Home

Rechtbank Den Haag, 01-12-2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:13452, C-09-599550-HA ZA 20-902

Rechtbank Den Haag, 01-12-2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:13452, C-09-599550-HA ZA 20-902

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
1 december 2021
Datum publicatie
7 december 2021
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2021:13452
Zaaknummer
C-09-599550-HA ZA 20-902

Inhoudsindicatie

Curator heeft na faillissement o.g.v. 58 Fw een termijn van zes maanden aan de bank (hypotheekhouder) gesteld om de woning te verkopen. Bank verkoopt onderhands onder opschortende voorwaarde van toestemming voorzieningenrechter (3:268 lid 2 BW). Het verzoek tot toestemming is vóór het verstrijken van de gestelde termijn van zes maanden ingediend, maar de voorzieningenrechter verleent pas na het verstrijken van de termijn toestemming. Curator eist op o.g.v. 58 lid 1 Fw. Hiermee maakt hij misbruik van bevoegdheid (3:13 BW).

Uitspraak

vonnis

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/599550 / HA ZA 20-902

Vonnis van 1 december 2021 (bij vervroeging)

in de zaak van

[de Curator] , in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de heer [A] (h.o.d.n. [Handelsnaam A] ), te [plaats] ,

advocaat: mr. J.J. Schnezler te Leiden,

eiser,

TEGEN

ING BANK N.V. te Amsterdam,

advocaat: mr. T.J.P. Jager te Amsterdam,

gedaagde.

Partijen zullen hierna de curator en ING genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

-

de dagvaarding van 14 september 2020, met producties,

-

het herstelexploot van 29 september 2020,

-

de conclusie van antwoord in conventie tevens eis in reconventie, met producties,

-

de conclusie van antwoord in reconventie, met producties,

-

het tussenvonnis van 14 juli 2021, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,

-

het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 3 november 2021 en de daarin genoemde stukken.

1.2.

Het proces-verbaal van de mondelinge behandeling is met instemming van partijen buiten hun aanwezigheid opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om opmerkingen te maken over het proces-verbaal voor zover het feitelijke onjuistheden betreft. De curator heeft bij brief van 22 november 2021 van die mogelijkheid gebruik gemaakt. ING heeft bij brief van 25 november 2021 op de brief van de curator gereageerd en eveneens enkele opmerkingen gemaakt. Deze brieven maken deel uit van het procesdossier en het vonnis wordt gewezen met inachtneming van deze brieven, voor zover het correcties van feitelijke aard betreft.

1.3.

Ten slotte is een datum voor het wijzen van vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 23 juli 2019 is dhr. [A] (hierna: ‘ [A] ’) failliet verklaard. De curator is als curator in het faillissement aangesteld.

2.2.

[A] was eigenaar van een woning aan [adres] (hierna: ‘de woning’). ING had een recht van hypotheek op de woning.

2.3.

Op 12 augustus 2019 zijn de curator en ING overeengekomen dat ING op grond van artikel 58 lid 1 van de Faillissementswet (Fw) een termijn van zes maanden – dus uiterlijk tot 12 februari 2020 – krijgt om de woning zelf als hypotheekhouder te verkopen.

2.4.

De marktwaarde van de woning is blijkens een taxatierapport van 6 september 2019 getaxeerd op respectievelijk € 230.000 (in onverhuurde staat) en € 220.000 (in verhuurde staat). De executiewaarde is getaxeerd op respectievelijk € 210.000 (in onverhuurde staat) en € 190.000 (in verhuurde staat).

2.5.

Aanvankelijk heeft ING de mogelijkheden van een onderhandse verkoop onderzocht. De curator heeft in dat kader zijn hulp aangeboden. De curator en ING hebben vervolgens een afspraak gemaakt over betaling van een boedelbijdrage van respectievelijk € 2.500 (als ING of haar makelaar zelf een koper vindt en de werkzaamheden van de curator zich beperken tot de controle en het tekenen van de stukken) of € 5.000 (als ING in zee gaat met een door de curator voorgestelde koper).

