Rechtbank Den Haag, 09-07-2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:7143, C/09/613909 / FT RK 21/543 HO
Rechtbank Den Haag, 09-07-2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:7143, C/09/613909 / FT RK 21/543 HO
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 9 juli 2021
- Datum publicatie
- 9 juli 2021
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2021:7143
- Zaaknummer
- C/09/613909 / FT RK 21/543 HO
Inhoudsindicatie
Uitspraak
beschikking
RECHTBANK DEN HAAG
Team Insolventies – meervoudige kamer
Beschikking op grond van artikel 376 Fw
rekestnummer : C/09/613909 / FT RK 21/543 HO
uitspraakdatum : 9 juli 2021
beschikking op het ingekomen verzoekschrift van 23 juni 2021 met bijlagen in de zaak van:
de besloten vennootschap
[verzoekster],
gevestigd te Katwijk,
verzoekster,
advocaat: mr. drs. M.M. Hoving te Leiden.
1 De procedure
Verzoekster heeft op 8 maart 2021 ter griffie van deze rechtbank een startverklaring als bedoeld in artikel 370 lid 3 van de Faillissementswet (hierna: Fw) gedeponeerd.
Op 23 juni 2021 heeft verzoekster een verzoekschrift met bijlagen ingediend strekkende tot het afkondigen van een afkoelingsperiode ex artikel 376 Fw en het
treffen van een aanvullende voorziening op grond van artikel 378 en/of artikel 379 Fw.
Daarop heeft de rechtbank een mondelinge behandeling bepaald op 2 juli 2021.
De rechtbank heeft verzoekster op 29 juni 2021 in kennis gesteld dat zij zorg dient te dragen dat Coöperatieve Rabobank U.A. (hierna: Rabobank) als belanghebbende wordt opgeroepen voor voormelde zitting.
Voorafgaand aan de zitting op 2 juli 2021 hebben verzoekster en Rabobank ieder een schriftelijke toelichting overgelegd.
De verzoeken zijn op 2 juli 2021 door middel van een videoverbinding behandeld. Daarbij zijn verschenen en gehoord:
- [A], indirect bestuurder en aandeelhouder van verzoekster;
- [B], indirect aandeelhouder van verzoekster;
- [C], financieel directeur van verzoekster;
- mr. drs. M.M. Hoving, advocaat voornoemd;
- mr. H.J. Bakker, kantoorgenoot van mr. Hoving;
- [D], namens Rabobank;
- [E], namens Rabobank;
- [F], namens Rabobank;
- mr. J.R. van Faassen, advocaat van Rabobank.
De rechtbank heeft op de zitting de uitspraak bepaald op vandaag.
2 De feiten
Verzoekster is een onderneming die zich richt op [omschrijving werkzaamheden]. [Aandeelhouder 1] en [Aandeelhouder 2] bezitten ieder 50% van de aandelen in verzoekster.
Verzoekster realiseerde een overwegend deel van haar omzet met [omschrijving werkzaamheden]. Toen de coronapandemie uitbrak, is vanaf maart 2020 haar omzet vrijwel geheel weggevallen. Verzoekster heeft van Rabobank, haar huisbank, een BMKB-krediet gekregen en heeft aanspraak gemaakt op diverse steunmaatregelen van de Nederlandse overheid. Daarmee is een belastingschuld ontstaan van € 262.000,-- en via een overeenkomst van geldlening een nieuwe financieringsschuld aan Rabobank van € 375.000,--, onder het vestigen van aanvullende zekerheden, te weten een borgtocht voor een bedrag van € 37.500,-- door [Aandeelhouder 1] en een Staatsgarantie op grond waarvan de Staat zich borg stelt voor de terugbetaling van een deel van de geldlening (€ 281.250,--) op basis van de BMKB-regeling. De leasemaatschappijen die de financiering voor [x] hebben verstrekt, dan wel deze [x] op basis van operational lease ter beschikking stellen, hebben tot op heden ingestemd met uitstel van betaling. Ook de Belastingdienst en Rabobank hebben uitstel van betaling verleend.
Drie van de vier betrokken leasemaatschappijen hebben ingestemd met het voorstel van verzoekster om lopende contracten in stand te laten, maar met een verlenging van de looptijd, waarbij aflossingen en/of leasetermijnen zullen worden hervat al naar gelang de door verzoekster te realiseren omzetten. Rabo Lease B.V., onderdeel van Rabobank, heeft tot op heden niet aan de voorgestelde regeling haar medewerking willen verlenen. Toen Rabobank op 11 juni 2021 op de hoogte werd gebracht van het deponeren van de startverklaring bij de rechtbank, heeft zij haar positie in kaart gebracht en maatregelen genomen. Rabobank heeft aanspraak gemaakt op een bedrag van € 79.399,42, zijnde het creditsaldo van de bankrekening van verzoekster op de datum van de startverklaring. Met ingang van 15 juni 2021 heeft Rabobank voormelde bankrekening geblokkeerd voor uitgaande betalingen voor zolang het saldo lager is dan € 79.399,42. Op het moment van opeising bedroeg het creditsaldo € 52.915,93. Op 24 juni 2021 heeft Rabobank het op dat moment aanwezige creditsaldo van € 67.530,98 overgeboekt naar een tussenrekening op naam van Rabobank en voor het overige (tot een bedrag van € 79.339,42) een reservering op de bankrekening van verzoekster aangebracht.
