Home

Rechtbank Den Haag, 28-12-2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:14287, C/09/619423 / HA ZA 21-924

Rechtbank Den Haag, 28-12-2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:14287, C/09/619423 / HA ZA 21-924

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28 december 2022
Datum publicatie
10 januari 2023
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2022:14287
Zaaknummer
C/09/619423 / HA ZA 21-924

Inhoudsindicatie

Bestuurdersaansprakelijkheid in failissement. Bestuurders laten verstek gaan. Peeters qq/Gatzen-vordering curator jegens medewerker boekhoudkantoor i.v.m. ongeoorloofde geldopnames. Werkgeversaansprakelijkheid boekhoudkantoor.

Uitspraak

vonnis

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/619423 / HA ZA 21-924

Vonnis van 28 december 2022

in de zaak van

[de curator] q.q. in haar hoedanigheid van curator in het faillissement van [de B.V.] , te [plaats 1] ,

eiseres,

advocaat mr. E.A.H. ten Berge te Naaldwijk,

tegen

1 [gedaagde sub 1] te [plaats 2] ,

gedaagde,

niet verschenen,

2. LOGICTRANS B.V. te Dordrecht,

gedaagde,

niet verschenen,

3. LOGICTRANS WEGVERVOER B.V. te Dordrecht,

gedaagde,

niet verschenen,

4. [gedaagde sub 4] te [plaats 3] ,

gedaagde,

advocaat mr. A.M. Schotte te Doorn,

5. BORATECH ADMINISTRATIES B.V. te Rijswijk,

gedaagde,

advocaat mr. G.M.S. Heutinck-Gomes te Den Haag.

Eiseres wordt hierna de curator genoemd. Gedaagden sub 1 t/m 3 worden ieder afzonderlijk [gedaagde sub 1] , LogicTrans, LogicTrans Wegvervoer en gezamenlijk [gedaagde sub 1 c.s.] genoemd. Gedaagden sub 4 en 5 worden ieder afzonderlijk [gedaagde sub 4] en Boratech genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

-

de dagvaarding van 11 oktober 2021, met producties 1 t/m 30;

-

het ter rolzitting van 20 oktober 2021 tegen [gedaagde sub 1] , LogicTrans en LogicTrans Wegvervoer verleende verstek;

-

de conclusie van antwoord van [gedaagde sub 4] , met één productie;

-

de conclusie van antwoord van Boratech, met producties 1 t/m 3;

-

de nadere producties 4 en 5 van Boratech;

-

het tussenvonnis van 20 juli 2022 waarbij een mondelinge behandeling is bevolen;

-

de mondelinge behandeling gehouden op 16 november 2022. De griffier heeft aantekening gehouden van het verhandelde en deze aantekeningen zijn in het griffiedossier gevoegd.

1.2.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[de B.V.] (hierna: [de B.V.] ) exploiteerde een onderneming op het gebied van transport en logistieke dienstverlening, alsmede verhuur van personeel en materiaal.

2.2.

[gedaagde sub 1] is sinds 29 juni 2017 enig aandeelhouder en bestuurder van [de B.V.] .

2.3.

Boratech is een boekhoudkantoor dat de financiële administratie voor [de B.V.] heeft verzorgd en nadien ook voor LogicTrans (Wegvervoer).

2.4.

[gedaagde sub 4] is als (salaris)administrateur werkzaam geweest bij Boratech.

2.5.

In augustus 2017 heeft een van de personeelsleden van [de B.V.] de Arbeidstijdenwet overtreden. Bij brief van 20 februari 2018 heeft de Minister van Infrastructuur bij [de B.V.] aangekondigd dat het voornemen bestond om tot oplegging van een boete van € 44.000,00 over te gaan en dat terzake een zienswijze kon worden ingediend.

2.6.

Op 6 april 2018 heeft de toenmalige advocaat van [de B.V.] haar bericht dat het indienen van een zienswijze, het instellen van bezwaar en eventueel daarna beroep tegen de voorgenomen boete weinig kansrijk is.

2.7.

