Home

Rechtbank Den Haag, 31-05-2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:17249, C/09/663620 / KG ZA 24-273

Rechtbank Den Haag, 31-05-2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:17249, C/09/663620 / KG ZA 24-273

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
31 mei 2024
Datum publicatie
23 oktober 2024
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2024:17249
Zaaknummer
C/09/663620 / KG ZA 24-273

Inhoudsindicatie

Eiseres vordert dat het de Autoriteit Persoonsgegevens wordt geboden om bij het verstrekken van een aan eiseres opgelegd handhavingsbesluit aan derden de hoogte van het genoemde boetebedrag daarbij niet te vermelden. Vordering wordt toegewezen. De belangen van eisende partij wegen zwaarder dan belangen van derden bij kennisname van de hoogte van de boete.

Uitspraak

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/663620 / KG ZA 24-273

Vonnis in kort geding van 31 mei 2024

in de zaak van

[Bedrijf] te [[vestigingsplaats]],

eiseres,

advocaten mrs. M.G.A. Egeler, A.A.J. Pliego Selie, S.P. Kloosterboer en W.A.I. Vlastuin te Amsterdam,

tegen:

AUTORITEIT PERSOONSGEGEVENS te Den Haag,

gedaagde,

in persoon verschenen (gemachtigden van de AP: mrs. W. van Steenbergen en E. Nijhof).

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘eiseres’ en ‘de AP’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 28 maart 2024 met producties;

- de conclusie van antwoord met producties;

- de akte houdende overlegging producties (producties 14 en 15) van de zijde van eiseres;

- de op 13 mei 2024 achter gesloten deuren gehouden mondelinge behandeling, waarbij van de zijde van eiseres pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.

2 De feiten

Op grond van de stukken en hetgeen ter zitting is gezegd wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

De AP heeft, na een uitgevoerd onderzoek, op 6 december 2023 een besluit genomen om aan eiseres twee bestuurlijke boetes op te leggen omdat eiseres met de verwerking van persoonsgegevens in het kader van de door haar geëxploiteerde financiële dienst artikel 5 lid 1 aanhef en onder a jo. artikel 6 lid 1 van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) overtreedt en omdat eiseres de betrokkenen over de verwerking van persoonsgegevens in het kader van haar dienst niet in een beknopte, transparante, begrijpelijk en gemakkelijk toegankelijke vorm informeert (overtreding van artikel 12 lid 1 jo. artikel 14 lid 1 en 2 van de AVG). Ook zijn aan eiseres twee lasten onder dwangsom opgelegd waarin haar (samengevat) is gelast de overtredingen van voornoemde artikelen te beëindigen en beëindigd te houden. Het besluit van 6 december 2023 wordt hierna ‘het handhavingsbesluit’ genoemd. De opgelegde bestuurlijke boetes zullen hierna gezamenlijk ‘de bestuurlijke boete’ worden genoemd.

2.2.

De aanleiding voor de AP om onderzoek naar eiseres te doen was de ontvangst van onder meer klachten van een tweetal burgers (hierna: klagers). Een van deze klagers (klager 1) heeft bij brief van 28 mei 2018 aan de AP haar situatie en klachtcorrespondentie met eiseres uiteengezet en de AP onder meer het verzoek gedaan om eiseres op te dragen haar gegevens aantoonbaar te vernietigen en te onderzoeken of eiseres over de vereiste toestemming van klanten (meer specifiek haar toestemming) beschikt om gegevens te verwerken en uit te wisselen. Bij e-mailbericht van 7 november 2018 heeft klager 1 (aanvullende) e-mailcorrespondentie met eiseres aan de AP toegestuurd. Uit deze aanvullende correspondentie blijkt onder meer dat klager 1 eiseres kenbaar heeft gemaakt dat eiseres de privacywetgeving op alle fronten overtreedt en dat eiseres zeer hoge boetes en alle bijkomende publiciteit riskeert. Klager 1 maakt er daarbij melding van dat zij de weg naar de AP weet te vinden.

Klager 2 heeft bij brief van 29 november 2018 geklaagd over de werkwijze van eiseres en hij heeft de AP verzocht om handhavingsmiddelen in te zetten. De AP is verzocht om over te gaan tot een passende sanctie, en daarnaast is de AP verzocht eiseres te dwingen de verwerkte gegevens te verwijderen en verwijderd te houden.

2.3.

Eiseres heeft op 12 januari 2024 pro forma bezwaar ingediend tegen het handhavingsbesluit. De gronden van het bezwaar zijn op 27 maart 2024 ingediend.

2.4.

Op 13 december 2023 heeft de AP aan eiseres haar intentie geuit om het handhavingsbesluit openbaar te maken. Op 26 januari 2024 heeft eiseres een zienswijze ingediend tegen het voornemen van de AP om het handhavingsbesluit openbaar te maken. Ten tijde van (in ieder geval) de mondelinge behandeling in deze kortgedingprocedure (13 mei 2024) heeft de AP nog geen formeel openbaarmakingsbesluit genomen.