2.6.

In een e-mail van 18 december 2019 heeft ING aan de curator bericht dat ING heeft besloten de woning openbaar te verkopen en dat de veilingdatum is bepaald op 19 februari 2020. Op 27 december 2019 heeft de notaris de veilingvoorwaarden per e-mail aan de curator toegestuurd. In de veilingvoorwaarden stond dat de veilingdatum was vastgesteld op 29 januari 2020.

2.7.

Bij verzoek 31 december 2019 heeft ING de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag op grond van artikel 3:264 lid 5 van het Burgerlijk Wetboek (BW) verzocht om het huurbeding tegen (onbekende) (onder)huurders in de woning in te roepen. De voorzieningenrechter heeft dit verzoek bij beschikking van 23 januari 2020 toegewezen en toestemming gegeven voor de ontruiming.

2.8.

Op grond van de veilingvoorwaarden konden tot en met 14 januari 2020 onderhandse biedingen worden uitgebracht. Bij brief van 15 januari 2020 heeft de notaris aan de curator bericht dat er drie onderhandse biedingen waren ontvangen van respectievelijk € 170.000, € 60.000 en € 255.000. De curator heeft de aanbiedingen doorgestuurd naar ING, met de opmerking dat met name het onderhandse bod van € 255.000 hem opviel, gezien de bepaalde executiewaardes van de woning.

2.9.

Het bod van € 255.000 van Best & West B.V. (hierna te noemen: ‘de koper’) is door ING aanvaard. Op 16 januari 2020 is tussen ING en de koper een schriftelijke koopovereenkomst ondertekend, waarin de koper de woning voor een bedrag van € 255.000 koopt (hierna te noemen: ‘de koopovereenkomst’). De koop geschiedt volgens de koopovereenkomst onder de opschortende voorwaarde dat de voorzieningenrechter zijn toestemming als bedoeld in artikel 3:268 lid 2 BW aan de koop verleent. Verder staat in de koopovereenkomst dat de levering dient plaats te vinden binnen vijf dagen na de datum van de onvoorwaardelijke rechterlijke goedkeuring, maar niet later dan de door de curator gestelde termijn van artikel 58 Fw.

2.10.

Op 17 januari 2020 heeft ING een verzoekschrift bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag ingediend met het verzoek om op grond van artikel 3:268 lid 2 BW toestemming te verlenen voor de verkoop. In de bijgevoegde aanbiedingsbrief heeft ING verzocht om in verband met de door de curator gestelde redelijke termijn vóór of uiterlijk op 6 februari 2020 (in de ochtend) beschikking te wijzen. De rechtbank heeft bij brief van 20 januari 2020 de ontvangst van het verzoekschrift bevestigd.

2.11.

ING heeft per e-mail van 20 januari 2020 het volgende aan de curator bericht:

“Het onderhandse bod van (...) € 255.000 is door ING Bank geaccepteerd, een heel mooi bod gezien de (...) excecutiewaarden. Hiermee is een hele mooie koop tot stand gebracht, welke ter behandeling inmiddels is ingediend bij de voorzieningenrechtbank. Zodra een behandelingsdatum bekend wordt gemaakt, zal ik u hierover nader informeren.”

De curator heeft hierop per e-mail het volgende geantwoord:

“Goed te horen dat het alsnog tot een onderhandse verkoop gaat komen, zowel voor de bank als voor de boedel (gelet op de overeengekomen boedelbijdrage). Ik wacht uw verdere berichten af.”

ING heeft daarop het volgende geantwoord:

“U geeft aan dat het alsnog tot een onderhandse verkoop gaat komen voor wat betreft de woning van failliet de heer [A] , dat is echter niet juist. ING bank verkoopt in deze krachtens artikel 3:268 lid 2 BW, door ING Bank is een onderhands executie bod aanvaard en derhalve is de separatistenregeling niet van toepassing.”