Op 25 april 2018 zijn LogicTrans Wegvervoer en LogicTrans opgericht. LogicTrans Wegvervoer exploiteert een onderneming op het gebied van transport en logistieke dienstverlening. LogicTrans houdt zich bezig met de verhuur en lease van vrachtwagens, autobussen, caravans en aanhangwagens. LogicTrans is enig aandeelhouder en bestuurder van LogicTrans Wegvervoer. [gedaagde sub 1] is enig aandeelhouder en bestuurder van Logictrans.

2.8.

Op 26 juni 2018 is aan [de B.V.] een bestuurlijke boete van € 44.000,00 opgelegd in verband met de in 2.5 genoemde overtreding.

2.9.

Op 28 september 2018 is een overeenkomst tot koop en verkoop van aandelen opgesteld teneinde de aandelen in [de B.V.] over te dragen aan [A] , voor een bedrag van € 1.000,00. De voorgenomen aandelenverkoop is uiteindelijk niet doorgegaan.

2.10.

In de periode van 8 oktober 2018 tot en met 4 december 2018 heeft [gedaagde sub 4] met gebruikmaking van een bankpas op naam van [de B.V.] bij verschillende geldautomaten diverse contante geldbedragen opgenomen van de bankrekening van [de B.V.] , tot een totaalbedrag van € 33.990.

2.11.

[de B.V.] is, naar aanleiding van een verzoek daartoe van twee van haar schuldeisers, op 4 december 2018 in staat van faillissement verklaard, met aanstelling van [de curator] als curator. De curator heeft vervolgens onderzoek gedaan naar onder meer de contante geldopnames door [gedaagde sub 4] en pogingen van [gedaagde sub 1] om zich van [de B.V.] te ontdoen door middel van een aandelenoverdracht. In dat kader hebben gesprekken plaatsgevonden tussen enerzijds de curator en anderzijds [gedaagde sub 1] en diens adviseur [de adviseur] (hierna: [de adviseur] ).

2.12.

[de adviseur] heeft in een e-mail van 14 mei 2019 het volgende aan de curator bericht:

“(...) Inmiddels is de rol van de boekhoudster ook wel verder verhelderend geworden. Het is juist dat zowel zij, als nog een ander, de pinopnames heeft uitgevoerd. Maar alle opgenomen bedragen zijn aan Dhr. [B] uitbetaald geworden.!! Op 1 juni 2018 heeft Dhr. [B] een lening van € 30.000 aan [de B.V.] verstrekt. Dit was in verband met een voorgenomen overdracht van de aandelen in [de B.V.] . (...) Teneinde een mogelijk faillissement te voorkomen was snel min. € 30.000 nodig. Dit is door Dhr. [B] vooruitlopend op de overname aan [de B.V.] uitbetaald. Helaas bleken er toch grotere financiele problemen boven water te zijn gekomen. Waaronder een megaclaim van de overheid wegens onjuistheden met de tachograaf. Alleen deze claim was al ruim € 40.000 en sanering van deze claim bleek niet mogelijk. Dhr. [B] eiste zijn lening terug en dat moest uiterlijk 31 augustus gebeuren. Een optie was nog om de lening in 3 maandelijkse termijnen terug te betalen. Het was Dhr. [B] niet bekend dat er al een faillissementsaanvraag was aangekomen. In verband met de voorgenomen overname heeft Dhr. [gedaagde sub 1] de bankpas al afgegeven. (...)

Onder grote druk heeft de boekhoudster de inmiddels bekende pinopnames uitgevoerd. En al de gepinde bedragen aan de door Dhr. [B] gestuurde medewerker overhandigd. Bijgaand doe ik u hierbij een kopie van de lening-ovk. zoals door Dhr. [gedaagde sub 1] ondertekend. (...)”

2.13.

Als bijlage bij deze e-mail van [de adviseur] is een op 1 juni 2018 gedateerde geldleningovereenkomst tussen [de B.V.] ( [gedaagde sub 1] ) en [B] gevoegd, voorzien van handtekeningen, waarin onder meer het volgende is opgenomen:

“ [de B.V.] (...) verder schuldenaar genoemd, (...)

