Rechtbank Den Haag, 24-03-2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:2797, C/09/585860 / HA ZA 20-8
Rechtbank Den Haag, 24-03-2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:2797, C/09/585860 / HA ZA 20-8
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 24 maart 2021
- Datum publicatie
- 25 maart 2021
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2021:2797
- Zaaknummer
- C/09/585860 / HA ZA 20-8
Inhoudsindicatie
overheidsaansprakelijkheid: tussenvonnis over schade mbt vaststelling melkveefosfaatreferentie.
Uitspraak
vonnis
Team handel
zaaknummer / rolnummer: C/09/585860 / HA ZA 20-8
Vonnis van 24 maart 2021
in de zaak van
[eiser]
te [woonplaats],
eiser,
advocaat: mr. J.M.M. Menu te Tilburg,
tegen
DE STAAT DER NEDERLANDEN
te Den Haag,
gedaagde,
advocaat: mr. M.R. Botman.
Partijen zullen hierna [eiser] en de Staat worden genoemd.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
-
de dagvaarding van 17 december 2019, met producties 1 tot en met 8;
- -
-
de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 9;
- -
-
de beschikking van 19 augustus 2020 waarbij een mondelinge behandeling is
bevolen;
- het proces-verbaal van de op 14 januari 2021 gehouden mondelinge behandeling.
Het proces-verbaal van de mondelinge behandeling is buiten aanwezigheid van partijen opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om opmerkingen te maken over het proces-verbaal voor zover het feitelijke onjuistheden betreft. Beide partijen hebben van deze gelegenheid gebruik gemaakt. De brief van de Staat van
5 februari 2021 en de brief van [eiser] van 8 februari 2021 zijn aan het proces-verbaal gehecht. Het proces-verbaal wordt met inachtneming van de opmerkingen van partijen gelezen.
Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.
2 De feiten
[eiser] exploiteert een melkveehouderij die is gericht op het fokken en houden van melkveerunderen. Op 13 maart 2013 is [eiser] een onomkeerbare verplichting aangegaan ten opzichte van zijn aannemer en financier voor de realisatie van een nieuwe ligboxenstal voor 150 melkkoeien. Zijn toenmalige stal bood plaats aan circa 50 melkkoeien. De bouw is gestart op 30 april 2013 en begin 2014 voltooid, waarna [eiser] de nieuwe ligboxenstal in gebruik heeft genomen.
In zijn brief van 12 december 2013 aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal heeft de staatssecretaris van Economische Zaken (hierna: de staatssecretaris) het stelsel van ‘Verantwoorde groei melkveehouderij’ aangekondigd.1 Dit stelstel behelst een wijziging van de Meststoffenwet (hierna: Msw) en houdt in dat voor elk bedrijf met melkvee dat in 2013 bestond een melkveefosfaatreferentie zou worden vastgesteld. De melkveefosfaatreferentie is de hoeveelheid fosfaat die op een bedrijf word geproduceerd, maar niet hoeft te worden verwerkt en die niet binnen het bedrijf op eigen grond hoeft te worden geplaatst. De melkveefosfaat-referentie wordt bepaald door de forfaitaire fosfaatproductie door melkvee in het kalenderjaar 2013 op een bedrijf af te zetten tegen de fosfaatruimte die in 2013 op het bedrijf beschikbaar was. Ondernemers die willen groeien kunnen kiezen uit twee strategieën: grondgebondenheid door verwerving van extra grond of niet-grondgebonden door extra (externe) mestverwerking.
Bij brief van 17 december 2014 heeft de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna: RVO) [eiser] een vooraankondiging melkveefosfaatreferentie gestuurd en hem daarmee op de hoogte gesteld van het voornemen om in het kader van de Wet verantwoordelijke groei melkveehouderij (hierna: Wvgm) begin 2015 voor iedere melkveehouderij een melkveefosfaatreferentie vast te stellen. In verband daarmee heeft RVO [eiser] verzocht vóór 1 februari 2015 wijzigingen door te geven met betrekking tot de bij RVO bekende referentiegegevens van het gemiddeld aantal gehouden melkvee (melk- en kalfkoeien en jongvee) en de oppervlakte die bij het bedrijf in gebruik was in 2013. [eiser] heeft op deze brief niet gereageerd en geen wijzigingen doorgegeven.
Op 1 januari 2015 is de Wvgm in werking getreden.
Bij besluit van 5 maart 2015 heeft de staatssecretaris de melkveefosfaatreferentie van [eiser] vastgesteld op 895 kilogram fosfaat (hierna: het primaire besluit).
Op 23 maart 2015 heeft [eiser] bezwaar ingediend tegen het primaire besluit. Hij heeft onder meer aangevoerd dat bij het vaststellen van de melkveefosfaatreferentie geen rekening is gehouden met zijn nieuwe ligboxenstal voor extra koeien.
