Home

Rechtbank Den Haag, 26-10-2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:10910, C/09/601796 / HA ZA 20-1057

Rechtbank Den Haag, 26-10-2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:10910, C/09/601796 / HA ZA 20-1057

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26 oktober 2022
Datum publicatie
31 oktober 2022
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2022:10910
Zaaknummer
C/09/601796 / HA ZA 20-1057

Inhoudsindicatie

Overeenkomst tussen zorgaanbieder en samenwerkingsorgaan van aantal gemeenten. Aanbod en aanvaarding. Waarover hebben partijen overeenstemming bereikt? Aanbestedingsrecht niet van toepassing op inkoopprocedure volgens 'Open House' model.

Uitspraak

vonnis

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/595592 / HA ZA 20/651

Vonnis van 26 oktober 2022

in de zaak van

CENTRUM VOOR ONDERWIJS EN ZORG B.V. te Den Haag,

eiseres,

advocaat: jhr. mr. N.J.M. Beelaerts van Blokland te Den Haag,

tegen

SAMENWERKINGSORGAAN HOLLAND RIJNLAND te Leiden,

gedaagde,

advocaat: mr. M. Dijkstra te Den Haag.

Partijen zullen hierna ‘CVOZ’ en ‘Holland Rijnland’ worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:

-

de dagvaarding van 3 juni 2020, met producties 1 tot en met 8;

-

de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 26;

-

het vonnis van 25 mei 2022, waarbij een mondelinge behandeling is bevolen.

1.2.

Op 15 september 2022 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. De griffier heeft aantekening gehouden van hetgeen daar door partijen is gezegd.

1.3.

Ter zitting is vonnis bepaald op vandaag.

2 De feiten

2.1.

CVOZ is een aanbieder van jeugdhulp.

2.2.

Holland Rijnland is een samenwerkingsorgaan dat voor twaalf gemeenten in de provincie Zuid-Holland bepaalde taken en bevoegdheden uitoefent, waaronder het inkopen van jeugdhulp.

2.3.

Holland Rijnland heeft in 2016 een inkoopprocedure georganiseerd voor de inkoop van jeugdhulp. In die procedure zijn minimumeisen gesteld om in aanmerking te kunnen komen voor toetreding. Al de jeugdhulpverleners die daaraan voldeden, konden een ontwikkelovereenkomst sluiten met de samenwerkende gemeenten in Holland Rijnland. In die ontwikkelovereenkomst stonden onder meer uitgangspunten voor de samenwerking, bepalingen ten aanzien van het toelaten van aanbieders, het vormen en plaatsvinden van “overlegtafels”, de duur en beëindiging van de overeenkomst, een geschillenregeling en een wijzigingsbepaling. In de ontwikkelovereenkomst werd verwezen naar de resultaatovereenkomst. Die moest afzonderlijk worden gesloten indien de opdrachtgever en opdrachtnemer tot overeenstemming kwamen over de inhoud van de dienstverlening. Het was niet mogelijk een resultaatovereenkomst te sluiten zonder eerst een ontwikkelovereenkomst te sluiten, maar het sluiten van een ontwikkelovereenkomst gaf geen recht op het sluiten van een resultaatovereenkomst.

2.4.

Na afronding van de inkoopprocedure heeft Holland Rijnland met diverse jeugdhulpaanbieders ontwikkel- en resultaatovereenkomsten gesloten voor de duur van drie jaar ingaande op 1 januari 2017. Zowel de ontwikkelovereenkomst als de resultaatovereenkomst worden daarna telkens automatisch met een jaar verlengd, behoudens de in de overeenkomsten geregelde mogelijkheid voor partijen om tussentijds op te zeggen. In de contractuele structuur kiezen zorgvragers zelf – en niet Holland Rijnland – een zorgaanbieder. Holland Rijnland zorgt er voor dat de gecontracteerde zorgaanbieders op basis van de gesloten overeenkomsten voor geleverde zorg worden betaald.

