Home

Rechtbank Den Haag, 13-11-2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:18898, C/09/24/20 S

Rechtbank Den Haag, 13-11-2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:18898, C/09/24/20 S

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13 november 2024
Datum publicatie
20 november 2024
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2024:18898
Zaaknummer
C/09/24/20 S

Inhoudsindicatie

Homologatie akkoord in surseance. Geen toets aan WHOA. Geen schending paritas creditorum of absolute priority rule.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK DEN HAAG

Team Insolventies – enkelvoudige kamer

insolventienummer: C/09/24/20 S

uitspraakdatum : 13 november 2024

In de surseance van betaling van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[schuldenaar] B.V.,

ingeschreven bij de Kamer van Koophandel onder nummer [kvk-nummer] ,

statutair gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,

vestigingsadres: [postcode] [vestigingsplaats 2] , [adres] ,

hierna: schuldenaar,

is de volgende beschikking gegeven.

1 De procedure

1.1.

Schuldenaar heeft op 2 september 2024 een verzoek tot verlening van surseance ingediend. Op dezelfde dag heeft de rechtbank aan schuldenaar de voorlopige surseance van betaling per die datum verleend. Mr. D. de Loor is tot rechter-commissaris benoemd en mr. M.J.H. Vermeeren, advocaat te Den Haag, is tot bewindvoerder benoemd.

1.2.

Op 15 oktober 2024 is ter terechtzitting van mr. D. de Loor, rechter-commissaris, bijgestaan door R. Becker als griffier, een crediteurenvergadering gehouden. Daarin heeft ook de behandeling van het akkoord plaatsgevonden dat schuldenaar aan zijn schuldeisers heeft aangeboden.

Het akkoord is met de bij de wet vereiste meerderheid aangenomen.

1.3.

Het verloop van de procedure blijkt voorts uit:

- het verzoek tot verlening van de surseance van betaling van [schuldenaar] B.V. gedateerd 29 augustus 2024;

- de beschikking van de rechtbank van 2 september 2024;

- het verslag van de bewindvoerder van 1 oktober 2024;

- het proces-verbaal van de schuldeisersvergadering van 15 oktober 2024 met schuldenlijst en akkoord;

- de brief van mr. Van de Klundert van 23 oktober 2024;

- twee brieven van de bewindvoerder van 25 oktober 2024,

- de brief van mr. L.J.W. Godding van 28 oktober 2024;

- de salarisberekening van de bewindvoerder van 28 oktober 2024;

- het bericht van mr. I.M. Tan-Beulen van 28 oktober 2024;

- het verslag van de rechter-commissaris ingevolge artikel 271 lid 1 van de Faillissementswet van 28 oktober 2024.

1.4.

De homologatie van het akkoord is op 29 oktober 2024 ter openbare terechtzitting behandeld. Daarbij zijn verschenen:

- de heer [naam 1] en de heer [naam 2] , indirect bestuurders van schuldenaar;

- mr. W.J.B. Berendsen, advocaat van schuldenaar, met kantoorgenoten mr. L.J.W. Godding en S.C.A. van Beek;

- mr. L.S.E. Prickartz namens de bewindvoerder mr. M.J.H. Vermeeren, met kantoorgenoot

mr. C. Streelder;

- de heer [naam 3] namens Stichting [stichting] (hierna: [stichting] ), alsmede haar advocaat mr. I.C.J.C. van de Klundert;

- mevrouw [naam 4] en mevrouw [naam 5] namens [bankinstelling] ,

- de heer [naam 6] en mevrouw [naam 7] namens RvO.

2 De feiten

Het ontwerp-akkoord

2.1.

Bij het surseanceverzoek heeft schuldenaar een ontwerp-akkoord gevoegd, dat inhoudt:

“[...]

Aangeboden in de surseance van betaling van [schuldenaar] B.V. ( [schuldenaar]

”) zoals verzocht aan de rechtbank Den Haag op 28 augustus 2024.

In het akkoord wordt onderscheid gemaakt tussen de volgende schuldeisers:

• art. 1 Boedelschuldeisers;

• art. 2 Preferente Schuldeisers

• art. 3 Concurrente schuldeisers Concurrente Investeerders;

Ongedekte Preferente Financiers;

Art. 1. Boedelschuldeisers

Boedelschuldeisers worden volledig voldaan. [schuldenaar] heeft (externe) financiering

beschikbaar voor de volledige boedelkosten van de surseance van betaling met inbegrip van het

door de rechtbank Den Haag vast te stellen salaris van de bewindvoerder.