Bij besluit van 14 april 2015 heeft de staatssecretaris het bezwaar van [eiser] ongegrond verklaard (hierna: de beslissing op bezwaar). [eiser] heeft vervolgens beroep tegen de beslissing op bezwaar ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: CBb). Dit beroep is tezamen met 24 andere beroepen in soortgelijke zaken behandeld door het CBb.
Op 15 juni 2016 heeft het CBb uitspraak gedaan in het beroep van [eiser] en 24 andere melkveehouders (ECLI:NL:CBB:2016:149, hierna: de uitspraak van het CBb). Het CBb heeft geoordeeld dat het stelsel van de Wvgm een inbreuk vormt op het recht van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EP) op ongestoord genot van eigendom van de melkveehouderijen, maar dat sprake is van een redelijke mate van evenredigheid tussen de te dienen doelstellingen van de Wvgm en de maatregelen die door deze wet zijn ingevoerd. De ingevoerde maatregelen zijn daarom in hun algemeenheid proportioneel. Het gemotiveerde beroep op artikel 1 EP brengt echter wel mee dat de staatssecretaris is gehouden tot een belangenafweging waarbij de bijzondere individuele omstandigheden worden betrokken. Door niet in te gaan op de door [eiser] aangevoerde individuele omstandigheden heeft de staatssecretaris de beslissing op bezwaar niet voldoende zorgvuldig voorbereid en gemotiveerd. Om die reden heeft het CBb het beroep van [eiser] gegrond verklaard, de beslissing op bezwaar vernietigd en de staatssecretaris opgedragen om binnen 12 weken na verzending van de uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Daarbij moet de staatssecretaris onderzoeken of de vastgestelde melkveefosfaatreferentie op grond van bijzondere, niet voor alle melkveehouders geldende feiten en omstandigheden voor [eiser] een individuele, buitensporige last als bedoeld in artikel 1 EP oplevert en in hoeverre de regelgeving buiten toepassing moet worden gelaten zolang niet is voorzien in (een) passende maatregel(en) ter compensatie van die last. Het CBb benadrukt dat aan hoge eisen moet worden voldaan voordat van een individuele en buitensporige last sprake is. Indien hier echter sprake van is, dan wijst het CBb expliciet op de mogelijkheid van artikel 38, tweede lid, Msw om ontheffing te verlenen van bij of krachtens de Msw gestelde voorschriften. Het CBb is met betrekking tot de beroepen van 21 andere melkveehouders tot een vergelijkbaar oordeel gekomen; drie andere beroepen zijn ongegrond verklaard.
In zijn brief van 2 juli 2015 aan de Tweede Kamer heeft de staatssecretaris de introductie van het fosfaatrechtenstelsel (en daarmee een nieuwe wijziging van de Msw) aangekondigd.2 De kern van dit stelsel wordt gevormd door het verbod voor een landbouwer om op zijn melkveebedrijf in een kalenderjaar meer meststoffen, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, met melkvee te produceren dan op grond van het op het bedrijf rustende fosfaatrecht is toegelaten. De peildatum voor het vaststellen van het aantal fosfaatrechten is 2 juli 2015. Dit betekent dat het aantal dieren dat een melkveehouder op 2 juli 2015 in de stal heeft, bepalend is voor de hoeveelheid toe te kennen fosfaatrechten.
Bij brieven van 15 juli 2016 en 14 december 2016 heeft RVO in het kader van de te nemen nieuwe beslissing op bezwaar namens de staatssecretaris [eiser] om aanvullende informatie verzocht. Op 19 september 2016 en 8 februari 2017 heeft [eiser] per brief aanvullende informatie verstrekt aan RVO. Op 30 mei 2017 heeft een telefoongesprek plaatsgevonden tussen RVO en [eiser], waarin een laatste stuk is opgevraagd. Dit stuk heeft RVO op 6 juni 2017 van [eiser] ontvangen.
Op 9 juni 2017 heeft de staatssecretaris een nieuw besluit op bezwaar genomen (hierna: het nieuwe besluit op bezwaar). De staatssecretaris heeft overwogen dat de melkveefosfaatreferentie is vastgesteld zonder rekening te houden met de hogere dierenaantallen die [eiser] na de gerealiseerde bedrijfsuitbreiding, waarvoor hij vóór 12 december 2013 onomkeerbare (financiële) verplichtingen was aangegaan, kan houden. Nu de lager vastgestelde melkveefosfaatreferentie dermate zwaar drukt op de bedrijfsvoering van [eiser] is de staatssecretaris van mening dat zijn individuele belang prevaleert boven het algemeen belang dat is gediend met de Wvgm. De staatssecretaris heeft het bezwaar van [eiser] daarom alsnog gegrond verklaard, het primaire besluit herroepen en aan [eiser] met terugwerkende kracht een ontheffing van 4.567 kilogram fosfaat verleend naast de reeds vastgestelde melkveefosfaatreferentie van 895 kilogram fosfaat.