2.5.

In zowel de gesloten ontwikkelovereenkomsten als de gesloten resultaatovereenkomsten is, voor zover hier relevant, opgenomen:

  1. een wijzigingsbepaling, op grond waarvan Holland Rijnland (na het doorlopen van een procedure, waarbij voorstellen eerst onder meer worden besproken op een overlegtafel (ook “ontwikkeltafel” genoemd)) eenzijdig wijzigingen in de overeenkomsten kan doorvoeren, waarna er een opzeggingsmogelijkheid is voor de zorgaanbieders.

  2. een geschillenregeling, inhoudende dat partijen – alvorens gebruik te maken van een gang naar de rechter – bij het ontstaan van geschillen bij de uitvoering van (een van) de overeenkomsten, eerst in onderling overleg zullen treden om de geschillen op te lossen, waartoe een alsdan te volgen procedure is beschreven. Deze houdt in dat iedere partij één persoon zal afvaardigen, deze personen gezamenlijk een onafhankelijk voorzitter benoemen en aan deze voorzitter wordt gevraagd om tot een oplossing te komen die de goedkeuring van alle partijen kan dragen. Wanneer na dit onderling overleg een oplossing van het geschil zich niet aandient, staat de gang naar de rechter open. Voorts is opgenomen dat partijen in uiterste gevallen gebruik kunnen maken van de mogelijkheid tot mediation.

  3. dat gedurende de looptijd van de overeenkomsten nieuwe opdrachtnemers zich bij Holland Rijnland kunnen aanmelden voor het sluiten van deze overeenkomsten. Holland Rijnland toetst dan of deze nieuwe opdrachtnemer voldoet aan de in de overeenkomsten gestelde eisen. Als deze voor toelating in aanmerking komt, dan sluit Holland met die nieuwe opdrachtnemer ook overeenkomsten. Holland Rijnland sluit tweemaal per jaar de resultaatovereenkomst af met nieuwe opdrachtnemers, te weten op 1 januari en op 1 juli.

2.6.

De gesloten resultaatovereenkomsten maken in artikel 38.1 melding van een bestedingsruimte als volgt:

“38.1. Opdrachtgever stelt voor Opdrachtnemer per kalenderjaar de bestedingsruimte vast:

- op nader vast te stellen bedrag als de omzet van Opdrachtnemer over het voorgaande kalenderjaar hoger was dan EUR 100.000,00.

- op EUR 100.000,00 als de omzet van Opdrachtnemer over het voorgaande kalenderjaar lager was dan EUR 100.000,00.”

2.7.

In de praktijk kregen nieuwe toetreders tot oktober 2019 geen bestedingsruimte, moesten zij vóór aanvang van de zorg contact opnemen met Holland Rijnland als zich een cliënt bij hen aanmeldde en werden er vervolgens afspraken gemaakt over de financiering binnen de kaders van de ondertekende ontwikkel- en resultaatovereenkomsten. Door nieuwe toetreders geleverde hulp zonder schriftelijk akkoord van Holland Rijnland werd niet vergoed.

2.8.

CVOZ heeft medio 2019 bij Holland Rijnland haar interesse kenbaar gemaakt om toegelaten te worden als nieuwe zorgaanbieder. Op 26 september 2019 heeft CVOZ een ontwikkelovereenkomst met Holland Rijnland gesloten.

2.9.

Holland Rijnland heeft op 1 oktober 2019 toegang gekregen tot de op Negometrix geplaatste documenten van de inkoopprocedure, waaronder de resultaatovereenkomst, waarin artikel 38.1 was opgenomen, zoals onder 2.6 geciteerd.

2.10.

Op de Ontwikkeltafel van 1 oktober 2019 zijn wijzigingen in de resultaatovereenkomst vastgesteld, waaronder een wijziging van de bestedingsruimte naar € 5.000,- voor nieuwe toetreders. CVOZ was hiervoor niet uitgenodigd, omdat zij ten tijde van het versturen van de uitnodigingen nog geen ontwikkelovereenkomst had gesloten.

