Rechtbank Den Haag, 13-08-2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:9925, C/09/608204 / HA RK 21-96
Rechtbank Den Haag, 13-08-2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:9925, C/09/608204 / HA RK 21-96
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 13 augustus 2021
- Datum publicatie
- 10 september 2021
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2021:9925
- Zaaknummer
- C/09/608204 / HA RK 21-96
Inhoudsindicatie
Verzoek tot ongedaanmaking registratie in incidentenregister en EVR. Staat in voldoende mate vast dat verzoeker tegenover de verzekeraar opzettelijk onjuist heeft verklaard over de omvang van de schade?
Verzoeken tot vergoeding van immateriële schade en overgaan tot uitkering zijn niet-ontvankelijk. Dit zijn vorderingen, en de procedure van art. 35 UAVG is beperkt tot het toe- of afwijzen van verzoeken o.g.v. art. 15 t/m 22 AVG.
Uitspraak
beschikking
Team handel
zaaknummer / rekestnummer: C-09-608204 - HA RK 21-96
Beschikking van 13 augustus 2021 (bij vervroeging)
in de zaak van
[verzoeker] , te [plaats] ,
verzoeker,
advocaat mr. D. Bak te Den Haag
tegen
NATIONALE-NEDERLANDEN SCHADEVERZEKERING MAATSCHAPPIJ N.V. h.o.d.n. Reaal Schadeverzekeringen, te Den Haag,
verweerster,
advocaat mr. H.Th. Vos te Den Haag.
Partijen worden hierna ‘ [verzoeker] ’ en ‘Reaal’ genoemd.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
-
het verzoekschrift van 26 februari 2021, met producties 1 tot en met 17,
- -
-
het verweerschrift, met producties A tot en met H,
- -
-
de mondelinge behandeling van 17 juni 2021,
- -
-
de brief van mr. Bak van 6 juli 2021, met een aanvullende productie (brief van de politie Noord-Holland, Kennemerland van 19 augustus 2018),
- -
-
de e-mail namens mr. Vos van 9 juli 2021, met een reactie op bovengenoemde brief.
Ten slotte is een datum voor het geven van een beschikking bepaald.
2 De feiten
[verzoeker] woonde in 2018 met zijn gezin in een woning aan de [adres] in [plaats] (hierna: de woning). [verzoeker] had voor de woning een woonhuis- en inboedelverzekering afgesloten bij (de rechtsvoorganger van) Reaal.
[verzoeker] is op 10 augustus 2018 met zijn gezin op vakantie gegaan. Een van de kinderen uit de buurt (de toen twaalfjarige [kind] , hierna te noemen: ‘ [kind] ’) bleek over een sleutel van het huis te beschikken. [kind] is tijdens de vakantie van [verzoeker] meermalen in de woning geweest, alleen of samen met andere kinderen. Daarbij zijn vernielingen aangericht. Op 19 augustus 2018 is de politie ter plaatse gekomen, nadat de buren na het horen van twee harde knallen (veroorzaakt doordat een deodorantbusje in een gestookt vuurtje in de achtertuin was gegooid) drie jongetjes uit de tuin van [verzoeker] zagen rennen. Een van de ter plaatse gekomen agenten is vervolgens in de tuin, de schuur en de woning geweest. In zijn proces-verbaal van bevindingen van 19 augustus 2018 heeft deze agent hierover het volgende verklaard:
“Ik (..) ben (..) de achtertuin van perceel 103 in gegaan en zag dat de deur van de schuur open stond. Ik zag dat de ruit van de schuur stuk was. Ik zag dat de schuifpui van de woning open stond. Ik ben vervolgens eerst de schuur ingelopen en zag dat er een elektrische boormachine op de grond lag. Ik zag dat de stekker van de boormachine in het stopcontact zat. Ik zag dat er meerdere gaatjes in de vloer van de schuur waren geboord. Ik zag ook een koelkast of vriezer in de schuur staan. Ik zag dat er meerdere gaatjes in de deur van de koelkast of vriezer waren geboord. Ik zag ook een bromfietshelm liggen waar een gaatje in geboord was. (...) Ik ben vervolgens via de openstaande schuifpui de woning ingegaan. Ik zag dat de computer was ingeschakeld en hoorde muziek uit de speakers van de computer komen. Ik ben vervolgens de woning doorgelopen en (..) zag dat er niemand anders in het huis aanwezig was. In het huis zag [ik dat] kastdeuren openstonden. Verder zag ik in de woning geen vernielingen.”
