Home

Rechtbank Den Haag, 02-03-2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:8279, C/09/588989 / HA ZA 20-219

Rechtbank Den Haag, 02-03-2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:8279, C/09/588989 / HA ZA 20-219

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
2 maart 2022
Datum publicatie
23 augustus 2022
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2022:8279
Zaaknummer
C/09/588989 / HA ZA 20-219

Inhoudsindicatie

Onrechtmatig delen van politie informatie met werkgever verdachte; artikel 19 Wet Politiegegevens; artikel 49 Wet bescherming persoonsgegevens; kansschade

Uitspraak

vonnis

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/588989 / HA ZA 20-219

Vonnis van 2 maart 2022

in de zaak van

[eiseres] , te [plaats 1],

eiseres,

advocaat mr. E.M. van der Niet, te Den Haag,

tegen

1 DE NATIONALE POLITIE (REGIONALE EENHEID DEN HAAG),

te Den Haag,

2. [gedaagde 2], te [plaats 2],

gedaagden,

advocaat mr. A.T. Bolt, te Arnhem.

Eiseres zal hierna [eiseres] worden genoemd. Gedaagden gezamenlijk worden de Politie genoemd; gedaagde sub 1: de Politie Den Haag, en gedaagde sub 2: [gedaagde 2].

1 Inleiding: waar gaat deze zaak over?

1.1.

Kort gezegd gaat deze zaak over de vraag of de Politie de leidinggevende(n) van [eiseres] mocht informeren dat zij op weg naar haar werk was aangehouden op verdenking van rijden onder invloed.

1.2.

[eiseres] stelt dat de Politie haar gegevens niet mocht delen. Zij had zich al ziek gemeld en zou die avond niet meer zijn gaan werken. Er was volgens haar niet voldaan aan de wettelijke eisen voor het delen van politiegegevens met derden. [eiseres] denkt dat zij zonder deze inmenging van de Politie geen onvoorwaardelijk strafontslag zou hebben gekregen. Zij vordert vergoeding van de schade die zij door de inmenging van de Politie stelt te hebben geleden.

1.3.

De Politie vindt dat zij de leidinggevende(n) van [eiseres] mocht informeren zoals zij heeft gedaan, om te voorkomen dat [eiseres] die nacht aan het werk zou gaan.. Volgens de Politie was [eiseres] daartoe die nacht niet in staat, en was het een gevaar voor de openbare orde geweest als zij wel was gaan werken. Verder voert de Politie aan dat [eiseres] als ambtenaar verplicht was om haar werkgever zelf over haar aanhouding en veroordeling te informeren. Dat zou volgens de Politie ook tot een onvoorwaardelijk strafontslag hebben geleid. De Politie ziet daarom geen verband tussen de schade die [eiseres] opvoert.

1.4.

De rechtbank komt tot het oordeel dat de Politie de leidinggevende(n) niet heeft mogen informeren zoals zij heeft gedaan, omdat zij was voldaan aan meerdere eisen die de wet stelt aan het delen van politiegegevens met derden. Het delen van de politiegegevens was daarom onrechtmatig jegens [eiseres], en de Politie is aansprakelijk voor de daaruit voortvloeiende schade. De schade die aan de Politie is toe te rekenen, is naar het oordeel van de rechtbank echter geringer dan [eiseres] heeft gevorderd.

2 De procedure

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

-

de dagvaarding van 18 februari 2020 met producties 1-52;

-

de conclusie van antwoord van 8 april 2020 met producties 1-18;

-

het tussenvonnis van 13 oktober 2021;

-

de akte van eiseres van 6 januari 2022 met producties 53-61;

-

het proces-verbaal van de op 18 januari 2022 gehouden mondelinge behandeling.

2.2.

Het proces-verbaal van de mondelinge behandeling is buiten aanwezigheid van partijen opgemaakt. Partijen hebben de mogelijkheid gekregen om fouten in het proces-verbaal te benoemen. Van die mogelijkheid is gebruik gemaakt: beide advocaten stuurden op 14 februari 2022 een bericht met opmerkingen bij het proces-verbaal. De rechtbank leest het proces-verbaal met inachtneming van die opmerkingen.

2.3.

Ten slotte is de datum voor het vonnis bepaald op heden.

3 De feiten

4 Het geschil

5 De beoordeling

6 De beslissing