2.5.

Op 19 januari 2024 heeft de AP aan eiseres te kennen gegeven dat zij het handhavingsbesluit aan klagers bekend zal maken:

“(...)

Klagers hebben dus een aanvraag in de zin van artikel 1:3 lid 3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gedaan. De AP is dan ook gehouden om op deze aanvraag een besluit te nemen. Onderdeel van dat besluit, waarbij het handhavingsverzoek van klagers wordt toegewezen, is het handhavingsbesluit van 6 december 2023. Dat besluit maakt derhalve onlosmakelijk onderdeel uit van de toewijzing van het handhavingsverzoek.

Het besluit aan klagers treedt op grond van artikel 3:40 Awb pas in werking als het is bekendgemaakt.

Bekendmaking geschiedt op grond van artikel 3:41 Awb door toezending van het besluit aan de aanvrager. De toezending van het besluit aan klagers is een feitelijke handeling.

Ook artikel 77, lid 2 van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) verplicht de AP om klagers over het resultaat van hun klacht te informeren. De AP is dan ook op grond van zowel de AVG als de Awb wettelijk verplicht tot bekendmaking van het besluit aan klagers. De AP zal in het besluit aan klagers benadrukken dat het besluit van 6 december 2023 vertrouwelijk is en dat klagers dat besluit niet openbaar mogen maken. Met de verzending van het besluit aan klagers is er geen sprake van openbaarmaking voor eenieder in de zin van de Wet Open Overheid.

Het voorgaande betekent dat de AP in dit geval het besluit aan klagers bekend zal maken. De AP stelt [eiseres, voorzieningenrechter] in de gelegenheid om uiterlijk op 26 januari 2024 kenbaar te maken welke onderdelen van het besluit zij als (bedrijfs)vertrouwelijke informatie aanmerkt. Wanneer [eiseres, voorzieningenrechter] van deze gelegenheid geen gebruik maakt, dan zal de AP een eigen afweging maken over de vraag of bepaalde informatie in het besluit als (bedrijfs)vertrouwelijk moet worden aangemerkt. De verzending van het besluit zal op 2 februari 2024 plaatsvinden.

(...)”

2.6.

Eiseres heeft op 26 januari 2024 pro forma bezwaar aangetekend tegen wat zij noemt het besluit van de AP van 19 januari 2024 tot openbaarmaking aan derden van het handhavingsbesluit. De AP heeft te kennen gegeven toch tot verstrekking van het handhavingsbesluit aan klagers over te zullen gaan. Daarop heeft eiseres de voorzieningenrechter van de afdeling bestuursrecht van de rechtbank Den Haag verzocht tot het treffen van een voorlopige voorziening. Eiseres heeft de voorzieningenrechter (kort samengevat) verzocht te beslissen dat het openbaarmakingsbesluit van de AP dat strekt tot openbaarmaking van het handhavingsbesluit aan klagers wordt geschorst en geschorst blijft totdat rechtsmiddelen tegen een eventueel besluit van de AP omtrent openbaarmaking van het handhavingsbesluit door eiseres zijn uitgeput. De voorzieningenrechter heeft het verzoek van eiseres om een voorlopige voorziening afgewezen (uitspraak van 22 februari 2024 voorzieningenrechter Rechtbank Den Haag, ECLI:RBDHA:2024:3754). De voorzieningenrechter heeft onder meer als volgt geoordeeld:

“(...)

6.2.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat het toezenden van een afschrift van het handhavingsbesluit aan de twee klagers op grond van artikel 3:41, eerste lid, van de Awb een feitelijke handeling (ter uitvoering van een bestuursrechtelijke procedure) betreft. Het is niet gericht op een rechtsgevolg, omdat het geen bevoegdheid, recht of verplichting doet ontstaan of teniet doet en het stelt evenmin de juridische status van een persoon of zaak vast. De brief van 19 januari 2024 is dan ook een aankondiging van een feitelijke handeling en geen besluit in de zin van de Awb. (...)

6.4.

Tegen (een aankondiging van) een feitelijke handeling is geen bezwaar mogelijk. Hieruit volgt dat het bezwaar tegen de brief van 19 januari 2024 naar verwachting niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Verweerder [de AP, voorzieningenrechter] heeft dit ook in zijn verweerschrift aangekondigd. Het bezwaar waaraan het verzoek om voorlopige voorziening is gekoppeld, heeft daarom geen redelijke kans van slagen en er bestaat dan ook geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

(...)”

2.7.

Tussen de AP en eiseres is onder meer gecorrespondeerd over de vraag in welke (geredigeerde) vorm het handhavingsbesluit (desondanks) aan Klagers zou kunnen worden verstrekt. Het voorstel van eiseres om de boetebedragen en het onderdeel over de berekening van de boete onleesbaar te maken is door de AP niet geaccepteerd. Bij brief van 18 maart 2024 heeft de AP eiseres het volgende bericht:

“(...)