2.12.

De griffier van de rechtbank heeft bij brief van 24 januari 2020 in verband met het ontvangen verzoek tot goedkeuring van de koopovereenkomst aan ING bericht dat de belanghebbenden diezelfde dag (bij gewone brief) in kennis zijn gesteld van de indiening van het verzoekschrift en dat de belanghebbenden tot één week na dagtekening van de brief schriftelijk kenbaar kunnen maken of zij bezwaar hebben tegen de goedkeuring. Uit latere navraag bij de rechtbank is gebleken dat de griffier die dag alleen een brief naar de curator had gestuurd.

2.13.

Bij brief van 7 februari 2020 heeft de griffier van de rechtbank aan ING bericht dat de rechtbank het verzoekschrift die dag aan [A] heeft toegezonden en dat de rechtbank het verzoekschrift pro forma tot 14 februari 2020 heeft aangehouden in afwachting van een eventuele reactie van [A] zelf.

2.14.

In een e-mail van 12 februari 2020 heeft de curator onder meer het volgende aan de notaris bericht:

“Wij spraken vanmiddag over het pand (...) waarbij u aangaf dat de verkoop daarvan nog niet voltooid is. De bank zou nog in afwachting zijn van toestemming van de voorzieningenrechter.

Met de bank ben ik (...) een termijn ex art. 58 Fw overeengekomen. Deze termijn is heden verstreken.

Ik verzoek u dan ook, vriendelijk doch dringend, de verkoop van het pand conform opdracht thans te staken, daar ik de verkoopprocedure over zal nemen.

Vervolgens zal ik, na korte bestudering van de opties, vermoedelijk de rechter-commissaris verzoeken om toestemming voor onderhandse verkoop aan de huidige (potentiële) koper, waarna de opbrengst conform artikel 58 Fw via de boedel zal lopen.”

2.15.

In een e-mail van 13 februari 2020 heeft de curator het volgende aan ING bericht:

“Ik probeerde u vandaag te bellen, maar kreeg u niet te pakken.

Een behandelingsdatum van het verzoek van ING ter zake de verkoop (...) op de voet van artikel 3:268 lid 2 BW, heb ik nog niet van u mogen ontvangen. Bericht u mij?”

2.16.

In een e-mail van 14 februari 2020 heeft de curator het volgende aan ING bericht:

“Zojuist sprak ik met uw collega (...) Van hem begreep ik dat het pand nog niet verkocht is. De door ons gezamenlijk vastgestelde redelijke termijn ex artikel 58 Fw is inmiddels (eergisteren) verstreken.

Ik verzoek (...) ING dan ook de executie van haar hypotheekrecht te staken en mij – ook in het kader van een zo hoog mogelijke opbrengst – alle relevante informatie ter zake door te sturen, waarna ik de verkoop op de voet van artikel 58 Fw over zal nemen.”

2.17.

In een faxbericht aan de griffier van de rechtbank van 17 februari 2020 heeft de curator aan de voorzieningenrechter verzocht om, voor zover nog geen goedkeuring op grond van artikel 3:268 lid 2 BW is verleend, die goedkeuring niet langer te geven omdat de curator vanwege het verstrijken van de termijn op grond van artikel 58 Fw de verkoopprocedure overneemt.

2.18.

Bij beschikking van 17 februari 2020 heeft de voorzieningenrechter de koopovereenkomst op grond van artikel 3:268 lid 2 BW goedgekeurd. In de beschikking staat tevens dat geen van de in kennis gestelde belanghebbenden kenbaar heeft gemaakt bezwaar te hebben tegen toewijzing van het verzoek. Diezelfde dag heeft de advocaat van ING de curator op de hoogte gesteld van de goedkeuring.

2.19.

Op 18 februari 2020 heeft de advocaat van ING aan de curator bericht dat, kort gezegd, ING werd verrast door de beslissing van de rechtbank om op 7 februari 2020 het verzoekschrift aan [A] toe te sturen en zijn reactie af te wachten, waardoor pas op 17 februari 2020 een beschikking kon worden afgegeven.

