Rechtbank Den Haag, 17-11-2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:12756, C/09/616363 / KG ZA 21-768
Rechtbank Den Haag, 17-11-2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:12756, C/09/616363 / KG ZA 21-768
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 17 november 2021
- Datum publicatie
- 22 november 2021
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2021:12756
- Zaaknummer
- C/09/616363 / KG ZA 21-768
Inhoudsindicatie
Kort geding. Gedaagde heeft in opdracht werkzaamheden voor de Staat verricht. In die periode heeft hij personeelsvertrouwelijke informatie aan zichzelf in privé per e-mail verzonden. Die informatie houdt hij ook na beëindiging van zijn werkzaamheden voor de Staat nog steeds onder zich. Vordering om gedaagde te veroordelen deze informatie te vernietigen toegewezen. Gedaagde houdt de informatie onrechtmatig onder zich en de door hem aangevoerde rechtvaardigingsgronden maken dit niet anders.
Uitspraak
Team Handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/616363 / KG ZA 21-768
Vonnis in kort geding van 17 november 2021
in de zaak van
de Staat der Nederlanden te Den Haag,
eiser,
advocaat mr. M.M.C. van Graafeiland te Den Haag,
tegen:
[gedaagde] , tevens h.o.d.n. [handelsnaam gedaagde] te [plaats] ,
gedaagde,
advocaat mr. R.W. de Pater te Breda ,
waarin is tussengekomen:
USG Professionals B.V.,
te Almere,
advocaten mr. P.Th. Mantel en E.C. Brussee te Utrecht.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de Staat’, ‘gedaagde’ en ‘USG’.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met daarbij en nadien overgelegde producties;
- de door gedaagde overgelegde conclusie van antwoord met producties;
- de incidentele conclusie tot tussenkomst, subsidiair voeging tevens houdende conclusie van eis in de hoofdzaak, met producties;
- de op 1 november 2021 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door alle partijen pleitnotities zijn overgelegd.
In de dagvaarding heeft de Staat verwezen naar productie 21. Die productie is echter niet bij de dagvaarding gevoegd. De Staat heeft ten aanzien van die productie voorafgaand aan de mondelinge behandeling schriftelijk verzocht te bepalen:
primair dat alleen de voorzieningenrechter van die productie kennis neemt (op grond van artikel 22 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv);
subsidiair dat alleen de advocaat van gedaagde van die productie kennis mag nemen (artikel 22a Rv);
meer subsidiair dat die productie vertrouwelijk moet blijven (artikel 28 lid 1 aanhef en onder b Rv).
In reactie op deze verzoeken is namens de voorzieningenrechter per e-mail van 8 september 2021 voorgesteld dat de Staat de betreffende productie niet op voorhand overlegt, maar meeneemt naar de zitting. Verder staat in de e-mail dat als tijdens het debat ter zitting blijkt dat kennisneming van de inhoud van de productie nodig is, dat dan ter zitting een passende oplossing geboden zal worden, rekening houdend met de stellingen van de Staat over het vertrouwelijk karakter van die productie. Productie 21 maakt geen onderdeel uit van het dossier en de voorzieningenrechter heeft daarvan dus ook geen kennis genomen. Ter zitting is vervolgens niet meer aan de orde gekomen dat kennisname van de inhoud van productie 21 nodig was – anders dan dat de Staat enige citaten daaruit heeft voorgedragen.
Ter zitting is vonnis bepaald op 15 november 2021. Vonnis is vervolgens nader bepaald op heden.