De politie is daarna naar het huis van [kind] gegaan. Daar heeft de politie een bos sleutels van de woning van [verzoeker] meegenomen. Ook heeft de politie een elektrische fiets meegenomen, die [kind] in de tuin van [verzoeker] had aangetroffen en meegenomen.
[verzoeker] is op 31 augustus 2018 teruggekomen van vakantie. Hij heeft thuis een op 19 augustus 2018 achtergelaten brief van de politie aangetroffen, waarin de politie melding maakt van de aanwezigheid van de kinderen in de woning en van de diefstal van de fiets en vondst van de sleutels. [verzoeker] heeft vervolgens op 6 september 2018 bij de politie aangifte gedaan van diefstal van goederen (waaronder een elektrische fiets, twee kinderfietsen en sieraden van zijn echtgenote) en van vernieling van diverse onderdelen en inboedelstukken van zijn woning. In het proces-verbaal verklaart [verzoeker] onder meer dat zijn computer is vernield en dat er, naast de gaten in de vloer van de schuur, de koelkast en de bromfietshelm, ook gaten zijn geboord in de televisie, de schouw bij de open haard, de vloer van de benedenverdieping, de eettafel en verschillende onderdelen van de keuken (keukenkastjes, muren en het aanrechtblad). Ook hebben de kinderen volgens [verzoeker] de oven vernield door de klep waarmee deze wordt geopend te verwijderen. Verder maakt [verzoeker] melding van breuken in beglazing, waaronder breuken in het glas in de deur naar de woonkamer.
Op 7 september 2018 heeft [verzoeker] een schriftelijke schademelding bij Reaal gedaan. In de schademelding heeft [verzoeker] voor een omschrijving van de gestolen goederen en vernielingen verwezen naar het door hem meegestuurde proces-verbaal van aangifte bij de politie.
In opdracht van Reaal is een schade-expert van Dekra Experts (hierna: Dekra) bij [verzoeker] langs geweest om nader onderzoek te doen naar de aard en de omvang van de schade. Tijdens de bezichtiging door de expert heeft [verzoeker] , naast alle eerdergenoemde schadeposten, ook melding gemaakt van schade aan een dakraam op de zolderetage. De schade-expert heeft op 3 oktober 2018 een rapport opgemaakt.
Naar aanleiding van de bevindingen van de schade-expert heeft Reaal aan Dekra opdracht gegeven om vervolgonderzoek te doen. Een onderzoeker van Dekra heeft in het kader van dit vervolgonderzoek op 12 december 2018 en 10 juli 2019 [verzoeker] geïnterviewd over de toedracht en omvang van de schade. Ook heeft de onderzoeker op 27 december 2018 gesproken met [kind] (in aanwezigheid van diens moeder).
Bij brief van 12 december 2019 heeft Reaal aan [verzoeker] bericht dat zij niet tot uitkering zal overgaan, omdat Reaal op basis van de bevindingen van Dekra vermoedt dat [verzoeker] een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven over de omvang van de schade. Ook heeft Reaal aangekondigd dat zij mogelijk zal overgaan tot het beëindigen van de verzekering en het opnemen van de gegevens van [verzoeker] bij Stichting Centraal Informatie Systeem (Stichting CIS). Reaal schrijft ter onderbouwing van haar vermoeden onder meer:
“Zoals (..) aangegeven heeft de politie geen vernielingen in de woning aangetroffen. Daarnaast bevreemdt het ons dat er in de hele woning nu schade is, behalve in de ouderslaapkamer.