3 Het verzoek en de standpunten van verzoekster en belanghebbende
Verzoekster verzoekt:
- een algemene afkoelingsperiode af te kondigen voor de duur van twee maanden,
- te bepalen dat, anders dan de zekerheden die Rabobank op grond van haar pandrechten op debiteuren en roerende zaken verkrijgt, geen vervangende dan wel aanvullende zekerheid ten behoeve van Rabobank behoeft te worden gesteld gedurende de afkoelingsperiode in het kader van artikel 376 lid 7 Fw of anderszins, althans dat deze zekerheid uit niets meer zal bestaan dan blokkering van een bedrag van maximaal € 10.000,- op de creditstand van verzoekster bij de bank, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag.
Daaraan legt verzoekster het volgende ten grondslag. Verzoekster verkeert in een toestand waarin zij voorziet dat zij met het betalen van haar schulden niet zal kunnen voortgaan. Als gevolg van de coronapandemie is haar omzet vrijwel volledig weggevallen. Het verkregen BMKB-krediet en het verleende uitstel van betaling door de leasemaatschappijen, Belastingdienst en Rabobank hebben ervoor gezorgd dat een faillissement vooralsnog is afgewend. Het is volgens haar evident dat een sanering van haar schulden dient plaats te vinden om een toekomstig faillissement te voorkomen.
Er bestaat zeer veel onzekerheid over de in de toekomst te realiseren omzetten, omdat onduidelijk is wanneer [de inkomstenbron] weer op gang komt. Verzoekster is doende om haar aandeelhouders en een deel van haar schuldeisers een buitengerechtelijk akkoord aan te bieden.
De afkoelingsperiode is volgens verzoekster noodzakelijk wegens de opstelling van Rabobank. Rabobank heeft het krediet nog niet opgezegd, maar is ook niet bereid de lopende kredietovereenkomst tussen haar en Rabobank gestand te doen en gaat feitelijk over tot uitwinning van haar zekerheden. Hierdoor kan verzoekster haar activiteiten niet voortzetten. Zij moet uitgaven doen voor bijvoorbeeld [kostenpost], hetgeen door de opstelling van Rabobank onmogelijk wordt gemaakt.
Verzoekster meent dat met een afkoelingsperiode en het tot stand brengen van een akkoord de belangen van de gezamenlijke schuldeisers zijn gediend, omdat zij met een akkoord beter af zijn dan in geval van faillissement. De aandeelhouders van verzoekster zijn bereid in het kader van het akkoord hun bestaande vorderingen om te zetten in eigen vermogen (agio) en middelen in te zetten ter afkoop van de schulden aan de Belastingdienst en Rabobank. Bij een faillissement zullen alle schuldeisers in een slechtere positie komen te verkeren, aldus verzoekster.
Volgens verzoekster wordt Rabobank, als pandhouder op roerende zaken en (toekomstige) debiteuren van verzoekster, met een af te kondigen afkoelingsperiode niet wezenlijk in haar belangen geschaad. Het pandrecht is verstrekt in het kader van een rekening-courantkrediet, dat al begin 2021 door de bank is ingeperkt en waarvan dus al geruime tijd geen werkelijk gebruik kan worden gemaakt. De roerende zaken in eigendom van verzoekster betreffen uitsluitend inventarisgoederen en die vallen onder het bodemvoorrecht van artikel 21 Invorderingswet 1990. Gelet op de hoogte van de belastingschuld gaat de opbrengst ervan naar de Belastingdienst. De debiteurenstand bedraagt nominaal € 54.785,54 en daarvan is een groot gedeelte niet incasseerbaar. Verzoekster schat de opbrengst van de debiteuren op maximaal € 10.000,--.
De borgstellingen door de Staat en [Aandeelhouder 1] in het kader van het BMKB-krediet worden door het verzoek niet geraakt en blijven dus in stand.
Ten slotte ziet verzoekster in het voorgaande en gegeven het bepaalde in artikel 376 lid 7 Fw aanleiding voor een aanvullende voorziening voor de afkoelingsperiode op grond van artikel 378 en/of 379 Fw, zodat zij geen vervangende dan wel aanvullende zekerheid ten behoeve van Rabobank behoeft te stellen, anders dan de zekerheden die de bank reeds op grond van haar pandrechten op debiteuren en roerende zaken krijgt.
Rabobank stelt zich kort gezegd op het standpunt dat het in zijn algemeenheid niet in het belang is van de schuldeisers van verzoekster om een afkoelingsperiode af te kondigen, zodat het verzoek dient te worden afgewezen. Voor zover de rechtbank van oordeel is dat een afkoelingsperiode moet worden uitgesproken, dient de verzochte aanvullende voorziening te worden afgewezen, omdat het verzoek in strijd is met het uitdrukkelijke voorschrift van bepaalde in artikel 376 lid 7 Fw en daarnaast bij toewijzing van dit verzoek haar positie als zekerheidsgerechtigde verslechtert, dat ook in strijd is met het doel en de strekking van de afkoelingsperiode, en erop neerkomt dat zij bij een uiteindelijk akkoord in een slechtere positie komt te verkeren dan wanneer sprake is van een faillissement, aldus Rabobank.
Op stellingen van verzoekster en Rabobank wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.