Bij e-mail van 1 maart 2024 heeft de AP een versie van het besluit van 6 december 2023 aan [eiseres, voorzieningenrechter] gestuurd met daarin zichtbaar gemaakt de onderdelen die voor klagers – om bedrijfsvertrouwelijke redenen onleesbaar zijn gemaakt. De boetehoogte is in die versie niet onleesbaar gemaakt.

In reactie daarop heeft [eiseres, voorzieningenrechter] op 6 maart 2024 de AP (nogmaals) gevraagd de boetehoogte onleesbaar te maken voor klagers, gelet op het risico dat [eiseres, voorzieningenrechter] meent te lopen met de verstrekking van het boetebesluit aan klagers.

De AP overweegt als volgt. De hoogte van de aan [eiseres, voorzieningenrechter] opgelegde boete [maakt, voorzieningenrechter] integraal onderdeel uit van het boetebesluit. Gelet daarop ziet de AP geen aanleiding om de boetehoogte onleesbaar te maken in het afschrift van het besluit dat aan klagers zal worden verstrekt. Aan de vrees van [eiseres, voorzieningenrechter] voor het ‘uitlekken’ van de boetehoogte komt de AP tegemoet door klagers erop te wijzen dat het gaat om vertrouwelijke informatie en dat er aansprakelijkheidsrisico’s voor klagers bestaan indien zij die vertrouwelijkheid schenden.

De AP zal het besluit van 6 december 2023 en de daarin onleesbaar gemaakte onderdelen aan klagers verstrekken op 27 maart 2024.

(...)”

2.8.

De AP heeft het handhavingsbesluit nog niet aan klagers bekendgemaakt. Zij heeft eiseres bericht dat zij het verstrekken van het besluit aan klagers op zal schorten totdat de voorzieningenrechter daarover in kort geding een beslissing heeft genomen.

3 Het geschil

3.1.

Eiseres vordert – zakelijk weergegeven – bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

-

i) De AP te gebieden om, voor zover zij overgaat tot verstrekking van het handhavingsbesluit aan de twee betrokkenen [klagers, voorzieningenrechter], het boetebedrag en de onderdelen over de berekening van het boetebedrag onleesbaar te maken, en deze informatie ook niet op enige wijze aan hen (of andere derden) bekend te maken, op straffe van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag;

-

ii) de AP te veroordelen in de proceskosten.

3.2.

Daartoe voert eiseres – samengevat – het volgende aan.

De verstrekking van het handhavingsbesluit (inclusief het daarin genoemde boetebedrag) door de AP aan klagers is onrechtmatig omdat de AP daar geen redelijk belang bij heeft terwijl de belangen van eiseres zich tegen openbaarmaking verzetten. Klagers zijn door de AP ook niet als aanvrager tot handhaving c.q. belanghebbende aangemerkt en zij kunnen ook niet als belanghebbende worden aangemerkt. Door bekendmaking van het handhavingsbesluit inclusief boetebedrag aan klagers bestaat er een aanzienlijk risico dat dit boetebedrag openbaar gemaakt zal worden. Gelet op de hoogte van dit boetebedrag zal daarvan een afschrikwekkende werking uitgaan. Eiseres vreest dat bij publieke bekendwording daarvan haar klanten contracten zullen opschorten of opzeggen, dat nieuwe klanten zullen wegblijven en er een onevenredige impact zal zijn op de bedrijfsvoering en reputatie van eiseres. De gevolgen daarvan zijn niet meer ongedaan te maken, terwijl tegen het handhavingsbesluit nog een bezwaarprocedure loopt en er ook nog een mogelijkheid tot beroep is.

3.3.

De AP voert verweer. De AP voert – in de kern – onder meer het volgende aan. Klagers hebben bij de AP verzocht om corrigerende maatregelen te treffen tegen eiseres. Dit zijn verzoeken om handhaving van de AVG. Het zijn aanvragen van belanghebbenden om een besluit te nemen in de zin van artikel 1:3 lid 3 van de Awb. Het handhavingsbesluit maakt dus ook deel uit van de te nemen toewijzende besluiten op de aanvragen van klagers om handhavend op te treden tegen eiseres. Die besluiten moeten aan klagers bekendgemaakt worden. Klagers moeten de mogelijkheid hebben om bezwaar te kunnen maken tegen de lasten onder dwangsom en/of de bestuurlijke boete, maar voorwaarde daarvoor is dat zij wel kennis kunnen nemen van de inhoud van de opgelegde lasten en de hoogte van de opgelegde bestuurlijke boete. Bekendmaking van het handhavingsbesluit is dus noodzakelijk om de ingezette bezwaarprocedure op de wettelijke voorgeschreven wijze te kunnen doorlopen

4 De beoordeling van het geschil

5 De beslissing