2 Het incident tot tussenkomst, subsidiair voeging
USG heeft gevorderd te mogen tussenkomen in de procedure tussen de Staat en gedaagde dan wel zich te mogen voegen aan de zijde van de Staat. Ter zitting heeft de Staat verklaard geen bezwaar te hebben tegen de tussenkomst. Gedaagde heeft wel verweer gevoerd tegen de voeging. Kort samengevat heeft hij daartoe gesteld dat de Staat en USG al maanden gelijk optrekken en dat er altijd een “2 tegen 1” discussie is geweest. Nu wil USG zich op het laatste moment mengen in de procedure tussen gedaagde en de Staat, terwijl zij al maanden op de hoogte was van de aankomende procedure. Er is volgens gedaagde niet voldaan aan de formele vereisten voor tussenkomst. Gesteld noch gebleken is dat USG het verschuldigde griffierecht al heeft voldaan en pas wanneer USG dat wel gedaan heeft, kan zij worden toegelaten als tussenkomende partij. Dit betekent dat de behandeling van de hele zaak moet worden aangehouden, of dat USG niet moet worden toegelaten als tussenkomende partij. Bovendien heeft gedaagde geen contractuele relatie met USG. USG stelt weliswaar dat zij de rechtsopvolger is van USG Legal Professionals B.V. – waarmee gedaagde wel een contractuele relatie heeft gehad – maar heeft dit niet nader onderbouwd. Gedaagde betwist dit dan ook. Tot slot betwist gedaagde dat de belangen van USG rechtstreeks bij dit kort geding betrokken zijn. USG stelt blijkbaar dat zij alleen belang heeft bij het incident voor het geval de procedure zou verliezen. Het is echter niet te begrijpen waarom het feitelijke en juridische gevolgen voor USG heeft als de Staat deze procedure zou verliezen.
Nadat partijen hun standpunt over het incident over en weer naar voren hebben kunnen brengen, heeft de voorzieningenrechter de zitting voor korte tijd geschorst. Na hervatting van de zitting heeft de voorzieningenrechter beslist dat de USG wordt toegelaten als tussenkomende partij. De omstandigheid dat USG het verschuldigde griffierecht nog niet heeft voldaan staat aan die tussenkomst niet in de weg. Op grond van artikel 5 van de Wet griffierechten burgerlijke zaken is een tussenkomende partij het griffierecht pas verschuldigd vanaf het tijdstip waarop hij de vordering tot voeging of tussenkomst indient en moet dit vervolgens binnen vier weken worden voldaan. Hoewel USG de vordering tot tussenkomst al voorafgaand aan de zitting heeft aangekondigd, kon zij deze pas ter zitting indienen. Een incidentele vordering kan immers pas worden ingesteld als een partij in het geding is verschenen. In kort geding verschijnt een partij voor het eerst op de mondelinge behandeling in het geding (vgl. ook artikel 7.3 van het Landelijk procesreglement kort gedingen rechtbank handel/familie). Naar aanleiding van de betwisting van gedaagde dat USG de rechtsopvolger is van USG Legal Professionals B.V. heeft USG toegelicht dat in 2020 drie entiteiten – waaronder USG Legal Professionals B.V. – zijn gefuseerd tot USG en dat USG daarmee de rechtsopvolger is geworden van USG Legal Professionals. Gedaagde heeft vervolgens niets meer tegen deze stelling ingebracht, zodat de voorzieningenrechter van de juistheid van die stelling uitgaat. De voorzieningenrechter is tot slot van oordeel dat USG haar belang bij de tussenkomst voldoende aannemelijk heeft gemaakt – dit belang zal uit de inhoudelijke beoordeling van de zaak ook blijken – en dat niet is gebleken dat de tussenkomst aan een voortvarende afdoening van dit kort geding in de weg staat.
3 De feiten
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
Gedaagde is van 1 mei 2018 tot 1 december 2018 via (de rechtsvoorganger van) USG (hierna aan te duiden als USG), op basis van een tussen USG en gedaagde gesloten overeenkomst van opdracht, werkzaam geweest voor de Staat. De overeenkomst van opdracht tussen de Staat en USG er inschakeling van gedaagde is door de Staat op 1 november 2018 tegen 1 december 2019 opgezegd. Gedaagde werkte voornamelijk als secretaris van de bezwaaradviescommissie personele aangelegenheden (hierna: BACPA) van verschillende ministeries. Hij heeft ook plaatsings- en bedenkingenadviescommissies ondersteund.