Art. 2. Preferente schuldeisers

Alhoewel de surseance in beginsel niet werkt ten aanzien van vorderingen waaraan voorrang is

verbonden betaalt [schuldenaar] aan de erkende schuldeisers met voorrangsrechten

(“Preferente Schuldeisers”) een gedeelte van hun vordering tegen algehele en finale kwijting voor

het onvoldaan gebleven gedeelte van hun vorderingen. Het percentage van de vordering dat betaald wordt aan Preferente Schuldeisers bedraagt 20% (zegge: twintig procent) en is het dubbele van het percentage dat wordt uitgekeerd aan de concurrente schuldeisers.

Art. 3. Concurrente schuldeisers

1. Tot de concurrente schuldeisers behoren investeerders met een concurrente vordering

(“Concurrente Investeerders”). Het gaat hier om schuldeisers van [schuldenaar]

waarvan de vordering voortvloeit uit een overeenkomst van geldlening (in de breedste zin

des woords) die niet is gedekt door een zekerheidsrecht zoals een pandrecht of een recht

van hypotheek. Tot de Concurrente Investeerders behoren niet de handelsschuldeisers.

De handelsschuldeisers hebben geen vordering uit hoofde van een overeenkomst van geldlening

en zijn volledig voldaan.

2. Tot de concurrente schuldeisers behoren ook de preferente schuldeisers van Conference

Compass met een zekerheidsrecht (pandrecht of hypotheekrecht), doch slechts voor zover

hun vordering niet is gedekt door dat zekerheidsrecht (“Ongedekte Preferente Financiers”).

3. Ten aanzien van de hoogte van de concurrente vordering van de Ongedekte Preferente

Financiers proberen partijen voorafgaand aan de stemming over het akkoord onderling

overeenstemming te bereiken.

4. [schuldenaar] betaalt aan haar concurrente schuldeisers (Concurrente Investeerders

en Ongedekte Preferente Financiers) een gedeelte (percentage) van 10% (zegge tien

procent) van het concurrente gedeelte van hun vordering tegen algehele en finale kwijting

voor het onvoldaan gebleven gedeelte van hun vorderingen alsmede tegen algehele en

finale kwijting voor eventueel opgekomen rente vanaf de datum der surseance.

Art. 4. Opschortende voorwaarden

Het akkoord wordt aangeboden onder de opschortende voorwaarden:

1. dat er een akkoord wordt bereikt met de Ongedekte Preferente Financiers over de hoogte

van hun concurrente vordering.

2. dat er een akkoord wordt bereikt met de Preferente Schuldeisers.

Het staat [schuldenaar] vrij om op ieder moment eenzijdig afstand te doen van één of

meerdere van de hiervoor vermelde opschortende voorwaarden.

Art. 5. Waarborg voor nakoming van het akkoord

De voor de nakoming van het akkoord vereiste gelden worden vóór de homologatie van het akkoord gestort op de derdenrekening van Stichting derdengelden LXA en worden na homologatie van het akkoord uitgekeerd aan de rechthebbende(n).

’s-Hertogenbosch, 11 september 2024

[schuldenaar]

[...]”

Het verslag van de bewindvoerder

2.2.

Op 2 oktober 2024 is het verslag ex artikel 265 Fw van de bewindvoerder van 1 oktober 2024 bij de rechtbank gedeponeerd. In dat verslag staat onder andere het volgende vermeld:

“[...]

2.1

[schuldenaar] is op 6 januari 2011 opgericht. [schuldenaar] heeft twee bestuurders: [bedrijfsnaam 1] B.V. (uitvoerend bestuurder) en de heer [naam 2] ( [naam 2] ). Bestuurder van [bedrijfsnaam 1] BV. is de heer [naam 1] ( [naam 1] ). [naam 2] is niet uitvoerend bestuurder.

2.2

De aandeelhouders van [schuldenaar] zijn: [bedrijfsnaam 1] B.V. ( [bedrijfsnaam 1] ) (60%), [bedrijfsnaam 2] B.V. ( [bedrijfsnaam 2] ) (12,07%) en [bedrijfsnaam 3] B.V. ( [bedrijfsnaam 3] ) (27,93%). Een organogram van [schuldenaar] is aangehecht als bijlage 2 .

