Rechtbank Den Haag, 29-09-2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:11521, C/09/625551 / HA RK 22-81
Rechtbank Den Haag, 29-09-2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:11521, C/09/625551 / HA RK 22-81
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 29 september 2022
- Datum publicatie
- 9 november 2022
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2022:11521
- Zaaknummer
- C/09/625551 / HA RK 22-81
Inhoudsindicatie
AVG-zaak. Onder meer inzagerecht op in interne notities verwerkte persoonsgegevens.
Uitspraak
beschikking
Team handel
zaaknummer / rekestnummer: C/09/625551 / HA RK 22-81
Beschikking van 29 september 2022
in de zaak van
[verzoekster01] , te [plaats01] ,
verzoekster,
advocaat mr. E. Aerts te Tilburg,
tegen
stichting [de Stichting] , te [plaats01] ,
verweerster,
advocaat mr. E.W. Verhelst te Enschede.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
-
het verzoekschrift van 22 februari 2022, met producties;
- -
-
het verweerschrift;
- -
-
de brief van 23 augustus 2022 aan de zijde van [verzoekster01] , met drie nadere producties;
- -
-
de mondelinge behandeling op 25 augustus 2022.
Ten slotte is een datum bepaald voor het wijzen van de beschikking.
2 De feiten
[de Stichting] is een woningcorporatie en verhuurt woningen in de sociale sector.
[verzoekster01] huurt een appartement in één van de door [de Stichting] beheerde wooncomplexen.
Er is sprake van een gespannen relatie tussen [verzoekster01] en enkele van haar medebewoners, waarbij over- en weer klachten zijn gemeld bij [de Stichting] . [verzoekster01] verlangt dat zij door [de Stichting] als ‘urgente’ woningzoekende wordt aangemerkt, zodat zij met prioriteit een nieuwe sociale huurwoning kan vinden. Hierover heeft zij met medewerker(s) van [de Stichting] contact gehad, maar dat heeft vooralsnog niet tot een voor [verzoekster01] bevredigend resultaat geleid. [verzoekster01] heeft naar aanleiding van dat gesprek op enig moment een klacht ingediend bij de Geschillencommissie Woningcorporatie, omdat niet duidelijk zou zijn toegelicht waarom een urgentieaanvraag niet toewijsbaar zou zijn.
Bij brief van 13 september 2021 heeft [verzoekster01] aan [de Stichting] verzocht om inzage in de persoonsgegevens die [de Stichting] van haar heeft verwerkt.
Op 18 september 2021 heeft [verzoekster01] melding gedaan van overlast door haar medebewoners, via de website van [de Stichting] .
In reactie op het inzageverzoek van [verzoekster01] heeft [de Stichting] op 15 oktober 2021 aan [verzoekster01] enkele fysieke stukken overhandigd. Daaronder bevond zich een uitdraai van de persoonsgegevens die [de Stichting] in haar ‘ERP-systeem’ en in het ‘DMS-systeem’ heeft verwerkt. In deze uitdraai staan persoonsgegevens zoals naam, contactgegevens, huurbetalingsgedrag en dergelijken. Daarnaast is een overzicht verstrekt van contactmomenten tussen [de Stichting] en derden zoals aannemers, GGD, GGZ, een schuldhulpinstantie en de moeder van [verzoekster01] waarbij persoonsgegevens van [verzoekster01] zijn gedeeld.
Op 5 november 2021 schreef de (toenmalige) advocaat van [verzoekster01] aan [de Stichting] dat de stukken niet compleet zijn. Onder meer was volgens hem onvolledig de inzage van aan derden verstrekte persoonsgegevens, waaronder hulpinstanties zoals GGD of GGZ. Hiernaast ontbraken de overlastmeldingen van medebewoners over [verzoekster01].
De advocaat van [de Stichting] heeft in zijn brief van 18 november 2021 aan de advocaat van [verzoekster01] geantwoord dat overlastmeldingen over [verzoekster01] niet zijn aan te merken als persoonsgegevens. Wat betreft de contacten met hulpinstanties is toegelicht waarom die contacten hebben plaatsgevonden en wat daarvan de conclusies zijn. [de Stichting] concludeerde in haar brief dat zij heeft voldaan aan het verzoek van [verzoekster01] .