In de hiervoor bedoelde tussen USG en gedaagde gesloten overeenkomst van opdracht (hierna: de overeenkomst) staat, voor zover nu relevant, het volgende:
“(...)
Artikel 11. Veiligheid
-
Opdrachtnemer zal in redelijkheid meewerken aan voor eenieder geldende veiligheidsonderzoeken, indien en voor zover die nodig zijn om de opdracht bij de Derde te kunnen uitvoeren, zoals toegangscontroles of veiligheidsvoorschriften die door de Derde worden voorgeschreven op locatie of voor uitvoering van bepaalde werkzaamheden teneinde aan wet- en regelgeving te kunnen voldoen.
-
Opdrachtnemer zorgt ervoor dat protocollen en huis- en gedragsregels die voor eenieder gelden op de locatie van de Derde en/of op de locatie van derde(n) waar de opdracht wordt uitgevoerd, en welke betrekking hebben op algemene of bijzondere veiligheidsvoorschriften, en/of voorschriften ter nakoming van toepasselijke wet- en regelgeving in redelijkheid worden opgevolgd. De Derde zal deze protocollen en huis- en gedragsregels al dan niet via Opdrachtgever vóór aanvang van de werkzaamheden aan Opdrachtnemer verstrekken.
(...)
Artikel 12. Hulpmiddelen
1. Opdrachtnemer dient zorg te dragen voor het kunnen beschikken over alle voor de uitvoering van de werkzaamheden benodigde hulpmiddelen. Opdrachtnemer is verantwoordelijk voor zijn eigen uitrusting.
(...)
(...)
Artikel 14
-
Opdrachtnemer verbindt zich zowel gedurende de looptijd van deze overeenkomst als ook nadat deze overeenkomst om welke reden en op welke wijze dan ook zal zijn geëindigd, op geen enkele wijze aan wie dan ook enige kennis of gegevens te openbaren met betrekking tot de door haar verleende diensten en de financiën, de werkwijze, de relaties en andere zaken van Opdrachtgever, de Derde en/of aan de Derde gelieerde ondernemingen, welke kennis of gegevens Opdrachtnemer bekend zijn geworden tijdens of als gevolg van deze overeenkomst en waaromtrent Opdrachtnemer geheimhouding is opgelegd of waarvan Opdrachtnemer het vertrouwelijke karakter kent of behoort te kennen. Onder de verplichting tot geheimhouding valt ook het niet openbaar maken aan werknemers van Opdrachtgever, de Derde en/of de aan de Derde gelieerde ondernemingen, tenzij deze(n) in verband met hun werkzaamheden in dienst van Opdrachtgever of de Derde van een en ander op de hoogte dienen te worden gesteld. Onder de hier bedoelde geheimhouding valt ook informatie betreffende eventuele leden, klanten of cliënten van de Derde.
-
Opdrachtnemer zal ten aanzien van de door hem ontvangen informatie tenminste dezelfde zorgplicht en waarborgen in acht nemen die gelden ten aanzien van zijn eigen interne vertrouwelijke informatie en zal (indien van toepassing) door hem in te schakelen derden verplichten om de bepalingen van deze geheimhoudingsclausule na te leven.
-
Het is Opdrachtnemer niet toegestaan in publicaties, advertenties of op enige andere wijze de naam van Opdrachtgever en/of de Derde te gebruiken, tenzij hij daarvoor schriftelijke toestemming heeft ontvangen van de wederpartij of openbaarmaking vereist is op basis van de wettelijke voorschriften.