[B] (...) verder schuldeiser genoemd (...)

1. Hoofdsom

De schuldeiser heeft op 1 juni 2018 een geldlening verstrekt ten bedrage van € 30.000 (...)

2. Doel van de lening

De lening is bedoeld voor de voorgenomen overdracht van aandelen in [de B.V.] (...) inclusief de aan [de B.V.] verleende transportvergunningen. [de B.V.] zal hiermee mede enkele dringende schuldeisers afbetalen, teneinde een mogelijk voortijdig faillissement te voorkomen. (...)

4. Looptijd en aflossing

De totale schuld (...) moet volledig zijn afgelost op 30 november 2018. De hoofdsom wordt alsdan afgelost in 3 termijnen met een bedrag van € 10.000 per maand. De termijnbetaling wordt elke maand per einde van de maand betaald, voor het eerst per 30 september 2018. (...)”

2.14.

Bij brief van 29 oktober 2019 aan Boratech, ter attentie van [gedaagde sub 4] , heeft de curator [gedaagde sub 4] gesommeerd tot betaling van € 33.990,00 binnen zeven dagen. De brief vermeldt onder meer:

“(...) Zowel de heer [gedaagde sub 1] als de heer [de adviseur] hebben verklaard dat u de beschikking had over deze bankpas en de contante geldopnames heeft verricht. Aangezien deze opnames zonder dat u daartoe bevoegd was zijn verricht en daartoe geen recht of titel bestond maak ik aanspraak op terugbetaling van het totaalbedrag ad € 33.990,00. Door het doen van de contante geldopnames heeft u onrechtmatig gehandeld en bent u ongerechtvaardigd verrijkt. (...)”

2.15.

Op 11 november 2019 heeft [gedaagde sub 4] per e-mail als volgt gereageerd:

“(...) Uw brief kwam schokkend over. Het bedrijf met alle benodigde stukken inclusief bankpas en inloggegevens zijn in augustus 2018 aan meneer [B] overgedragen. Hij is de koper van het bedrijf. Omdat [de B.V.] een ex klant is geweest heb ik alle benodigde stukken overhandigd aan de koper ( [B] ), want heer [gedaagde sub 1] was in het buitenland en kon niet zelf overhandigen. De tussen persoon van [B] , de heer [de adviseur] heeft u uitgelegd wat de situatie was. De opnames zijn in opdracht van de heer [B] gedaan en hem overhandigd. De ontvangstbewijs zal ik zsm naar u mailen. (...)”

2.16.

[gedaagde sub 4] heeft bij e-mailbericht van 13 november 2019 aan de curator nog het volgende geschreven:

“(...) In tegenstelling tot hetgeen u in uw brief aangeeft ontken ik ten stelligste dat mijnerzijds geld van [de B.V.] door mij zou zijn onttrokken en/of verduisterd. Ik ontken dit nadrukkelijk. Mijnerzijds is er geen Euro verduisterd. Ik heb slechts gehandeld op uitdrukkelijk verzoek van zowel de heer [gedaagde sub 1] , als zijn schuldeiser, de heer [B] .

Reeds eerder is aan u de betreffende overeenkomst tussen de beide heren toegestuurd, waaruit de eerdere schuld van [de B.V.] is vastgelegd en door beide heren ondertekend.

Een kopie van deze overeenkomst is u al eerder toegezonden.

zie email 14 mei 2019

Op aandringen van de heer [B] is deze schuld gefaseerd aan hem terugbetaald. Ten onrechte gaat u er van uit als zou ik dit allemaal hebben opgenomen, hetgeen eveneens onjuist is. Ik wijs uw beschuldiging dan met ook met kracht af. (...)”

2.17.

