Rechtbank Den Haag, 23-08-2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:12584, C/09/618436 / HA ZA 21-860
Rechtbank Den Haag, 23-08-2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:12584, C/09/618436 / HA ZA 21-860
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 23 augustus 2023
- Datum publicatie
- 25 september 2023
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2023:12584
- Zaaknummer
- C/09/618436 / HA ZA 21-860
Inhoudsindicatie
CHF-hypotheek. Hypotheek in Zwitserse franken (CHF) waarvan de rente en de hoofdsom in CHF moeten worden (terug)betaald, terwijl eisers hun inkomen in Euro's genieten en feitelijk in Euro's betalen. Toetsing aan art. 4 lid 2 richtlijn EG 93/13 betreffende oneerlijke bedingen (transparantievereiste) en o.a. HvJEU 10 juni 2021, ECLI:EU:2021:470 (VB e.a./BNP Paribas). Beroep op vernietiging van de CHF-bedingen o.g.v. art. 6:233 BW slaagt niet. Het betreft kernbedingen en de bank is voldoende transparant geweest over de valutarisico's die kleven aan de CHF-bedingen, ook bij scherpe waardedalingen van de Euro ten opzichte van de CHF. Beroep op dwaling en schending zorgplicht wordt eveneens verworpen.
Uitspraak
vonnis
Team handel
zaaknummer / rolnummer: C/09/618436 / HA ZA 21-860
Vonnis van 23 augustus 2023
in de zaak van
1 [eisende partij sub 1] , te [plaats] ,
2. [eisende partij sub 2], te [plaats] ,
eisers,
advocaat mr. K. Rutten te Utrecht,
tegen
ACHMEA BANK N.V., te Den Haag,
gedaagde,
advocaat mr. C.H.D.W. van den Borne-Verheijen te Arnhem.
Eisers worden hierna [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] genoemd. Gedaagde wordt hierna Achmea Bank genoemd.
1 De procedure
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
- -
-
de dagvaarding van 20 september 2021, met producties 1 tot en met 79,
- -
-
de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 33,
- -
-
het tussenvonnis van 9 november 2022, waarin een mondelinge behandeling is bepaald,
- -
-
de akte overlegging producties en akte van depot van [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] van 8 maart 2023, met producties 80 tot en met 91;
- -
-
de akte overlegging nadere stukken van Achmea Bank van 8 maart 2023, met producties 34 tot en met 44.
Op 24 mei 2023 is de mondelinge behandeling gehouden. De advocaten hebben de standpunten van partijen toegelicht aan de hand van schriftelijke spreekaantekeningen. Deze spreekaantekeningen behoren tot de processtukken. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat verder ter zitting is besproken en naar voren gebracht en deze aantekeningen zijn in het griffiedossier gevoegd.
Ten slotte is vonnis bepaald op vandaag.
2 De feiten
Deze zaak betreft een hypothecaire geldlening (deels in Euro’s, deels in Zwitserse franken), die [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] in 2007 bij Staalbankiers N.V. hebben afgesloten. De rechten en plichten van Staalbankiers N.V. uit hoofde van de hypothecaire geldlening zijn in 2017 overgenomen door Achmea Bank. Om praktische redenen zal hierna in dit vonnis telkens worden gesproken over Achmea Bank, ook waar het handelingen van haar rechtsvoorganger Staalbankers N.V. betreft.
Met betrekking tot deze zaak staan tussen partijen, kort weergegeven, de volgende feiten en omstandigheden als onweersproken vast.
[eisende partij sub 1] is zelfstandig ondernemer. Hij geeft als universitair geschoold management consultant opleidingen aan managers van organisaties. [eisende partij sub 2] is werkzaam als klinisch psycholoog bij een GGZ-instelling.
[eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] hadden in 1996 een hypothecaire geldlening voor hun toenmalige woning afgesloten bij ABN AMRO, waarbij de heer [Naam01] (hierna: ‘ [Naam01] ’), die op dat moment bij ABN Amro als bankier werkte, als contactpersoon van ABN AMRO optrad. In 2005 zijn [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] weer in contact gekomen met [Naam01] , die inmiddels als bankier bij (de rechtsvoorganger van) Achmea Bank werkte. [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] hebben onder meer met [Naam01] gesproken over de mogelijkheden voor pensioenopbouw en beleggen. Ook is in die tijd (kort) gesproken over de mogelijkheid om hun bestaande hypothecaire geldlening om te zetten naar een geldlening in Zwitserse franken (‘CHF’). Dit wilden [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] toen niet. Wel zijn [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] bij Achmea Bank gaan beleggen en liquiditeiten bij Achmea Bank gaan aanhouden.
