251
Zaaknummer
C/09/601779 / KG ZA 20-1036

Inhoudsindicatie

Kort geding. Aanbesteding. Dagvaarding is niet binnen de vervaltermijn betekend, eiseres niet-ontvankelijk. Vervaltermijn korter dan opschortende termijn. Verschillende regimes.

Uitspraak

Team Handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/601779/ KG ZA 20-1036

Vonnis in kort geding van 1 februari 2021

in de zaak van

[eiseres] B.V. te Boxtel,

eiseres,

advocaat mr. A. ter Mors te Deventer,

tegen:

de Staat der Nederlanden, Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, Rijkswaterstaat te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. A.C.M. Remmé te Utrecht,

waarin is tussengekomen:

[tussenkomende partij] Infra B.V.,

te Rosmalen, gemeente ‘s-Hertogenbosch,

advocaat mr. D.R. Versteeg te Amsterdam.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘[eiseres]’, ‘Rijkswaterstaat’ en ‘[tussenkomende partij]’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties 1 tot en met 9;

- de incidentele conclusie tot tussenkomst subsidiair voeging;

- het incidentele verzoek tot afgifte dagvaarding en producties van de zijde van [tussenkomende partij], met 5 producties;

- het antwoord met betrekking tot het verzoek tot afgifte dagvaarding van [eiseres], met producties A en B;

- een brief van de zijde van [eiseres] van 7 januari 2021, met producties 10 tot en met 14;

- een brief van de zijde van [tussenkomende partij] van 11 januari 2021;

- de akte houdende wijziging van eis van [tussenkomende partij];

- de conclusie van antwoord van Rijkswaterstaat;

- een brief van de zijde van Rijkswaterstaat van 11 januari 2021;

- een brief van de zijde van [eiseres] van 11 januari 2021;

- een brief van de zijde van [eiseres] van 12 januari 2021, met producties 15.

1.2.

In het incidentele verzoek tot afgifte dagvaarding en producties van de zijde van [tussenkomende partij] heeft [tussenkomende partij] gesteld dat zij uitsluitend een vergaand geanonimiseerde versie van de dagvaarding heeft ontvangen en dat zij een deel van de bij de dagvaarding behorende producties niet heeft ontvangen. [tussenkomende partij] heeft de voorzieningenrechter verzocht om zo spoedig mogelijk – en dus al voorafgaand aan de mondelinge behandeling – te beslissen op haar verzoek tot afgifte van de volledige (niet geanonimiseerde) dagvaarding en producties. Per e-mail van 15 december 2020 is door de griffie van de rechtbank, namens de voorzieningenrechter, aan partijen bericht dat de vordering tot tussenkomst van [tussenkomende partij] pas ter zitting (gepland op 13 januari 2021) zal worden beoordeeld en dat de voorzieningenrechter voordien formeel geen verplichting kan opleggen aan partijen tot afgifte van de dagvaarding en/of het antwoord met bijbehorende stukken aan de derde partij.

1.3.

In de (op 11 januari 2021 ingediende) akte houdende wijziging van eis van [tussenkomende partij] heeft [tussenkomende partij] zich op het standpunt gesteld dat [eiseres] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vorderingen. In reactie daarop heeft [eiseres] bij brief van 11 januari 2021 verzocht om een nadere termijn voor het kunnen indienen van een conclusie van antwoord op het niet-ontvankelijkheidsverweer van [eiseres]. In de overige brieven van partijen van 11 januari 2021 hebben zij zich onder meer en voor zover nu nog relevant uitgelaten over de mogelijkheid om de ontvankelijkheidsvraag eventueel schriftelijk af te handelen.

1.4.

Per e-mail van 11 januari 2021 is door de griffie van de rechtbank, namens de voorzieningenrechter, aan partijen bericht dat de zitting op 13 januari 2021 doorgang zal vinden en dat tijdens die zitting aan de orde zullen komen:

-

het verzoek tot tussenkomst, subsidiair voeging van [tussenkomende partij];

-

de ontvankelijkheid van [eiseres] (en dat er dus geen uitstel wordt verleend voor het indienen van een conclusie van antwoord op het ontvankelijkheidsverweer);

-

het incidentele verzoek tot afgifte dagvaarding en producties van [tussenkomende partij] Infra B.V.

Verder is bericht dat vervolgens een (tussen)vonnis zal worden gewezen en dat – zo nodig – zo snel mogelijk een nadere mondelinge behandeling zal worden gepland. Tevens is aan partijen bericht dat – in verband met de beperkingen als gevolg van het coronavirus – per partij één advocaat en één vertegenwoordiger namens diens cliënt ter zitting aanwezig kan zijn. Verder is bericht dat indien meer mensen bij de zitting aanwezig moeten zijn, zij de zitting via een digitale verbinding kunnen bijwonen.

1.5.

Op 13 januari 2021 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Bij deze zitting was een aantal betrokken via een digitale verbinding aanwezig. Ter zitting hebben alle partijen pleitnotities overgelegd en is (onder meer) besproken dat [eiseres] nogmaals naar de weglakkingen in de door haar aan [tussenkomende partij] verstrekte dagvaarding zou kijken en zou kijken of de niet eerder aan [tussenkomende partij] verstrekte producties alsnog (gedeeltelijk) aan [tussenkomende partij] zouden kunnen worden verstrekt. Ter zitting is vonnis bepaald op 27 januari 2021. Vonnis is vervolgens nader bepaald op heden.