2.3

[schuldenaar] exploiteert een onderneming die zich met name bezighoudt met het ontwikkelen en op de markt brengen van software voor organisatoren van evenementen en congressen. De klanten bestaan onder andere uit partijen die medische en wetenschappelijke congressen organiseren. Via bijvoorbeeld een app kan een congres meer interactiever worden beleefd. Daarbij kunnen de klanten ook nog andere online aspecten aankopen voor het evenement, zoals het real time ondertitelen van het congres of het verzorgen van een live stream.

Oorzaak van de financiële problemen bij [schuldenaar]

2.4

Volgens [naam 1] is de belangrijkste oorzaak van de financiële situatie waarin [schuldenaar] verkeert de coronapandemie. Vanwege de coronapandemie konden fysieke congressen geen doorgang meer vinden en werd [schuldenaar] gedwongen om een platform te ontwerpen dat geschikt is voor onlinecongressen. Dit maakte dat [schuldenaar] aanzienlijke investeringen moest maken in een markt waar al veel aanbieders actief waren. Nadat de coronapandemie ten einde was, bleek dat alles snel weer terug keerde naar het oude en ging men weer naar fysieke congressen. Het animo voor onlinecongressen verdween onverwacht snel.

Aldus werd de focus in hoofdzaak weer gelegd op de ontwikkeling van de app voor de fysieke congressen maar waren de grote investeringen voor de onlinecongressen reeds gedaan.

Daarnaast zijn er in de coronaperiode belastingschulden opgebouwd. Een extra toelichting van [schuldenaar] op de oorzaken van de financiële situatie en de getroffen maatregelen treft

u aan als bijlage 3.

2.5

[schuldenaar] wordt gefinancierd door middel van (rentedragende) leningen bij [bedrijfsnaam 3] , [bedrijfsnaam 2] , [bedrijfsnaam 4] BV. ( [bedrijfsnaam 4] ), Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RvO), Stichting [stichting] ( [stichting] ), [bankinstelling] U.A. ( [bankinstelling] ) en [bedrijfsnaam 5] B.V. ( [bedrijfsnaam 5] ). Een aantal hiervoor genoemde geldverstrekkers is eveneens de (indirecte) aandeelhouder van [schuldenaar] (zie bijlage 2 voor het organogram).

2.6

Het is voor [schuldenaar] onmogelijk om de lasten uit hoofde van de voornoemde financieringen, bestaande uit rente en aflossingen, en de belastingschulden nog langer (volledig) te voldoen uit de beschikbare cashflow.

Activa en passiva

2.7

Tot de activa van [schuldenaar] behoren voornamelijk intellectuele eigendomsrechten, waaronder de door [schuldenaar] ontwikkelde software. Deze zijn op 4 juli 2024 door het NTAB getaxeerd op een marktwaarde van EUR 750.000 en een liquidatiewaarde van EUR 35.000. De taxatierapporten zijn in het bezit van de bewindvoerder. Deze intellectuele eigendomsrechten zijn verpand aan de RvO. Daarnaast is er sprake van (kantoor)inventaris met een marktwaarde van EUR 57.385 en liquidatiewaarde van EUR 25.000 die aan [bankinstelling] verpand is. Bedragen zijn exclusief btw.

2.8

Ook heeft [schuldenaar] vlottende activa, bestaande uit vorderingen op klanten.

Deze vorderingen zijn eveneens verpand aan [bankinstelling] .

Kredietovereenkomst

2.9

Bij aanvang van de voorlopige surseance van betaling is met twee financiers, eveneens (indirecte) aandeelhouders van [schuldenaar] , een boedelkredietovereenkomst gesloten. [schuldenaar] beschikt daardoor over financiële middelen om haar lopende kosten en het salaris van de bewindvoerder gedurende de voorlopige surseance van betaling te kunnen voldoen.

Crediteuren

2.10

[schuldenaar] heeft de volgende crediteuren:

- Belastingdienst

- RvO

- [bankinstelling]

- [stichting]

- [bedrijfsnaam 3]

- [bedrijfsnaam 2]

- [bedrijfsnaam 4]

- [bedrijfsnaam 5]

2.11

Voor RvO en [bankinstelling] geldt dat hun vorderingen deels gedekt zijn door pandrechten op activa van [schuldenaar] . Zie paragraaf 2.7en 2.8 van dit advies. Zij zijn voor het gedeelte dat gedekt is door het pandrecht preferente crediteuren. Voor het gedeelte dat hun vordering niet gedekt is door het pandrecht, geldt dat dit gedeelte een concurrente vordering is en in de surseance van betaling als vordering kan worden ingediend. Zij hebben dat ook gedaan.