2.20.

Tussen de curator en ING is een geschil ontstaan over de vraag of de boedelkosten in mindering moeten worden gebracht op de verkoopopbrengst van de woning, omdat de op grond van artikel 58 Fw gestelde termijn op 12 februari 2020 was verstreken. Om het geschil in der minne op te lossen, heeft ING betaling van een boedelbijdrage aangeboden, eerst een bedrag van € 5.000, wat ING later nog heeft verhoogd naar een bedrag van € 6.500. De curator heeft de aanbiedingen van ING afgewezen.

2.21.

Om te voorkomen dat de discussie tussen de curator en ING ertoe zou leiden dat de levering van de woning niet zou plaatsvinden, zijn partijen overeengekomen dat de levering van de woning aan de koper onder bepaalde voorwaarden doorgang vindt. Een van die voorwaarden houdt in dat de verkoopopbrengst op de kwaliteitsrekening van de notaris blijft staan, totdat de curator en ING een eenduidige instructie over de bestemming daarvan afgeven of in rechte is bepaald of de boedelkosten op de verkoopopbrengst in mindering strekken.

2.22.

De woning is op 23 maart 2020 aan de koper geleverd. De verkoopopbrengst staat in depot op de kwaliteitsrekening van de notaris in afwachting van de uitkomst van deze procedure.

3 Het geschil

3.1.

De curator vordert – samengevat – dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

  1. voor recht verklaart dat (a) de curator op rechtmatige wijze gebruik heeft gemaakt van de aan hem in artikel 58 Fw gegeven bevoegdheid en (b) ING door het niet tijdig uitoefenen van haar rechten ex artikel 57 lid 1 Fw haar positie als separatist heeft verloren;

  2. ING veroordeelt om de notaris te instrueren de verkoopopbrengst aan de curator over te maken, op straffe van een dwangsom;

  3. ING veroordeelt tot betaling van de wettelijke handelsrente, althans de wettelijke rente, over de koopsom van € 255.000 vanaf 12 februari 2020;

  4. ING veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 3.050 voor buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 februari 2020;

  5. ING veroordeelt in de proceskosten, bij niet tijdige betaling te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2.

De curator legt aan de vorderingen ten grondslag dat hij ING op grond van artikel 58 Fw een alleszins redelijke termijn van zes maanden, tot 12 februari 2020, heeft geboden om de woning te executeren. ING heeft niet om verlenging van die termijn aan de rechter-commissaris verzocht. De termijn is ongebruikt verstreken. Er is pas op 17 februari 2020 goedkeuring verkregen van de voorzieningenrechter voor de koopovereenkomst. Bovendien volgt uit de wetsgeschiedenis (kamerstukken II 1980/81, 16593, nr. 3, p. 149) dat het tot zekerheid strekkende goed binnen de redelijke termijn moet zijn geëxecuteerd. Voor voltooiing van de executie is volgens de uitspraak van de Hoge Raad van 25 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB8653, zowel verkoop als levering van de woning vereist. De redelijke termijn is dus op twee manieren overschreden: door het te laat verkrijgen van goedkeuring van de voorzieningenrechter én door het te laat leveren van de woning. Doordat de redelijke termijn van artikel 58 Fw ongebruikt is verstreken, is ING op grond van ditzelfde wetsartikel zijn positie als separatist verloren en kon de curator de woning opeisen en met toepassing van artikel 101 en 176 Fw verkopen. De boedelkosten zullen dan ook eerst in mindering moeten worden gebracht op de verkoopopbrengst, aldus – telkens – de curator.

3.3.

ING concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van de curator in zijn vorderingen dan wel tot afwijzing daarvan, met veroordeling van de curator in de proceskosten.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.5.