In 2007 wilden [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] verhuizen naar een nieuw te bouwen woning met bijbehorend perceel in [plaats] (hierna: ‘de woning’). De overwaarde van hun toenmalige koopwoning werd op dat moment ingeschat op ongeveer € 250.000. [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] hebben vervolgens met [Naam01] gesproken over de financiering van de aankoop van de woning, onder meer in mei en juli 2007.
Vervolgens heeft Achmea Bank op 16 augustus 2007 een kredietofferte (hierna: ‘de Offerte’) aan [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] uitgebracht voor de financiering van de aankoop van de woning. De aangeboden kredietfaciliteit bestond uit twee delen en was in de Offerte als volgt omschreven:
A. Een aflossingsvrije hypothecaire roll-over geldlening van € 200.000 (met een looptijd van 30 jaren, tegen een driemaands Euribor rente met een opslag van 0,9%. Van deze tranche zou een bedrag van € 200.000 worden gestort in een bouwdepot, waarvan gedurende één jaar gebruik kon worden gemaakt. Het gedeelte dat op 17 september 2008 niet uit het bouwdepot was opgenomen, zou worden gebruikt voor extra aflossing op de lening.
Een aflossingsvrije hypothecaire roll-over geldlening voor een bedrag in Zwitserse franken als equivalent van € 600.000, tegen de dagkoers op het moment van verstrekking, eveneens met een looptijd van 30 jaren en tegen een driemaands CHF Libor rente met een opslag van 0,9%. Van de CHF-lening zou € 600.000 (niet ingewisseld in Zwitserse franken) in een bouwdepot worden gestort met een duur van een jaar. Als het bouwdepot op 17 september 2008 niet geheel was opgenomen, zou het restant worden gebruikt voor extra aflossing.
Leningdeel B wordt hierna in dit vonnis ook wel: ‘de CHF-lening’ genoemd.
Met betrekking tot de CHF-lening is in de Offerte bepaald dat het uitstaande bedrag in Zwitserse franken op de einddatum (dus uiterlijk op 17 september 2037) tegen de dan geldende dagkoers in zijn geheel moet worden afgelost. Ook is bepaald dat [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] na iedere rentevastperiode het recht hebben om de CHF-lening in zijn geheel boetevrij af te lossen.
Verder is in de Offerte bepaald dat tot zekerheid van de (terug)betaling van de beide leningdelen aan Achmea Bank een eerste recht van hypotheek wordt verleend op de woning. Daarbij is in de Offerte het volgende bepaald:
“Doordat de betalingsverplichtingen voor zover het betreft hoofdsom en rente aan valutarisico onderhevig zijn, wordt bij de financiering een hypotheekomschrijving verlangd die 20% hoger ligt dan de hypothecaire lening. Mocht de waarde van de Zwitserse Frank ten opzichte van de Euro met meer dan 20% stijgen, dan zult u aanvullende zekerheden dienen te verstrekken dan wel een gedeelte af te lossen, voor zover u niet reeds door betaling van aflossingen voldoende heeft afgelost.”
Ook is in de Offerte opgenomen dat [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] een bedrag van € 250.000 uit de overwaarde van de verkoop van hun bestaande woning in een bij Achmea Bank aan te houden verpand effectendepot zullen storten, waarmee zal worden belegd (binnen een neutraal/defensief beleggingsprofiel). Het pandrecht moet een zodanige marktwaarde hebben dat de door Achmea Bank vastgestelde bevoorschottingswaarde (een door de bank vastgesteld percentage van de marktwaarde) minimaal € 175.000 bedraagt. Uit het opgebouwde kapitaal in het effectendepot moet een bedrag van € 71.000 worden aangewend voor aflossing van leningdeel A.
Samen met de Offerte was een informatieformulier met achtergrondinformatie over een lening in Zwitserse Franken als bijlage meegestuurd (dit formulier hierna ook te noemen: ‘de Bijlage’).
Enkele dagen na de ontvangst van de Offerte hebben [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] en [Naam01] nog een gesprek hierover gehad. Naar aanleiding van dit gesprek heeft Achmea Bank de opslag op de variabele driemaands Euribor rente in de offerte verlaagd (van 0,9% naar 0,7%). Ook zijn de afsluitprovisies op de beide leningdelen verlaagd. Deze aanpassingen zijn met pen verwerkt in de Offerte. Vervolgens hebben [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] de Offerte op 19 augustus 2007 aanvaard en ondertekend. De hiermee tussen partijen tot stand gekomen overeenkomst wordt hierna ‘de Kredietovereenkomst’ genoemd.