Op 1 januari 2018 is het fosfaatrechtenstelsel ingevoerd.
Bij besluit van 10 januari 2018 heeft de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: de minister) het aantal fosfaatrechten van [eiser] vastgesteld op 2.795 kilogram (hierna: het fosfaatrechtenbesluit). Daarbij is uitgegaan van het aantal koeien dat op 2 juli 2015 in het registratiesysteem van RVO op naam van [eiser] stond (minus een generieke korting van 8,3 procent):
60 melkkoeien en 40 jongveekoeien.
Op 19 februari 2018 heeft [eiser] bezwaar gemaakt tegen het fosfaatrechtenbesluit op de grond dat zich bijzondere omstandigheden voordoen die maken dat sprake is van een individuele en buitensporige last in de zin van artikel 1 EP. Als bijzondere omstandigheid heeft [eiser] genoemd dat hij vóór de peildatum van
2 juli 2015 investeringen is aangegaan in verband met de uitbreiding van zijn bedrijf, maar dat hij vanwege de te lage vaststelling van de melkveefosfaat-referentie daartoe niet is overgegaan en daarom op 2 juli 2015 nog niet de door hem beoogde veestapel op zijn bedrijf had. Indien niet meer fosfaatrechten zullen worden toegekend, dan is hij niet in staat de investering terug te verdienen.
Op 4 april 2019 heeft de minister het bezwaar van [eiser] afgewezen. Volgens de minister was geen sprake van een individuele en buitensporige last en was er daarom geen reden om aan [eiser] op grond van artikel 38, tweede lid, Msw een ontheffing te verlenen. [eiser] heeft geen beroep ingesteld tegen deze beslissing op bezwaar.
Bij brief van 27 september 2019 heeft [eiser] RVO aansprakelijk gesteld voor de schade die hij heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van het feit dat RVO op
5 maart 2015 een melkveefosfaatreferentie van slechts 895 kilogram heeft toegekend en pas op 19 juni 2017 een aanvullende ontheffing van 4.567 kilogram heeft verleend.
3 Het geschil
[eiser] vordert dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
1. voor recht zal verklaren dat de Staat onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld door hem, [eiser], aanvankelijk slechts een melkveefosfaat-referentie van 895 kilogram fosfaat toe te kennen terwijl deze referentie 4.567 kilogram fosfaat extra had moeten bedragen;
2. de Staat zal veroordelen tot vergoeding van de schade die [eiser] tot
31 december 2018 heeft geleden bedragende € 627.985, te vermeerderen met
de wettelijke rente vanaf datum dagvaarding;
3. de Staat zal veroordelen tot vergoeding van de schade die [eiser] vanaf
1 januari 2019 heeft geleden en nog zal lijden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
4. de Staat zal veroordelen in de (na)kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na eindvonnis.
Aan zijn vordering legt [eiser] het volgende ten grondslag. Het CBb heeft de beslissing op bezwaar vernietigd, waarna de staatssecretaris met de nieuwe beslissing op bezwaar zijn primaire besluit heeft herroepen. Daarmee staat de onrechtmatigheid van zowel het primaire besluit als de beslissing op bezwaar vast en is de schuld van de Staat in beginsel gegeven. Dit geldt te meer nu de staatssecretaris zijn nieuwe beslissing op bezwaar niet binnen de door het CBb gestelde beslistermijn heeft genomen. De Staat is op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk voor de schade die [eiser] als gevolg hiervan heeft geleden en nog zal lijden. [eiser] heeft als gevolg van de aanvankelijk te laag vastgestelde melkveefosfaatreferentie minder koeien kunnen houden dan door hem beoogd.
Dit heeft er in geresulteerd dat [eiser] melkproductieverlies heeft geleden – over de jaren 2014 tot en met 2018 begroot op € 418.635 – en dat aan hem per 1 januari 2018 minder fosfaatrechten zijn toegekend in verband met de peildatum 2 juli 2015. Voor de aankoop van de gemiste fosfaatrechten (voor 40 melkkoeien en 29 jongveekoeien) heeft [eiser] een bedrag van € 385.000 nodig. Rekening houdend met uitgespaarde kosten voor mestafzet en werk door derden – begroot op
€ 175.650 – bedraagt de schade van [eiser] in de periode van 2014 tot en met 2018 in totaal € 627.985. Dit bedrag wordt onderbouwd door een schadeberekening van agrarisch adviseur [adviseur].
De Staat voert verweer.
Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.