-
Opdrachtnemer is gehouden alle in dit artikel bedoelde informatie die hij heeft ontvangen, op eerste verzoek of in ieder geval na het einde van de overeenkomst, volledig te retourneren aan Opdrachtgever en/of de Derde of – indien Opdrachtgever daartoe opdracht heeft gegeven in het kader van de Wet Bescherming Persoonsgegevens, – deze gegevens te vernietigen op een door Opdrachtgever en/of de Derde aangegeven wijze, zonder een kopie van de gegevens te behouden. Opdrachtnemer zal op eerste verzoek van Opdrachtgever en/of de Derde schriftelijk verklaren dat de gegevens zijn vernietigd.
-
Opdrachtnemer is van rechtswege in gebreke door enkele overtreding of niet-nakoming van het bepaalde in dit artikel zonder dat sommatie of enige andere formaliteit nodig zal zijn en zonder dat schade behoeft te worden aangetoond. Opdrachtnemer zal per overtreding of nietnakoming aan Opdrachtgever een direct opvorderbare boete van € 22.500,- verbeuren, alsmede een boete van € 2.250,- voor elke dag dat de overtreding voortduurt. Indien en voor zover de geleden en te lijden schade meer mocht belopen dan vorenvermeld bedrag, dan behoudt Opdrachtgever het recht het meerdere van Opdrachtnemer te vorderen.
(...)”
Vanaf 22 mei 2018 tot hij zijn werkzaamheden beëindigde had gedaagde de beschikking over een laptop van de Staat, waarop hij middels een token kon inloggen op de beveiligde werkomgeving van het Rijk. Daarnaast kon gedaagde via zijn eigen computer via Citrix Workspace inloggen op de beveiligde werkomgeving van het Rijk.
Op 24 mei 2018 heeft gedaagde de Model Integriteitsverklaring Rijk voor externen ondertekend. In deze Integriteitsverklaring staat onder meer het volgende:
“Ik heb kennis genomen van de Gedragscode Integriteit Rijk en de Gedragsregeling digitale werkomgeving (...) en zal mij daaraan houden. Deze regelingen zijn mij bij de start van mijn werkzaamheden uitgereikt dan wel vooraf toegezonden. In het bijzonder ben ik gewezen op de twee hierna genoemde aspecten van de regelingen:
Geheimhouding en informatiebeveiliging:
Ik ben op de hoogte gesteld van mijn verplichtingen met betrekking tot de geheimhouding van de aan mij toevertrouwde informatie en weet dat het niet naleven van die verplichting kan leiden tot strafrechtelijke vervolging. Ik ben mij bewust van mijn verantwoordelijkheid voor de beveiliging van informatie en informatiedragers. Ik ben mij er ook van bewust dat de plicht tot geheimhouding van informatie doorloopt na afloop van mijn werkzaamheden.”
In de Gedragscode Integriteit Rijk staat, voor zover nu relevant:
“ Geheimhoudingsplicht
Als ambtenaar heb je toegang tot veel informatie, soms ook vertrouwelijke informatie. Informatie kan bijvoorbeeld politiek gevoelig, of privacy gevoelig zijn. Het is de bedoeling dat zulke informatie bij jou veilig is. Daarom heb je een geheimhoudingsplicht. De geheimhoudingsplicht blijft ook na uitdiensttreding gelden.
Dit betekent niet alleen dat je geen informatie 'lekt', maar ook dat je die niet laat rondslingeren of anderen daartoe toegang verschaft. Dit vereist dat je zorgvuldig omgaat met informatie en informatiedragers (..) en rekening houdt met specifieke (informatie)beveiligingsregels. (..)
Uitgangspunten voor zorgvuldig omgaan met informatie:
- Je bewaakt de vertrouwelijkheid van informatie;
- Je gebruikt informatie alleen voor het doel waarvoor die is verstrekt;
- Je deelt informatie voor zover je die hoort te delen."