2.11.

Op 7 november 2019 heeft CVOZ aan Holland Rijnland verzocht om een resultaatovereenkomst te sluiten, zodat zij per 1 januari 2020 de betreffende diensten zou kunnen aanbieden.

2.12.

Bij brief van 11 november 2019 heeft Holland Rijnland aan CVOZ (en tevens aan alle gecontracteerde zorgaanbieders) resultaatovereenkomsten toegestuurd en aangegeven dat de daarin doorgevoerde wijzigingen zijn vastgesteld op de ontwikkeltafel van 1 oktober 2019 om de inhoud van de resultaatovereenkomsten in lijn te brengen met de regionale ontwikkelingen van de voorgaande jaren.

2.13.

Op 18 november 2019 heeft er een kennismakingsgesprek plaatsgevonden tussen CVOZ en Holland Rijnland. Daar is besproken dat voor nieuwe toetreders vanaf 1 januari 2020 een bestedingsruimte zou gaan gelden van € 5.000,- per jaar. Dit is aan CVOZ bevestigd in een e-mailbericht van 22 november 2019. In de bijlage bij dat bericht staat onder meer vermeld dat artikel 38.1 wordt gewijzigd en komt te luiden:

”38.1 Opdrachtgever stelt voor Opdrachtnemer per kalenderjaar de bestedingsruimte vast op een nader vast te stellen bedrag. Het door opdrachtnemer maximaal te factureren bedrag voor het totaal aan werkzaamheden uitgevoerd gedurende het boekjaar is in bijlage 6 vastgesteld.”

2.14.

CVOZ heeft in een e-mailbericht van 25 november 2019 bezwaar gemaakt tegen de wijziging van de bestedingsruimte (door beide partijen ook aangeduid als “budgetplafond” en in het navolgende op beide manieren aangeduid) van € 5.000,-. Zij stelt, samengevat weergegeven, dat zij zich heeft ingeschreven ervan uitgaande dat er sprake was van een budgetplafond van € 100.000,-, dat ze niet wist dat er in dat kader zeer ingrijpende veranderingen op komst waren, dat ze het in het gesprek van 18 november 2019 genoemde budgetplafond van € 5.000,- ook nergens kan terugvinden, dat dit budgetplafond onrealistisch is, dat zij flink heeft geïnvesteerd in het aanbieden van jeugdhulp in de betreffende regio vanaf 1 januari 2020 en dat er dus sprake zou moeten zijn van een budgetplafond van € 100.000,-, omdat er niet, laat staan tijdig, bekend is gemaakt dat dit anders zou zijn. Zij verzoekt Holland Rijnland om aan geven of zij daarmee alsnog akkoord gaat.

2.15.

Holland Rijnland heeft CVOZ op 3 december 2019 diverse documenten toegestuurd betreffende de per 1 januari 2020 te sluiten resultaatovereenkomst. Daarbij heeft zij CVOZ verzocht om bijlage 2 ondertekend te retourneren.

2.16.

Op 4 december 2019 heeft CVOZ telefonisch contact gehad met de heer [naam] van Holland Rijnland over de toegestuurde documenten en haar bezwaar tegen het budgetplafond van € 5.000,-.

2.17.

Op 5 december 2019 heeft CVOZ bijlage 2 ondertekend geretourneerd, met daarbij de volgende opmerking

“wij gaan niet akkoord met een verlaging van het budgetplafond van 95%. Hiertegen is bezwaar aangetekend bij/via dhr. [naam] .”

2.18.

Op 17 december 2019 heeft Holland Rijnland aan CVOZ meegedeeld dat de bestedingsruimte van € 5.000,- voor 2020 blijft staan en toegelicht waarom dat zo is.

2.19.

CVOZ heeft begin 2020 schriftelijk geëist dat Holland Rijnland het budgetplafond zou ophogen tot € 100.000,-, maar Holland Rijnland heeft daar niet mee ingestemd.

