Rechtbank Den Haag, 06-09-2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:14320, C-09-637977-HA ZA 22-941
Rechtbank Den Haag, 06-09-2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:14320, C-09-637977-HA ZA 22-941
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 6 september 2023
- Datum publicatie
- 26 september 2023
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2023:14320
- Zaaknummer
- C-09-637977-HA ZA 22-941
Inhoudsindicatie
tussenvonnis collectieve actie: oude en/of nieuwe (WAMCA-)regime van toepassing? / Voldaan aan ontvankelijkheidsvereisten?
Uitspraak
Team handel
Zaaknummer: C/09/637977 / HA ZA 22-941
Vonnis van 6 september 2023
in de zaak van
STICHTING SINTI, ROMA EN REIZIGERS,
te Den Haag,
eisende partij,
hierna te noemen: de Stichting,
advocaat: mr. T. Hendriks te Amsterdam,
tegen
GEMEENTE DEN HAAG,
te Den Haag,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de Gemeente,
advocaat: mr. G.A. van der Veen te Rotterdam.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 8 november 2022 met producties 1 tot en met 12;
- het tussenvonnis van 4 januari 2023 waarbij een mondelinge behandeling is bevolen; - de conclusie ex artikel 1018c lid 5 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) van de Gemeente met producties 1 tot en met 3;
- de antwoordakte van de Stichting tevens houdende een wijziging van eis met producties 13 tot en met 16; - de akte overlegging productie 17 van de Stichting;
- de akte overlegging productie 18 van de Stichting.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 juni 2023. In het rechtbankdossier bevinden zich de aantekeningen die de griffier tijdens de zitting heeft gemaakt.
Ten slotte is de datum voor het vonnis bepaald op heden. Het vonnis heeft alleen betrekking op de ontvankelijkheid van de Stichting.
2 Waar gaat de zaak over?
Deze zaak is een zogeheten collectieve actie. Daarin wil de Stichting als belangenbehartiger, samengevat, opkomen tegen het uitsterfbeleid van de Gemeente dat er toe leidt dat er steeds minder woonwagenstandplaatsen in de Gemeente komen. Door dat beleid worden woonwagenbewoners die in de Gemeente een woonwagenstandplaats willen krijgen gedupeerd.
De Stichting stelt dat zij opkomt voor woonwagenbewoners. Woonwagenbewoners definieert de Stichting als “personen die in Nederland op een woonwagenlocatie wonen of daar niet (meer) wonen maar wel de wens hebben naar een woonwagenlocatie terug te keren en waarvan de ouders of (over)grootouders op een woonwagenlocatie hebben gewoond” (hierna: (de) Woonwagenbewoners). De Stichting onderscheidt voor deze procedure de navolgende drie groepen:
1. Woonwagenbewoners die thans in een woonwagen wonen in de Gemeente (hierna: Woonwagenbewoners A);
2. Woonwagenbewoners die thans niet (meer) in een woonwagen in de Gemeente wonen, maar dat (opnieuw) willen (hierna: Woonwagenbewoners B);
3. Woonwagenbewoners die niet (meer) in een woonwagen wonen in de Gemeente, maar dat (opnieuw) willen en op de wachtlijst van de Gemeente staan (hierna: Woonwagenbewoners C).
De Stichting beoogt met deze procedure dat de Gemeente haar uitsterfbeleid wijzigt, zodat er weer meer woonwagenstandplaatsen in de Gemeente komen en de wachttijd voor een woonwagenstandplaats gelijkgetrokken wordt met de wachttijd voor een sociale huurwoning.
In deze fase van de procedure gaat het niet om de inhoud van de zaak. Eerst moet worden beslist of het oude of het sinds 1 januari 2020 geldende recht over collectieve acties van toepassing is en of de Stichting kan worden ontvangen in haar vorderingen. De vraag of de Gemeente haar beleid moet wijzigen, wordt nu nog niet beoordeeld.
3 Het geschil
De Stichting vordert na wijziging van eis dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor recht verklaart dat de gemeente door haar woonwagenbeleid niet aan te passen en/althans door niet feitelijk over te gaan tot het realiseren c.q. uitbreiden van het aantal woonwagenstandplaatsen, in strijd handelt met het discriminatieverbod en/althans artikel 8 EVRM;
II. voor recht verklaart dat de gemeente door haar (uitsterf)beleid niet aan te passen en/althans door niet feitelijk over te gaan tot het realiseren c.q. uitbreiden van het aantal woonwagenstandplaatsen, onrechtmatig handelt jegens alle Woonwagenbewoners, althans jegens Woonwagenbewoners A en/althans jegens Woonwagenbewoners B en/althans jegens Woonwagenbewoners C;
III. de Gemeente gebiedt om met onmiddellijke ingang te stoppen met het voeren van een woonwagenbeleid dat in strijd is met het discriminatieverbod en/althans artikel 8 EVRM en/althans onrechtmatig is;
IV. de Gemeente gebiedt om met onmiddellijke ingang, dan wel binnen een termijn die uw rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren, een beleid te hanteren dat erop gericht is om te voorzien in voldoende woonwagenstandplaatsen voor Woonwagenbewoners B en/althans Woonwagenbewoners C;
V. de Gemeente gebiedt om binnen een termijn van één jaar, dan wel een termijn die uw rechtbank in goede justitie zal vermenen te bepalen, woonwagenstandplaatsen te realiseren en aan te bieden aan Woonwagenbewoners C;
VI. De Gemeente gebiedt om binnen één jaar na het in deze zaak te wijzen eindvonnis, althans een datum die uw rechtbank in goede justitie geraden acht, de gemiddelde wachttijd voor een woonwagenstandplaats te hebben verminderd tot maximaal het niveau van de gemiddelde wachttijd voor een woning in de sociale sector in de gemeente Den Haag;
VII. de Gemeente veroordeelt in de kosten van dit geding, te vermeerderen met de nakosten ten belope van EUR 157 zonder betekening, dan wel EUR 239 in het geval van betekening, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en – voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen die termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf veertien dagen na dagtekening van het vonnis.
Aan haar vordering legt de Stichting in het kort gezegd het volgende ten grondslag. De Gemeente heeft jarenlang ten aanzien van woonwagenstandplaatsen een uitsterfbeleid gehanteerd. Uit meerdere uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en het College van de Rechten van de Mens (hierna: het CRM) volgt dat een dergelijk uitsterfbeleid in strijd is met de mensenrechten van Woonwagenbewoners, waaronder artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 7 en 7a van de Algemene Wet Gelijke Behandeling. Ook in het Beleidskader gemeentelijke woonwagen- en standplaatsenbeleid van het Ministerie van Binnenlandse Zaken uit 2018 (het Beleidskader) is onderkend dat het uitsterfbeleid niet langer voldoet, en dat in gemeenten waar in de voorgaande jaren een afbouwbeleid is gehanteerd wat betreft het aantal standplaatsen, een inhaalslag nodig is. De Gemeente is dus gehouden om haar beleid te wijzigen en aanvullende woonwagenstandplaatsen te realiseren, in ieder geval totdat de gemiddelde wachttijd voor een woonwagenstandplaats gelijk is aan de gemiddelde wachttijd voor een woning in de sociale sector in Den Haag. De Gemeente heeft echter niets, althans veel te weinig, ondernomen om haar beleid aan te passen. De Gemeente heeft daarmee jegens alle Woonwagenbewoners onrechtmatig gehandeld.
De Gemeente heeft, overeenkomstig artikel 1018c lid 5 Rv, tot op heden haar verweer beperkt tot de ontvankelijkheid van de Stichting.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.