In de Gedragsregeling digitale werkomgeving staat het volgende, voor zover nu relevant:
“Het automatisch doorsturen van berichten die binnekomen op je werk e-mail account, naar een privé e-mailadres is niet togestaan. Je kunt dan immers niet controleren of er vertrouwelijke informatie tussen zit.
Weest dus alert en stuur geen vertrouwelijke informatie naar je privé e-mailadres”
Op 31 oktober 2019 heeft gedaagde melding gemaakt van een vermoeden van integriteitsschendingen door een aantal personen, waar hij tijdens zijn werkzaamheden voor de Staat kennis van had genomen (hierna: de integriteitsmelding). Op 31 oktober 2019 heeft gedaagde een klacht op grond van hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht ingediend tegen (een deel van) dezelfde personen als waar de integriteitsmelding op ziet (hierna: de eerste Awb-klacht). Vervolgens heeft gedaagde op 5 maart 2021 een Awb-klacht ingediend tegen de integriteitscoördinator die de integriteitsmelding in behandeling had, omdat zij volgens gedaagde geen gepaste actie heeft ondernomen naar aanleiding van de integriteitsmelding (hierna: de tweede Awb-klacht).
Bij dagvaarding van 7 februari 2020 heeft gedaagde een kort geding aanhangig gemaakt tegen de Staat en USG, omdat volgens hem een factuur voor “extra feitelijke werkuren” onbetaald is gebleven. Bij vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 2 maart 2020 zijn de vorderingen van gedaagde strekkende tot betaling van die factuur afgewezen. Dit vonnis is in hoger beroep bij arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bekrachtigd.
In het kader van de behandeling van de tweede Awb-klacht heeft gedaagde op 9 juli 2021 een e-mail aan de Staat gestuurd. Uit (de bijlagen bij) deze e-mail is het de Staat gebleken dat gedaagde nog stukken onder zich heeft waarover hij uit hoofde van de uitvoering van zijn werkzaamheden de beschikking over had. Op 14 juli 2021 heeft de Staat in verband hiermee op grond van artikel 33 van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) melding gedaan van een datalek bij de Autoriteit Persoonsgegevens (AP).
Bij brief van 15 juli 2021 heeft de Staat gedaagde gevraagd om hem uiterlijk op 19 juli 2021 te informeren over de aard en omvang van de dossiers/documenten aangaande (personeelsvertrouwelijke) bezwaarzaken die hij onder zich heeft en waar hij in de periode dat hij werkzaamheden verrichtte voor de Staat toegang toe had en over de vraag of hij die informatie met anderen dan de Staat gedeeld heeft, en zo ja met wie en hoe de dossiers opgeslagen zijn geweest. Tevens heeft de Staat gedaagde gevraagd uiterlijk op 21 juli 2021 alle dossier/documenten aan de Staat te overhandigen en te bevestigen dat hij geen documenten en/of kopieën meer onder zich heeft.
Naar aanleiding van de brief van de Staat van 15 juli 2021 is gecorrespondeerd tussen (de toenmalig gemachtigde van) gedaagde en (de advocaat van) de Staat. In die correspondentie heeft gedaagde een overzicht aan de Staat verstrekt van de zaken die hij heeft behandeld toen hij voor de Staat werkzaamheden verrichtte. Hij heeft daarbij laten weten dat hij meer tijd nodig heeft om vast te stellen welke van deze dossiers hij onder zich heeft en hij heeft gesteld dat hij daarvoor dertig dagen de tijd heeft, omdat hij het verzoek van de Staat in de brief van 15 juli 2021 aanmerkt als een inzageverzoek als bedoeld in artikel 15 AVG. Gedaagde heeft tevens laten weten dat hij de dossiers/documenten niet met anderen heeft gedeeld en dat hij niet zal voldoen aan het verzoek om de dossiers aan de Staat te verstrekken, omdat met dat verzoek sprake zou zijn van een beroep op het recht op vergetelheid (artikel 17 AVG) en dat er een uitzondering op dat recht bestaat. Gedaagde heeft tevens bericht dat hij de dossiers niet wil overhandigen, omdat hij bewijs wil kunnen leveren in het onderzoek naar de integriteitsmelding.