De curator heeft [gedaagde sub 4] op 19 november 2019 nogmaals gesommeerd tot betaling van het bedrag van € 33.990,00. Daartoe heeft de curator onder meer het volgende geschreven:

“(...) Gelet op het voorgaande bestaat er geen enkele rechtvaardiging voor de contante geldopnames door u. Ik betwist het bestaan van een rechtsgeldige leningovereenkomst op basis waarvan een terugbetalingsverplichting zou bestaan. Indien en voor zover de leningsovereenkomst al rechtsgeldig zou bestaan, hetgeen niet het geval is, zijn de contante geldopname door u alsnog onrechtmatig. Op het moment dat u wist dat een faillissement redelijkerwijs te verwachten was en nadien ook daadwerkelijk een verzoekschrift door het pensioenfonds was ingediend, heeft u de contante geldopnames verricht, terwijl daar geen rechtvaardiging voor bestond. Indien u de contante geldopnames niet had verricht waren deze gelden beschikbaar voor de gezamenlijke schuldeisers. (...)”

2.18.

Op 13 december 2019 heeft [gedaagde sub 4] aan de curator het volgende geschreven:

“(...) Voor alle duidelijkheid wil ik u informeren dat ik geen boekhouder ben bij Boratech BV. Ik ben een medewerker die de salaris-administratie verricht. Dhr. [gedaagde sub 1] ( [de B.V.] ) is in april 2019 als klant weggestuurd, omdat hij een uitermate slordige administratie indiende. (...) In februari/maart 2018 is een van zijn medewerkers door de verkeerspolitie aangehouden. Omdat deze medewerker de tachograaf van een andere medewerker heeft gebruikt en daardoor overtreding pleegde, heeft Dhr. [gedaagde sub 1] een boete van totaal € 44.000,- gekregen.

Hij heeft een advocaat ingeschakeld die een bezwaar naar de inspectie heeft ingediend. Enkele weken later heeft de advocaat hem geinformeerd, dat hij deze zaak zal verliezen. Enige mogelijkheid was of de boete betalen middels een lening of de onderneming overdragen. Hij heeft in april 2018 daartoe 2 nieuwe bv’s opgericht, t.w. Logic Trans wegvervoer bv en Logic Trans Holding bv. De activiteiten heeft hij van [de B.V.] overgenomen. Die nieuwe bedrijven voerden wederom een problematische administratie. Daardoor is hij als klant opgezegd.

Hij benaderde mij en vroeg of ik iemand kende die hem kon helpen. Dhr. [B] had daartoe mogelijk enige interesse, dus heb ik hem in contact gebracht.

Dhr. [B] heeft hem in juni 2018 een groot bedrag geleend (overeenkomst bij u bekend). Er was toen nog geen enkele sprake van een aankomend faillissement. In elk geval heeft Dhr. [gedaagde sub 1] hier niets over gemeld. (...)

De overname ging echter niet door en Dhr. [B] vorderde zijn geleende bedrag terug. Het geleende bedrag kon Dhr. [gedaagde sub 1] niet terugbetalen en heeft zijn gehele boekhouding, alle documenten, inloggegevens, bankpas en code, etc., etc., eind augustus 2018 aan mij gegeven, Ik heb dit alles aan de heer [B] overgedragen. Dhr. [gedaagde sub 1] heeft Dhr. [B] toestemming gegeven voor de bankopnames en ging weer terug naar Bulgarije. Omdat Dhr. [B] ook vaak in Turkije verbleef, heeft hij zijn medewerker alhier verzocht de opnames voor hem te verrichten. Daarmee werd uiteindelijk de lening terug betaald. (...)”

2.19.

[gedaagde sub 4] heeft voorts op 17 februari 2021 aan de curator het volgende bericht:

“(...) In mijn eerdere email en brieven heb ik u reeds medegedeeld dat de zakelijke relatie met de heer [gedaagde sub 1] alsmede [de B.V.] in april 2018 was beëindigd. Sindsdien was hij geen klant meer bij Boratech. Noch ik, no[ch] Boratech hebben sindsdien nog iets met hem te maken gehad.(...)