2.20.

In 2020 heeft CVOZ een klein aantal behandelingen gefactureerd aan Holland Rijnland. Zij heeft daarbij het budgetplafond van € 5.000,- niet overschreden. Zij heeft zich daarna gericht op andere regio’s.

3 Het geschil

3.1.

CVOZ vordert, samengevat weergegeven, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. de resultaatovereenkomst voor wat betreft artikel 38.1 partieel te vernietigen, in die zin dat het budgetplafond van € 5.000,- niet van toepassing is;

  2. te verklaren voor recht dat:

  1. met artikel 38 van de resultaatovereenkomst per 1 januari 2020 een bestedingsruimte had moeten zijn vastgesteld ten behoeve van CVOZ op een nader vast te stellen bedrag als de omzet van CVOZ over het voorgaande kalenderjaar hoger was dan € 100.000,- en op € 100.000,- als de omzet van CVOZ over het voorgaande kalenderjaar lager was dan € 100.000,- en

  2. Holland Rijnland in haar weigering om gevolg te geven aan het voorgaande toerekenbaar tekort is geschoten jegens CVOZ, althans onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld;

3. Holland Rijnland te veroordelen tot vergoeding aan CVOZ van haar schade, nader op te maken bij staat;

4. Holland Rijnland te bevelen binnen twee dagen na het wijzen van dit vonnis de bestedingsruimte per kalenderjaar vast te stellen op de wijze als vermeld onder 2.a, op straffe van verbeurte van een dwangsom zoals in de dagvaarding nader omschreven;

5. Holland Rijnland te veroordelen tot betaling aan CVOZ van de buitengerechtelijke kosten van € 2.087,25, te vermeerderen met de rente van de datum van dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening;

met veroordeling van Holland Rijnland in de kosten van dit geding en de nakosten, zoals in de dagvaarding nader omschreven.

3.2.

CVOZ legt hieraan, samengevat weergegeven, het volgende ten grondslag. Toen CVOZ de ontwikkelovereenkomst tekende, ging zij ervan uit dat er een budgetplafond gold van € 100.000,-, zoals stond vermeld in de stukken op Negometrix waarnaar Holland Rijnland haar heeft verwezen. CVOZ is daarna tijdens een gesprek wel verteld dat het plafond werd verlaagd, maar dat is te laat. CVOZ heeft voorafgaand aan het tekenen van de resultaatovereenkomst ook niet bijlage 6 ontvangen, waarin dit bedrag stond vermeld en zij heeft bij de ondertekening van de resultaatovereenkomst expliciet aangegeven niet akkoord te gaan met de verlaging van het budgetplafond. Holland Rijnland heeft daarna uitvoering gegeven aan die overeenkomst. Holland Rijnland moet daarom worden geacht akkoord te zijn gegaan met de gewijzigde aanvaarding door CVOZ. Het budgetplafond van € 5.000,- is dan ook niet van toepassing op de tussen CVOZ en Holland Rijnland geldende resultaatovereenkomst en de precontractuele goede trouw brengt met zich dat het budget wordt gehanteerd dat werd gehanteerd bij aanvang van de procedure om tot de resultaatovereenkomst te komen, zijnde € 100.000,-. Het maken van onderscheid tussen een zittende aanbieder en een nieuw gecontracteerde aanbieder zou ook in strijd zijn met het beginsel van een gelijke behandeling van alle opdrachtnemers, zoals dat geldt in het aanbestedingsrecht. Een budgetplafond van € 5.000,- maakt het ook onmogelijk om een levensvatbare onderneming te drijven en Holland Rijnland maakt de markt aldus feitelijk ontoegankelijk voor nieuwe aanbieders. Dit is mededingingsrechtelijk onaanvaardbaar.

3.3.

Holland Rijnland concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van CVOZ in haar vordering, althans tot afwijzing van het gevorderde.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

5 De beslissing