Daarmee zijn RvO en [bankinstelling] voor een deel concurrente crediteuren. Voor dat deel wordt ook aan hen het akkoord aangeboden. Voor het gedeelte van de vordering dat wel gedekt is door het pandrecht (conform de marktwaarde) zal RVO de huidige financiering onder de gewijzigde (voor de onderneming gunstigere) voorwaarden voortzetten.

Crediteuren met een vordering ten aanzien waarvan de voorlopige surseance van betaling niet werkt, komen voor indiening niet in aanmerking waarbij de bewindvoerder hierbij alle crediteuren expliciet heeft gewezen op het bepaalde in artikel 257 lid 2 Fw mochten dergelijke vorderingen toch ter verificatie worden aangemeld.

2.12

Ten aanzien van de Belastingdienst als preferente crediteur zal het ontwerpakkoord eveneens geen werking hebben. [schuldenaar] heeft in dit kader conform de Leidraad Invordering een separaat voorstel gedaan waarbij de Belastingdienst betaling van een percentage van 20% van de openstaande belastingschulden voldaan krijgt. Het aangeboden ontwerpakkoord is derhalve onder voorbehoud van instemming van de Belastingdienst met het gedane voorstel.

2.13

De handelsschuldeisers van [schuldenaar] worden niet betrokken in het akkoord, nu deze zijn voldaan tot aan de datum van de voorlopige surseance van betaling en vanaf die datum ook voldaan zullen worden.

3 HET AKKOORD

Samenvatting

3.1

De bewindvoerder gaat ervan uit dat de crediteuren van [schuldenaar] kennis hebben genomen van het ontwerpakkoord. Het akkoord houdt in dat de concurrente crediteuren een percentage van 10% van de openstaande vorderingen zal worden voldaan tegen finale kwijting. RVO en [bankinstelling] hebben ter zake het ongedekte deel een vordering (derhalve het gedeelte van de vordering waaraan geen voorrang is verbonden) ter verificatie ingediend. Aan de preferente crediteur, de Belastingdienst, zal een percentage van 20% van de openstaande vordering worden voldaan tegen finale kwijting (zie paragraaf 2.12 van dit advies). Het akkoord wordt gefinancierd door de (indirecte) aandeelhouders en tevens geldverstekkers (rechtbank: lees: geldverstrekkers) van [schuldenaar] , te weten [bedrijfsnaam 4] en [bedrijfsnaam 5] .

Alternatief scenario

3.2

Indien het akkoord niet wordt aangenomen en gehomologeerd, ligt het voor de hand dat [schuldenaar] in staat van faillissement wordt verklaard. In dat geval zal een curator worden aangesteld die als wettelijke taak heeft om alle bezittingen van [schuldenaar] te verkopen en de verkoopopbrengst volgens de wettelijke rangorde te verdelen onder alle schuldeisers. Zoals in paragraaf 2.7 van dit advies al benoemd, zijn de intellectuele eigendomsrechten van [schuldenaar] verpand aan RvO. De marktwaarde van de intellectuele eigendomsrechten is onvoldoende om de vorderingen van RvO te dekken.

De inventaris en vorderingen op klanten zijn verpand aan [bankinstelling] . De waarde van de inventaris en de nominale waarde van de vorderingen op klanten is onvoldoende om de vorderingen van

[bankinstelling] te dekken. Daarbij is rekening gehouden dat de opbrengst van de stil verpande inventaris vermoedelijk de Belastingdienst toekomt.

3.3

Concluderend, de volledige opbrengst van de activa van [schuldenaar] is onvoldoende om de pandhouders te voldoen. Van een eventueel overschot zullen in faillissement eerst de boedelkosten moeten worden voldaan, waaronder het salaris van de aan te stellen curator. Als na voldoening van de boedelkosten al een bedrag resteert, is dat onvoldoende om de Belastingdienst volledig te voldoen. Er zullen in het alternatief scenario van een faillissement geen middelen aanwezig zijn om aan (andere) preferente crediteuren en concurrente crediteuren uit te keren.

Uit het ontwerpakkoord volgt dat aan de concurrente crediteuren betaling van een percentage van 10% van de vordering zal worden aangeboden tegen finale kwijting hetgeen vergeleken met een faillissementsscenario — waarbij dus geen uitkering zal plaatsvinden — een beter resultaat is.

4 TOETSING AAN WEIGERINGSGRONDEN EX ARTIKEL 272 LID 2 FW

5 ADVIES

3 De beoordeling

4 De beslissing