Eind augustus had Dhr. [gedaagde sub 1] mij weer benaderd en verzocht mij een aantal documenten aan de heer [B] te overhandigen. Daarbij was ook de bankpas welke ook naar de heer [B] dienden te worden overhandigd. Ik ging er van uit dat dit bij de tussen hen gesloten deal hoorde. Als onderdeel van de deal. De heer [B] gaf aan dat hij geld tegoed had van de heer [gedaagde sub 1] en vroeg mij met de voor hem bestemde bankpas enkele keren wat geld op te nemen en dat heb ik ook gedaan. De heer [B] bevond zich zelf op dat moment nog in Turkije. Dat opgenomen geld is eveneens aan de relatie van de heer [B] persoonlijk afgegeven. Voor deze handeling heb ik ook geen enkele vergoeding ontvangen. Dee enkele door mij opgenomen opnames zijn 1 op 1 naar de heer [B] doorbetaald geworden. (...)

2.20.

De curator heeft [gedaagde sub 4] op 29 april 2021 wederom een sommatie gestuurd.

2.21.

Eveneens op 29 april 2021 heeft de curator Boratech als werkgever van [gedaagde sub 4] aansprakelijk gesteld voor het onrechtmatig handelen van [gedaagde sub 4] en Boratech gesommeerd om tot betaling van € 33.990,00 over te gaan.

2.22.

Op 10 mei 2021 heeft [gedaagde sub 4] aan de curator twee documenten getiteld ‘Ontvangst Verklaring’ toegezonden. De documenten zijn gedateerd op 5 november 2018 respectievelijk 8 december 2018 en vermelden dat de opgenomen bedragen van € 18.900 respectievelijk € 15.000 in goede orde van [de B.V.] zijn ontvangen en dat de lening van € 30.000 inclusief kosten is betaald. De documenten zijn voorzien van een handtekening onder de naam ‘ [B] ’.

2.23.

In een e-mailbericht van ‘ [...] ’ aan de curator van 24 mei 2021 is het volgende geschreven:

“(...) Recentelijk ontving ik een kopie concept dagvaarding gericht tegen mevrouw [gedaagde sub 4] waarin zij door u wordt aangemaand een bedrag van € 33.990 aan de boedel van [de B.V.] te betalen.

Zij wordt er door u van verschuldigd [sic] als zou zijn het door u aangegeven bedrag hebben opgenomen en derhalve zou zij dit dienen terug te betalen.??

Er is echter geen sprake van dat zij dit bedrag, althans een klein deel daarvan voor haarzelf ontvangen heeft en uitsluitend en alleen door haar zou zijn gepind, daar is geen sprake van. De genoemde bedragen zijn door meerdere personen opgenomen en aan ondergetekende overhandigd i.v.m. een afspraak met de heer [gedaagde sub 1] als terugbetaling van een door ondergetekende verstrekte lening aan de heer [gedaagde sub 1] die voornemens was een nieuwe onderneming te starten, waarbij ondergetekende de aandelen van [de B.V.] van hem zou overnemen.

Door de daarna opgetreden problemen werd dit verder niet geeffectueerd. Wel werd aan mij de aan hem uitgeleende gelden volledig aan mij terugbetaald.

Dien aangaande heb ik op verzoek ook een 2-tal ontvangstbewijzen opgesteld en ondertekend, waarin ik de ontvangst van de genoemde bedragen bevestig.

Mevrouw [gedaagde sub 4] heeft totaal niets met deze lening en/of transactie tussen mij en de heer [gedaagde sub 1] te maken en wordt door u dan ook volledig onterecht aangesproken.

Ik verzoek u dan ook de aan haar gerichte concept-dagvaarding in te trekken, daar niet zij, maar ook Boratech Administraties totaal niets valt aan te rekenen.

De heer [gedaagde sub 1] en/of [de B.V.] waren op dat moment niet eens meer hun cliënt.

Desgevraagd ben ik bereid bij de Rechter deze gang van zaken nader uit te leggen. Normaliter vertoef ik in Turkije, gezien de Cor[o]na verblijf ik tijdelijk in Nederland. Zodra er weer gevlogen kan worden vertrek ik weer. (...)

(...)

[B] ”

3 Het geschil

4 De beoordeling

5 De beslissing