Achmea Bank heeft in september 2007 een Zwitserse Franken-rekening (CHF-rekening) op naam van [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] geopend. Achmea Bank heeft vervolgens op 19 september 2007 een bedrag van CHF 991.560 op de CHF-rekening uitbetaald. Dit gestorte bedrag is (met aftrek van de afsluitprovisie) diezelfde dag naar een andere (euro)rekening overgeboekt.
Van 2007 tot 2009 werden de rentebetalingen over de CHF-lening (in Zwitserse Franken) geïncasseerd vanaf de CHF-rekening. De CHF-rekening werd telkens na betaling automatisch aangezuiverd door het equivalent van het CHF-rentebedrag in Euro’s over te boeken vanaf een Eurorekening (waarop [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] Euro’s stortten). Vanaf 2009 is de CHF-rekening opgeheven en heeft Achmea Bank de rentebetalingen in Euro’s rechtstreeks vanaf de Eurorekening geïncasseerd, tegen de geldende CHF dagkoers. Bij iedere incassering werd op het dagafschrift de CHF koers vermeld.
Medio 2008 hebben [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] een termijndeposito van € 70.000 bij Achmea Bank geopend.
Eind 2008 is de koers van de Zwitserse Frank – mede als gevolg van de kredietcrisis en maatregelen van de Europese Centrale Bank (ECB) – sterk gestegen ten opzichte van de Euro, waardoor ook het equivalent in Euro’s van de uitstaande schuld uit de CHF-lening is gestegen. Achmea Bank heeft [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] hierover bij brief van 6 november 2008 geïnformeerd. Achmea Bank heeft [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] in de brief ook gewezen op de overeengekomen mogelijkheid om de CHF-lening kosteloos om te zetten in een lening in Euro’s, met daarbij wel de waarschuwing dat de schuld uitgedrukt in Euro’s na omzetting mogelijk hoger kan zijn dan de oorspronkelijke geldlening uitgedrukt in Euro’s. [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] hebben geen gebruik gemaakt van deze omzettingsmogelijkheid.
Na verkoop van hun oude woning hebben [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] in maart 2009 hun nieuwe woning betrokken. Uit de verkoop van de oude woning is een overwaarde van € 315.000 vrijgekomen.
Tussen 2008 en 2011 is de waarde van de Zwitserse Frank verder gestegen ten opzichte van de Euro. Omdat het koersverschil begin 2011 met meer dan 20% was opgelopen, heeft Achmea Bank – na een daartoe strekkend verzoek en een bespreking tussen partijen – bij brief van 29 maart 2011 aan [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] bevestigd dat een termijndeposito geopend zou worden voor een bedrag van € 50.000, waarmee zou worden voldaan aan de verplichting van [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] om 7,5 % extra zekerheid (van de oorspronkelijke hoofdsom van de CHF-lening) te stellen voor het opgelopen koersverschil.
Op 5 april 2011 heeft Achmea Bank een beleggingsportefeuille geopend waarin [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] een bedrag van € 250.000 hebben gestort dat volgens een vooraf vastgesteld beleggingsprofiel defensief zou worden belegd (deze beleggingsportefeuille hier ook te noemen: ‘de Beleggingsportefeuille’).
Tussen 2011 en 2013 is de koers van de Zwitserse Frank ten opzichte van de Euro verder gestegen. Naar aanleiding van deze verdere koersstijging heeft Achmea Bank nieuwe verzoeken aan [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] gedaan om aanvullende zekerheid te stellen. Van hun kant hebben [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] Achmea Bank bij brief van 14 april 2012 aansprakelijk gesteld voor de door hen geleden schade als gevolg van de CHF-lening, omdat Achmea Bank – zo stellen [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] in de brief – hen bij het aangaan van de lening niet heeft gewezen op de (combinatie van) bijzondere risico’s waaraan zij zouden kunnen worden blootgesteld.
Achmea Bank heeft aansprakelijkheid van de hand gewezen.
Op 21 augustus 2013 hebben Achmea Bank (in de persoon van [Naam01] en de heer [Naam02] , toenmalig senior krediet specialist, hierna: ‘ [Naam02] ’) en [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] met elkaar gesproken. Naar aanleiding van dit gesprek heeft [Naam02] in een e-mail van 15 oktober 2013 onder meer het volgende aan [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] bericht:
“Zoals vandaag telefonisch gecommuniceerd is de bank niet bereid om jullie schadeloos te stellen voor het geleden valutaresultaat in verband met de waardestijging van de CHF-hypotheek.
(...)