Op deze brief heeft de advocaat van [verzoekster01] op 10 december 2021, kort gezegd, geantwoord dat [verzoekster01] geen genoegen neemt met de tot dusver verleende (beperkte) inzage.
Hierop volgde op 14 januari 2021 een brief van de advocaat van [de Stichting] met onder meer in de bijlage een overzicht van haar standaardbewaartermijnen en twee e-mails (deels onleesbaar gemaakt) tussen [de Stichting] en GGD over [verzoekster01].
Vervolgens heeft [verzoekster01] op 22 februari 2022 het onderhavige verzoekschrift ingediend.
Op 22 februari 2022 heeft de Geschillencommissie Woningcorporatie de eerder door [verzoekster01] over [de Stichting] ingediende klacht als ongegrond beoordeeld.
In de periode nadat [verzoekster01] dit verzoekschrift heeft ingediend, heeft [de Stichting] een gerechtelijke procedure gestart tegen [verzoekster01] met als inzet het verkrijgen van toegang tot de huurwoning voor het verrichten van onderhoudswerkzaamheden. In dat verband heeft zij persoonsgegevens van [verzoekster01] gedeeld met een advocatenkantoor en een deurwaarderskantoor.
3 Het verzoek
[verzoekster01] verzoekt, uitvoerbaar bij voorraad, (samengevat weergegeven) de veroordeling van [de Stichting] tot het verschaffen van inzage in de persoonsgegevens die zij van [verzoekster01] heeft verwerkt door het verstrekken van kopieën, althans een door de rechtbank te bepalen wijze van inzage, van in ieder geval maar niet uitsluitend:
-
alle (digitale of schriftelijke) correspondentie van, met of tussen medewerkers van [de Stichting] over en/of met [verzoekster01] , waaronder interne verslagen, analyses, van medewerkers van [de Stichting] over [verzoekster01] en correspondentie met [verzoekster01] ;
-
alle (schriftelijke of digitale) correspondentie van medewerkers van [de Stichting] met derden over [verzoekster01], waaronder de GGZ, GGD en schuldhulpverlening;
-
alle verslagen, werkaantekeningen, (telefoon)notities over [verzoekster01];
-
alle meldingen, signalen en klachten door derden (natuurlijke personen en hulpverleningsinstanties) over [verzoekster01];
-
de metadata van alle stukken en informatie die [de Stichting] over [verzoekster01] heeft (zoals de herkomst, het moment van- en wijzen van verzending en vastlegging), ongeacht of [de Stichting] dit zelf opslaat, of dit bij een (sub)verwerker of bij een medeverwerkingsverantwoordelijke onderbrengt;
-
een overzicht van de informatie zoals bedoeld in artikel 15 lid 1 sub a t/m h AVG, en dus omschrijving van het verwerkingsdoel, de categorieën van de gegevens, de (categorieën van) ontvangers van de gegevens, de bewaartermijnen van de gegevens, de informatie over de herkomst van de gegevens en informatie over het bestaan van geautomatiseerde besluitvorming;
een en ander binnen vijf werkdagen na de te wijzen beschikking althans een in redelijkheid te bepalen termijn, zulks op straffe van een dwangsom en met veroordeling van [de Stichting] in de proceskosten.
[verzoekster01] legt aan haar verzoek het inzagerecht ten grondslag, zoals neergelegd in artikel 15 AVG. Zij heeft toegelicht dat zij door middel van de te verlenen inzage de rechtmatigheid en juistheid van de verwerking van persoonsgegevens door [de Stichting] wil controleren. De tot op heden verschafte inzage door [de Stichting] is volgens [verzoekster01] onvoldoende. Zij beoogt zij met de verlangde gegevensinzage mede haar verzoek om een urgentieverklaring te onderbouwen.
[de Stichting] vindt dat het verzoek moet worden afgewezen, omdat zij al voldoende inzage heeft verschaft. Voor zover [verzoekster01] meer of op andere wijze inzage verzoekt, biedt de AVG daarvoor volgens [de Stichting] geen grondslag.
Op de stellingen van partijen wordt hierna nader ingegaan, voor zover van belang.