Home

Rechtbank Den Haag, 05-03-2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:2033, C/09/607063 / FT RK 21/105 HO

Rechtbank Den Haag, 05-03-2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:2033, C/09/607063 / FT RK 21/105 HO

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
5 maart 2021
Datum publicatie
5 maart 2021
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2021:2033
Zaaknummer
C/09/607063 / FT RK 21/105 HO
Relevante informatie
Faillissementswet [Tekst geldig vanaf 01-01-2025 tot 15-11-2025] art. 369, Faillissementswet [Tekst geldig vanaf 01-01-2025 tot 15-11-2025] art. 370, Faillissementswet [Tekst geldig vanaf 01-01-2025 tot 15-11-2025] art. 371

Inhoudsindicatie

WHOA; afwijzing verzoek aanwijzing herstructureringsdeskundige ex art. 371 Fw; niet in staat lopende verplichtingen te voldoen; taak en kwalificatie herstructureringsdeskundige; gebrek aan belang.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK DEN HAAG

Team Insolventie – meervoudige kamer

Aanwijzing herstructureringsdeskundige

rekestnummer : C/09/607063 / FT RK 21/105 HO

uitspraakdatum : 5 maart 2021

beschikking op het ingekomen verzoek ex artikel 371 Fw, met bijlagen, van

[verzoekster],

handelend onder de naam [X],

wonende en zaakdoende te [woonplaats]

verzoekster,

hierna te noemen: [verzoekster],

advocaat: mr. C.E. Beens te Leusden.

1 De procedure

1.1.

[Verzoekster] heeft op 25 januari 2021 ter griffie van deze rechtbank een startverklaring als bedoeld in art. 370 lid 3 Fw gedeponeerd.

1.2.

Bij verzoekschrift van 5 februari 2021 verzoekt [verzoekster] aanwijzing van een herstructureringsdeskundige, zoals bedoeld in artikel 371 Fw en draagt daartoe voor:

- primair: [A] van [B], en

- subsidiair: [C] van [D]

1.3.

Het verzoek is op 19 februari 2021 – per videoverbinding – in raadkamer behandeld in aanwezigheid van [verzoekster] en haar advocaat.

1.4.

De rechtbank heeft [verzoekster] tot woensdag 24 februari 2021 (12:00 uur) de gelegenheid gegeven nadere stukken in te dienen. [Verzoekster] heeft hier gebruik van gemaakt. Op 24 februari 2021 heeft de rechtbank nadere stukken ontvangen.

2 De feiten

2.1.

[Verzoekster] woont in [woonplaats] en oefent daar [bedrijfsactiviteit] uit. De onderneming is in een aantal jaren opgebouwd tot een organisatie met gemiddeld 10 werknemers. Vanaf de start van de coronapandemie is de omzet van de onderneming van [verzoekster] teruggelopen. [Verzoekster] had minder inkomsten bij een gelijkblijvende kostenstructuur. [Verzoekster] heeft hierdoor noodgedwongen afscheid moeten nemen van zeven werknemers. Zij heeft nu nog drie werknemers in dienst.

2.2.

[Verzoekster] heeft een schuldenlast van € 89.692,-. Onderdeel hiervan is een schuld ten bedrage van € 46.643,- aan de belastingdienst. Een gedeelte van de schuldenlast van ongeveer € 12.000,- heeft geen betrekking op de onderneming. Dit zijn privé schulden van [verzoekster] waaronder een huurschuld en verkeersboetes.

2.3.

[Verzoekster] heeft ter zitting verklaard dat de administratie van haar onderneming niet op orde is. Definitieve jaarcijfers over de jaren 2019 en 2020 zijn niet beschikbaar. [Verzoekster] heeft na de zitting een liquiditeitsbegroting in het geding gebracht en inzicht gegeven in de transacties op haar bankrekening gedurende 2020. Uit de liquiditeitsbegroting blijkt van een positieve cashflow voor de komende maanden. In maart 2021 is er cash ongeveer € 6.000,- beschikbaar. De privéuitgaven van [verzoekster] en de kosten van de herstructurering zijn niet zichtbaar in de begrotingen opgenomen. De privéuitgaven van [verzoekster] over 2020 bedroegen ongeveer € 70.000,-. De voorgestelde herstructureringsdeskundigen hebben hun kosten geraamd op ongeveer € 6.000,-.

2.4.

[Verzoekster] heeft na de zitting een overzicht met resultatenrekeningen over de periode 2016 tot en met 2020 overgelegd. Zij heeft daarbij een begroting over 2021 overgelegd. Hieruit volgt dat [verzoekster] in 2020 een resultaat heeft geboekt van ongeveer € 21.000,- bij een omzet van € 167.000,-. Voor 2021 is een resultaat van € 1.000,- verwacht bij een begrote omzet van € 80.000,-.

2.5.

In de startverklaring van 25 januari 2021 heeft verzoekster toegezegd dat binnen twee maanden een akkoord zal worden aangeboden.

3 Het standpunt van verzoeker

3.1.

[Verzoekster] stelt dat zij verkeert in de toestand waarin redelijkerwijs aannemelijk is dat zij niet zal kunnen voortgaan met het betalen van haar schulden. Het toekomstperspectief is dusdanig dat “na een goede reorganisatie” de onderneming levensvatbaar is.

3.2.

Eveneens stelt [verzoekster] dat een voorstel voor de schuldeisers tot een beter resultaat kan leiden dan wanneer haar faillissement worden uitgesproken. Volgens [verzoekster] is één van haar opdrachtgevers mogelijk bereid een akkoord te financieren. Dit door middel van een lening waarvan de omvang nog niet bekend is.

4 De beoordeling

5 De beslissing