Bij brief van de Staat van 29 juli 2021 is gedaagde erover geïnformeerd dat de map met verzonden e-mails in zijn opgeheven zakelijke e-mailbox (waar hij ten behoeve van en tijdens zijn werkzaamheden voor de Staat de beschikking over had) door de beveiligingsambtenaar van de Staat zal worden doorzicht op uitgaande e-mails naar externe e-mailadressen die (ogenschijnlijk) aan gedaagde toebehoren en dat die e-mails zullen worden beoordeeld op de vraag of zij informatie bevatten die gedaagde niet aan zichzelf, in privé, had mogen sturen. De Staat heeft hierbij gesteld dat dit wordt gedaan mede gelet op de noodzaak en het (gerechtvaardigde) belang de AP zo snel mogelijk nader te informeren over de omvang van het datalek. In die brief staat tevens vermeld dat voor zover de aangetroffen e-mails vertrouwelijke informatie bevatten die gedaagde niet aan zichzelf had mogen sturen, die e-mails bewaard zullen worden totdat het onderzoek naar de integriteitsmelding is afgerond.
In reactie op de brief van 29 juli 2021 heeft (de gemachtigde van) gedaagde laten weten dat gedaagde de dossiers / documenten die hij onder zich heeft (ook) nodig heeft voor in voorbereiding zijnde bodemprocedures over ten onrechte niet uitbetaalde overuren en de (vermeende) onrechtmatige beëindiging van zijn werkzaamheden door de Staat, naast het belang om de informatie te kunnen gebruiken in de onderzoeken naar de integriteitsmelding en de Awb-klachten. Gedaagde wijst er ook op dat hij de informatie als bewijs nodig heeft “in het kader van aangifte(n) tegen beklaagden inzake het door hen bewust aansturen van en het (mede)plegen van strafbare feiten, waaronder ambtelijke omkoping binnen BZK”. Gedaagde stelt dat hij niet beschikt over fysieke dossiers en betwist dat hij digitale dossiers en documenten niet naar zichzelf in privé mocht e-mailen. Hij heeft er hierbij op gewezen dat hij met USG is overeengekomen dat hij als opdrachtnemer verantwoordelijk is voor zijn eigen uitrusting en dat hij ervoor zorg moet dragen dat hij kan beschikken over alle voor de uitvoering van zijn werkzaamheden benodigde hulpmiddelen. Om deze reden betwist gedaagde dat hij geen digitale dossiers en documenten aan zichzelf in privé mocht e-mailen.
Op 10 augustus 2021 heeft USG gedaagde gesommeerd om binnen vijf werkdagen zijn onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan het retourneren of vernietigen van alle informatie en documentatie van de Staat die hij onder zich houdt. Daarbij heeft USG gedaagde er op gewezen dat hij door niet na te komen boetes verbeurt.
In een verklaring van een beveiligingsambtenaar van de Staat van 18 augustus 2021 staat het volgende:
“Hierbij deel ik u mede dat het Bureau Beveiligingsautoriteit (BVA) van het Ministerie van Justitie en Veiligheid en het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een onderzoek heeft ingesteld naar het e-mail account: (... ) [toevoeging voorzieningenrechter: het zakelijke, opgeheven, e-mailaccount van gedaagde bij de Staat]. Er is vastgesteld dat vanuit dit rijksoverheid account, in de periode mei 2018 – december 2018, 349 e-mailberichten zijn doorgestuurd naar de accounts:
(...) [toevoeging voorzieningenrechter: een e-mailadres, met daarin de naam waaronder gedaagde tevens handelt verwerkt]
en
(...) [toevoeging voorzieningenrechter: een e-mailadres, met daarin de eerste voornaam en achternaam van gedaagde]”