Home

Rechtbank Den Haag, 11-05-2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:4353, AWB - 21 _ 236

Rechtbank Den Haag, 11-05-2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:4353, AWB - 21 _ 236

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11 mei 2022
Datum publicatie
25 mei 2022
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2022:4353
Formele relaties
Zaaknummer
AWB - 21 _ 236

Inhoudsindicatie

Bodemprocedure. Verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob)

Uitspraak

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 21/236

[eiser] , handelend onder de naam van [h.o.d.n.], te [vestigingsplaats] , eiser

en

(gemachtigden: mr. A.J. Pfeifer en ing F.G. Wulp).

Procesverloop

Bij besluit van 17 juli 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder beslist op het verzoek van eiser op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob).

Bij besluit van 15 december 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Eiser heeft toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 april 2022 via een beeldverbinding. Daaraan namen deel eiser en de gemachtigden van verweerder.

Overwegingen

Waar gaat deze zaak over?

1.1.

De gemeenteraad van Teylingen heeft besloten om, op verzoek van de Teylingen Ondernemers Vereniging (TOV), gedurende een pilotfase van twee jaar, 2016 en 2017, medewerking te verlenen aan de instelling van een ondernemersfonds.

1.2.

Eiser heeft verzocht om op grond van de Wob de volgende documenten openbaar te maken:

Alle correspondentie (e-mails briefwisselingen gespreksverslagen) tussen:

- ex wethouder [A] en [advocatenkantoor] Advocaten m.b.t. het ondernemersfonds Teylingen en de TOV Teylingen;

- leden van het College en het ondernemersfonds Teylingen en de TOV tot op heden;

- de leden van het College onderling m.b.t. het ondernemersfonds en de TOV;

- het College en de Gemeenteraad m.b.t. de TOV en het ondernemersfonds Teylingen;

- ex wethouder [A] en de TOV inclusief het ondernemersfonds Teylingen.

Wat heeft verweerder besloten?

2. Verweerder heeft bij het primaire besluit een aantal documenten geheel of gedeeltelijk openbaar gemaakt. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd en een inventarislijst toegevoegd waarin per document de weigeringsgrond van de Wob is vermeld. De passages die onleesbaar zijn gemaakt zijn geweigerd ofwel omdat het belang van openbaarmaking daarvan niet opweegt tegen bescherming van de persoonlijke levenssfeer1 ofwel omdat het gaat om persoonlijke beleidsopvattingen in documenten, opgesteld ten behoeve van intern beraad, terwijl deze informatie niet kan worden verstrekt in niet tot personen herleidbare vorm2.

Wat vindt eiser?

3. Eiser stelt dat uit de aan hem verzonden openbaar gemaakte stukken blijkt dat verweerder stukken heeft achtergehouden. Er ontbreken stukken als:

- alle correspondentie (e-mails, briefwisselingen en gespreksverslagen) tussen leden van het College onderling met betrekking tot het OFT en de TOV;

- alle correspondentie (e-mails, briefwisselingen en gespreksverslagen) tussen wethouder [A] en de TOV inclusief het OFT en

- de stukken waaruit blijkt dat de OFT in de eerste twee jaren is gecontroleerd, zoals in het convenant tussen verweerder en het OFT is afgesproken.

Verder vindt eiser dat verweerder een disproportionele vorm van anonimiseren heeft toegepast waardoor het doel van het WOB-verzoek wordt gefrustreerd. Eiser stelt dat verweerder ten onrechte artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob van toepassing heeft geacht. Zoals de hoogste bestuursrechter heeft overwogen in haar uitspraak van 1 juli 20153 kan, waar het het beroepshalve functioneren van ambtenaren betreft, slechts in beperkte mate een beroep worden gedaan op het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.

Verder stelt eiser dat verweerder ten onrechte de weigeringsgrond van artikel 11, eerste lid, van de Wob heeft toegepast. Verweerder kan de persoonlijke beleidsopvattingen verstrekken in niet tot personen herleidbare vorm.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

4.1.

Volgens vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter4 is het, wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer onder hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, in beginsel aan degene die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, dat document toch onder het bestuursorgaan berust. Verweerder heeft gesteld dat hij grondig en zorgvuldig heeft gezocht naar documenten die onder de reikwijdte van het Wob-verzoek vallen. Eiser heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd die aannemelijk maken dat verweerder over méér stukken moet beschikken. De enkele mededeling van eiser dat hij nog stukken mist is daartoe onvoldoende.

4.2.

Zoals eiser terecht stelt, kan als het gaat om het beroepshalve functioneren van ambtenaren, slechts in beperkte mate een beroep worden gedaan op het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Dat ligt anders als het gaat om het openbaar maken van namen. Namen zijn persoonsgegevens en het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer kan zich tegen openbaarmaking daarvan verzetten.

De rechtbank heeft met toestemming van eiser kennis genomen van de niet openbaar gemaakte gegevens. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zich verzet tegen openbaarmaking van de namen en overige persoonsgegevens van de in de stukken genoemde ambtenaren, die niet wegens hun functie in de openbaarheid treden. Ook heeft verweerder terecht gesteld dat het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zich verzet tegen openbaarmaking van de adresgegevens van de raadsleden, die wel wegens hun functie in de openbaarheid treden. Tot slot heeft verweerder terecht ook de namen van andere personen die geen publieke functie vervullen onleesbaar gemaakt ter bescherming van hun persoonlijke levenssfeer. De namen van de stuurgroep VOT hoefde verweerder echter niet onleesbaar te maken omdat deze al openbaar waren gemaakt op de website van de VOT.

4.3.

Verweerder heeft terecht de in de documenten voorkomende persoonlijke beleidsopvattingen voor intern beraad niet openbaar gemaakt. Deze persoonlijke beleidsopvattingen lenen zich niet voor openbaarmaking in niet tot personen herleidbare vorm, omdat uit de context afgeleid kan worden van wie de persoonlijke beleidsopvattingen afkomstig zijn.

4.4.

Het beroep is ongegrond.

4.5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Bent u het niet eens met deze uitspraak?