ING vordert – samengevat – dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

  1. voor recht verklaart dat de curator geen beroep toekomt op het verstrijken van de gestelde termijn en ING als hypotheekhouder een separatistenpositie heeft;

  2. voor recht verklaart dat de curator misbruik van recht heeft gemaakt door (te stellen) tot opeising over te gaan en de levering tegen te werken;

  3. voor recht verklaart dat ING haar separatistenpositie heeft behouden;

  4. de curator veroordeelt om de notaris te instrueren de verkoopopbrengst aan ING over te maken, op straffe van een dwangsom;

  5. (ingeval geoordeeld mocht worden dat de gestelde termijn is verstreken en de curator geen misbruik van recht heeft gemaakt:) voor recht verklaart dat ING bevoorrecht is op de verkoopopbrengst maar dat zij alleen hoeft bij te dragen in de redelijke algemene boedelkosten, waarvan de ten onrechte door de curator gemaakte kosten voor werkzaamheden na 12 februari 2020 en voor deze procedure worden uitgesloten, behalve zijn werkzaamheden van circa 3 à 4 uur over de periode 12 februari 2020 tot en met 19 februari 2020;

  6. de curator veroordeelt tot betaling van de wettelijke rente over de koopsom van € 255.000 vanaf 20 februari 2020;

  7. de curator veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 3.050 voor buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 februari 2020;

  8. de curator veroordeelt in de proceskosten.

3.6.

ING legt aan de vorderingen allereerst ten grondslag dat de verkoop binnen de gestelde redelijke termijn is gelukt, zodat ING haar positie als separatist heeft behouden. Er is voor 12 februari 2020 een onvoorwaardelijk en onherroepelijk bod gedaan op basis van de veilingvoorwaarden, welk bod op basis van artikel 3:268 lid 2 BW bij de voorzieningenrechter is neergelegd. Met de beschikking van de voorzieningenrechter van 17 februari 2020 is de opschortende voorwaarde vervuld en is met terugwerkende kracht op 16 januari 20020 een perfecte koopovereenkomst tot stand gekomen.

Voor zover wordt geoordeeld dat de verkoop niet vóór 12 februari 2020 was afgerond omdat ook goedkeuring door de voorzieningenrechter moest worden gegeven (en daarmee de redelijke termijn van artikel 58 Fw was verstreken), geldt dat de beschikking van de voorzieningenrechter is ontvangen (en de verkoop volledig is afgerond) vóórdat de curator tot opeising is overgegaan. ING is daarmee haar positie als separatist niet verloren.

3.7.

Subsidiair stelt ING dat de curator misbruik van recht maakt door vanwege het verstrijken van de redelijke termijn tot opeising over te gaan (artikel 3:13 BW). De curator wist dat de verkoop rond was en dat sprake was van een goede verkoopopbrengst. Het bod was tijdig aan de voorzieningenrechter voorgelegd. De verkoop was op de handtekening van de voorzieningenrechter na afgerond. De curator heeft geen bezwaar gemaakt tegen het voorgelegde bod. De curator wist dat de beschikking eraan kwam en dat de levering kort daarna kon plaatsvinden. Alleen doordat de rechtbank om onduidelijke redenen op 7 februari 2020 een brief aan [A] heeft gestuurd en de zaak tot 14 februari 2020 heeft aangehouden voor diens eventuele reactie, heeft de levering niet voor 12 februari 2020 kunnen plaatsvinden. Dit lag buiten de macht van ING. De termijn is met een paar dagen overschreden. ING heeft zich niet als een talmende crediteur gedragen en heeft in de geest van artikel 58 Fw gehandeld. Gelet op de onevenredigheid tussen het belang van de curator en de belangen van ING heeft de curator geen gebruik mogen maken van zijn uit artikel 58 Fw voortvloeiende bevoegdheid tot opeising van de woning, aldus – telkens – ING.

3.8.

De curator concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van ING in haar vorderingen dan wel tot afwijzing daarvan, met veroordeling van ING in de proceskosten..

3.9.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

5 De beslissing