1.6.

Bij brief van 19 januari 2021 heeft [eiseres] de na de mondelinge behandeling aan [tussenkomende partij] verstrekte minder geanonimiseerde versie van de dagvaarding toegezonden.

2 Het incident tot tussenkomst subsidiair voeging

2.1.

[tussenkomende partij] heeft gevorderd te mogen tussenkomen in de procedure tussen [eiseres] en Rijkswaterstaat dan wel zich te mogen voegen aan de zijde van Rijkswaterstaat. Ter zitting hebben [eiseres] en Rijkswaterstaat verklaard geen bezwaar te hebben tegen de tussenkomst. [tussenkomende partij] is vervolgens toegelaten als tussenkomende partij, aangezien zij aannemelijk heeft gemaakt dat zij daarbij voldoende belang heeft. Voorts is niet gebleken dat de tussenkomst aan een voortvarende afdoening van dit kort geding in de weg staat. Hierdoor ontstaat er ook geen strijd met de goede procesorde in het algemeen.

3 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding – ten behoeve van de beoordeling van de ontvankelijkheid van [eiseres] en de vraag in hoeverre [eiseres] stukken moet verstrekken aan [tussenkomende partij] – van het volgende uitgegaan.

3.1.

Rijkswaterstaat heeft een Europese openbare aanbestedingsprocedure georganiseerd voor de ontwikkeling, levering en dienstverlening van een bouwblok audio voor audiosystemen en toepassingen in verkeerscentrales ten behoeve van gespreksafhandelingen voor de bediening van tunnels, bruggen, sluizen, keringen en ander objecten in beheer bij Rijkswaterstaat.

3.2.

In het kader van deze aanbesteding heeft Rijkswaterstaat een Beschrijvend document aan potentiële inschrijvers ter beschikking gesteld. In het Beschrijvend document is voor zover nu relevant het volgende opgenomen:

“(...)

7.1

Akkoordverklaring

Dor het indienen van een Inschrijving, vergezeld van de bijlage 1 ‘Akkoordverklaring’, gaat Inschrijver uitdrukkelijk akkoord met alle eisen, vereisten en voorwaarden die in dit Beschrijvend document zijn opgenomen. Het ontbreken van de bijlage ‘Akkoordverklaring’ of het ontbreken van de rechtsgeldige ondertekening in de bijlage ‘Akkoordverklaring’ leidt tot terzijde legging van de Inschrijving.

(...)

7.22

Mededeling gunningsbeslissing

Alle Inschrijvers krijgen gelijktijdig via TenderNed een gemotiveerd bericht van de mededeling van de gunningsbeslissing.

Opschortende termijn

Iedere Inschrijver c.q. belanghebbende die het met de gunningsbeslissing niet eens is, kan hierover een voorlopige voorziening vragen bij de bevoegde civiele rechter te Den Haag.

Belanghebbende dient dit te vragen uiterlijk 20 kalenderdagen na elektronische verzending van de gunningsbeslissing. Deze opschortende termijn is tevens een vervaltermijn. Ingeval Inschrijver een voorlopige voorziening vraagt, wordt Inschrijver verzocht een kopie van de dagvaarding aan Rijkswaterstaat op te sturen.

De gunningsbeslissing is op grond van artikel 2.129 van de Aanbestedingswet nog geen aanvaarding van het aanbod van de Inschrijver. Gedurende 20 kalenderdagen na elektronische verzending van de gunningsbeslissing, is het Rijkswaterstaat niet toegestaan de opdracht definitief te gunnen door het aangaan van de Overeenkomst.

Als gedurende deze 20 kalenderdagen een voorlopige voorziening is gevraagd, zal de uitspraak in kort geding in eerste instantie worden afgewacht. De uitspraak vormt de basis voor de verdere besluitvorming van Rijkswaterstaat. Indien tegen de gunningsbeslissing een voorlopige voorziening is gevraagd, zal Rijkswaterstaat de andere Inschrijvers hiervan op de hoogte brengen.

(...)”

3.3.

Er zijn drie inschrijvers op de aanbesteding, waaronder [eiseres] en [tussenkomende partij].

3.4.

Op 12 oktober 2020 heeft Rijkswaterstaat de voorlopige gunningsbeslissing (gedateerd 9 oktober 2020) verzonden. In de aan [eiseres] verzonden voorlopige gunningsbeslissing staat vermeld dat Rijkswaterstaat voornemens is de opdracht te gunnen aan [tussenkomende partij] en dat de inschrijving van [eiseres] ongeldig is verklaard.

3.5.

Bij brief van 16 oktober 2020 heeft [eiseres] bezwaar gemaakt tegen de voorlopige gunningsbeslissing. Hierop heeft Rijkswaterstaat bij brief van 21 oktober 2020 gereageerd. Kort samengevat hield de reactie van Rijkswaterstaat in dat de op 12 oktober 2020 verzonden gunningsbeslissing van toepassing blijft.

3.6.

Bij dagvaarding van 2 november 2020 heeft [eiseres] dit kort geding aanhangig gemaakt.

4 Het geschil

5 De beoordeling van het geschil

6 De beslissing