Met betrekking tot de ovendeur (de isolerende deur) die verdwenen is, geven zowel de expert als de onderzoeker aan dat gezien de roestvorming die aanwezig is de deur al langere tijd weg is. Dit is niet het gevolg van de vernielingen die de kinderen zouden hebben aangebracht in de woning.
Ook voor wat betreft het zolderraam geeft de onderzoeker aan dat, gezien de mosvorming rondom de barsten, dit niet kan zijn veroorzaakt door de kinderen. Nog los van de hoogte waarop het raam aanwezig is.
Daarbij blijft het onduidelijk hoeveel fietsen er gestolen zijn. U geeft in het proces-verbaal één fiets op, dit wordt ook zo verklaard door de dader, maar u claimt uiteindelijk twee elektrische fietsen.
Er zijn zo nog diverse onduidelijkheden over schade aan de zitbank en het boren van de gaatjes in verschillende soorten materiaal (hout, steen, metaal). Hier zouden verschillende boortjes gebruikt moeten worden, immers, een houtboor kan niet gebruikt worden voor steen, tenminste de boor kan dan niet zo lang meegaan.
(...)”
Reaal heeft [verzoeker] in de gelegenheid gesteld om op de door Reaal vastgestelde feiten te reageren. Tussen december 2019 en november 2020 heeft [naam] (een kennis van [verzoeker] ) namens [verzoeker] met Reaal gecorrespondeerd over het door Reaal ingenomen standpunt.
Reaal heeft bij brief van 3 november 2020 aan [verzoeker] bericht dat zij niet tot uitkering zal overgaan en de verzekering beëindigt, omdat Reaal op basis van de in de brief van 12 december 2019 omschreven feiten concludeert dat [verzoeker] opzettelijk een onjuiste opgave heeft gedaan om zo een (hogere) uitkering van Reaal te krijgen. Ook deelt Reaal mee dat de persoonsgegevens van [verzoeker] zijn geregistreerd in het Incidentenregister en
het Extern Verwijzingsregister (EVR).
Bij brief van zijn advocaat van 17 november 2020 heeft [verzoeker] Reaal verzocht de registraties ongedaan te maken en de schadeclaim alsnog toe te wijzen. Reaal heeft bij brief van 22 januari 2021 geantwoord dat zij bij haar standpunt blijft en dat de registraties blijven gehandhaafd, met dien verstande dat de registratie in het EVR op basis van een proportionaliteitstoets vijf jaar zal duren.
3 Het geschil
[verzoeker] verzoekt de rechtbank – kort weergegeven – om, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking, Reaal te veroordelen om:
i. de persoonsgegevens van [verzoeker] uit het EVR en het Incidentenregister te verwijderen, op straffe van een dwangsom van € 1.000 per dag voor iedere dag dat niet aan deze veroordeling wordt voldaan;
aan [verzoeker] een bedrag van (minimaal) € 20.000 aan materiële schade te betalen conform de dekking van de inboedelverzekering;
aan [verzoeker] een bedrag van € 2.500 te betalen voor de immateriële schade die [verzoeker] heeft geleden door het onrechtmatig handelen van Reaal;
Reaal te veroordelen in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Reaal voert verweer tegen de verzoeken. Reaal concludeert onder meer dat [verzoeker] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de verzoeken onder ii. en iii., omdat daarvoor volgens Reaal geen ruimte is in een verzoekschriftprocedure tot verwijdering van persoonsgegevensregistraties op basis van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). Voor het geval de rechtbank van oordeel is dat daarvoor wel ruimte is, verzoekt Reaal de rechtbank in (voorwaardelijke) reconventie te veroordelen tot betaling van de door Reaal gemaakte onderzoekskosten ter hoogte van € 6.568,78, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 juni 2021.
De stellingen van partijen worden hierna, voor zover van belang, verder besproken.