Uit de bij ons beschikbare documentatie blijkt dat jullie zijn blootgesteld aan verschillende risico’s. Deze risico’s kunnen opzichzelfstaand best aanvaardbaar zijn echter in jullie positie signaleren wij een stapeling van risico’s waarvan de impact buiten jullie cirkel van invloed ligt doordat deze onderhevig zijn aan macro-economische marktontwikkelingen, ik denk dan bijvoorbeeld aan:
Renterisico (het risico van stijgende rente en stijgende maandlasten)
Valutarisico (het risico dat de lening uitgedrukt in Euro’s meer waard wordt door een verdere appreciatie van de CHF ten opzichte van de Euro).
Beleggings- en onderpandsrisico (het risico dat de in onderpand afgegeven beleggingen en jullie woonhuis in waarde [de rechtbank begrijpt: dalen].
Inkomensrisico (het risico dat de financieringslasten niet meer draagbaar zijn door een inkomensterugval door bijvoorbeeld arbeidsongeschiktheid, overlijden of werkeloosheid). Niet macro-economisch
Hoe bovenstaande risico’s in onderlinge verhouding staan is lastig in kaart te brengen. Zoals besproken zien wij wel mogelijkheden om deze risico’s in te perken danwel geheel af te dekken.
(...)
Graag gaan wij op korte termijn met jullie het gesprek aan om bovengenoemde risico’s en opties met elkaar te bespreken. (...)”
Op 21 november 2013 hebben [Naam02] en [Naam01] (namens Achmea Bank) en [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] een vervolggesprek gehad. [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] hebben op 23 december 2013 een door hen opgesteld gespreksverslag aan Achmea Bank gestuurd. In dit verslag staat onder meer:
“ [Naam02] [ [Naam02] , rechtbank] geeft aan dat met de kennis van nu Staalbankiers ons de huidige portefeuille niet geadviseerd zou hebben. (...) In ons dossier is sprake van een stapeling van risico’. De “combinatie hiervan kan een giftige cocktail” worden.”
[Naam01] heeft bij brief van 22 januari 2014 op het gespreksverslag gereageerd. Hierin schrijft [Naam01] onder meer, in reactie op de bovenstaande passage, dat wat [Naam02] stelt met de kennis van nu is, en dat Achmea Bank op het moment van adviseren volledig achter haar advies stond.
Tussen 2014 en 2021 hebben partijen – zelf of via hun advocaten – verder met elkaar gecorrespondeerd over de door [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] gestelde (en door Achmea Bank betwiste) aansprakelijkheid van Achmea Bank voor de geleden schade uit de CHF-lening en een eventuele omzetting van de CHF-lening in een geldlening in Euro’s. Die correspondentie heeft niet tot overeenstemming tussen partijen geleid. [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] hebben bij brief van hun advocaat van 12 februari 2021 een beroep gedaan op vernietiging van de Kredietovereenkomst op grond van dwaling wegens onvoldoende voorlichting over de (combinatie van) risico’s (artikel 6:228 lid 1, aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW). Ook hebben zij Achmea Bank (nogmaals) aansprakelijk gesteld voor de door hen geleden schade als gevolg van het afsluiten van de CHF-lening. Achmea Bank heeft bij brief van haar advocaat van 11 mei 2021 (nogmaals) aansprakelijkheid van de hand gewezen.
De koers van de Zwitserse Frank is tot aan september 2021 (in vergelijking tot 2013) verder gestegen ten opzichte van de Euro, onder andere omdat de Zwitserse Nationale Bank (SNB) in 2015 de wisselkoers (die tot dan toe op een niveau van 1,20 in stand werd gehouden) vrijgaf. Waar de koers van de Zwitserse Frank ten tijde van het aangaan van de Kredietovereenkomst 1,6526 EUR/CHF was, was die koers per 6 september 2021 gestegen naar 1,0974 EUR/CHF, zodat de uitstaande schuld uit de CHF-lening op die datum (uitgedrukt in Euro’s) meer dan € 939.120 is (in plaats van € 600.000 bij sluiten van de Kredietovereenkomst).
Gelijktijdig is de CHF Libor rente (per 1 januari 2022 vervangen door SARON) gedaald van 2,111 (in 2007) naar – 0,768 (in 2021), zodat [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] op dat moment, met de overeengekomen opslag, nog 0,132% rente over de CHF-lening waren verschuldigd. De CHF Libor rente (driemaands) is tussen medio 2007 en medio 2021 voortdurend lager geweest dan de Euribor rente (driemaands); gemiddeld was het verschil 0,751.
De door [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] bij Achmea Bank aangehouden Beleggingsportefeuille (waarin € 250.000 was gestort) heeft tussen 1 januari 2012 en 31 maart 2017 een gemiddeld bruto resultaat gemaakt van ongeveer 5%. Op 31 maart 2017 is de Beleggingsportefeuille overgedragen aan Van Lanschot bank. [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] hebben het beleggingsresultaat op bij Van Lanschot Bank op een spaarrekening gezet.